Iraakse vluchtelingen komen aan in Turks opvangkamp na barre tocht

HAKKARI, 29 jan. - Vrijwel dagelijks trekken vluchtelingen uit Irak door de bergen naar Turkije. De ene dag zijn het er twee, de andere dag soms dertig, zo meldt een ambtenaar die zich bezighoudt met de opvang van deze nieuwe stroom vluchtelingen.

In een u-vormige barak van het doorgangskamp Hakkari is de eerste opvang. Na verloop van tijd worden de eerste vluchtelingen overgebracht naar een van de 'tweedelijns' opvangcentra, zoals dat in Tatvan. In de omgeving lijkt een of ander mondain wintersportoord het meest gepast: de besneeuwde toppen reiken tot boven de 3.500 meter. De ruim twintigduizend inwoners tellende stad ligt 1.850 meter boven de zeespiegel. Het straatbeeld wordt gedomineerd door mannen die niets doen. Ze hangen rond, ze praten met elkaar. Ze moeten oppassen wat ze zeggen want in de stad lopen ook honderden politieagenten, geindarmes en militairen rond. Hakkari geldt als een van de belangrijkste haarden van het Koerdisch verzet.

Op eigen houtje rondreizen is er in dit deel van Turkije niet bij. Op grote kruispunten maar ook langs de interlokale wegen staan her en der patrouilles van de politie en de geindarmerie. De tientallen journalisten die zich hebben aangemeld om Hakkari te bezoeken staan allemaal op een lijst die aan de ordebewaarders is verstrekt. Ze houden precies bij wie waar wanneer passeert. Een gesprek met een marktkoopman in Hakkari wordt na vijf minuten resoluut afgebroken door een passerende agent. De journalisten moeten onmiddellijk de stad verlaten.

Bij het bezoek aan het opvangcentrum voor vluchtelingen lopen zeker vijftig politiefunctionarissen zenuwachtig heen en weer. De een met een walkie-talkie, de ander met een geweer. Het opvangcentrum ligt drie kilometer buiten de stad. Gisteren waren er vierendertig 'nieuwe' vluchtelingen aangekomen. Achttien van hen waren militair, zestien burger onder wie twee vrouwen en negen kinderen. Behalve de 'nieuwe' vluchtelingen die de afgelopen weken Irak zijn ontvlucht verblijft er ook een onduidelijk aantal dat al enkele maanden in Turkije zit. Ze vervullen functies als kok en tolk, ze zijn een soort vluchtelingen voor vluchtelingen.

De Arabier Sadi Mohammed Sharif (33) is met zijn Koerdische vrouw (22), drie kinderen (zeven maanden, anderhalf- en drieenhalf jaar) en een neef van hun woonplaats Dohur naar Turkije gelopen. Een afstand van ongeveer 120 kilometer door zeer ruw en onherbergzaam hooggebergte. Temperaturen van meer dan 20 graden onder nul zijn alledaags. Hoe hebben ze die barre tocht overleefd?''Aan de vlucht ging een lange voorbereiding vooraf'', zegt Sharif. Ze maakten voedsel klaar dat ze lang zouden kunnen bewaren. Van dekens maakten ze een soort jurken die wijd genoeg waren om de kinderen onder te dragen. Hij was in de grensstreek opgegroeid en kende de oude smokkelpaden. Het gezin had daarom geen duur betaalde gids nodig.

“We liepen de hele nacht”, vertelt Sharif, “overdag hielden wij ons schuil in een kuil in de sneeuw of tussen het hout. We liepen over een hoge route omdat daar geen soldaten zijn.” Om te voorkomen dat de kinderen met gehuil de aandacht van militairen zouden trekken kregen ze van hun ouders bier te drinken, waardoor zij vrijwel voortdurend sliepen. “Als je eenmaal achter het front bent kun je ongehinderd de grens overlopen”, zegt een ambtenaar, die naar eigen zeggen met “speciale taken voor de overheid” is belast. Hij kent het berggebied en acht een voettocht zelfs met kleine kinderen erbij best mogelijk. Een fruithandelaar uit Hakkari bevestigt dit. Tot de Golfcrisis begon liep hij regelmatig over de eeuwenoude paden door de bergen naar Irak om handel te drijven. Voor hem was dat een tocht van twee dagen, maar een gezin met kinderen zou er wel langer over doen.

Over het leven in Dohur vertelt Sharif: “De meeste mensen probeerden weg te komen. Velen sloegen voedsel in voor de tocht, maar door de sneeuw konden de meesten niet weg. Ik kon niemand vertellen dat we weg zouden gaan. Zelfs mijn moeder niet. Op een dag reed ik de auto voor om mijn vrouw en mijn kinderen op te halen. Pas toen hebben we het mijn moeder verteld.” Sharif, die vijftien jaar militair is geweest, had samen met zijn neef een boerderij. Toen zijn neef, die diende aan het front in Koeweit, op 11 januari met verlof naar Dohur kwam, verkochten zij de boerderij, de dieren en de auto. Meteen daarop vertrokken zij. De nacht dat de oorlog uitbrak kwamen zij bij Cukurca ia in Turkije aanEen van de achttien aanwezige Iraakse deserteurs vertelde dat hij als lid van de Republikeinse Garde in Koeweit was gestationeerd. Omdat hij ziek werd kreeg hij verlof om een paar dagen naar huis te gaan in Arbil, in het noorden Irak. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om via de bergpaden de grens over te lopen naar Semdinli. Net als Sharif kende hij de weg en hoefde hij niet voor grof geld een gids te nemen.

Tussen de vluchtelingen in Hakkari en die in het tweedelijns opvangcentrum in Tatvan bestaan opmerkelijke verschillen. In Tatvan sprak zeker de helft Engels en was die hoog opgeleid. Velen kwamen uit Arbil en Kirkuk, in het noorden van Irak, maar er waren er ook veel uit Bagdad. De meesten hadden geld en hadden flink wat betaald aan gidsen om de weg te wijzen door de bergen. Gevraagd naar hun toekomstplannen vertelden zij dat zij naar Duitsland wilden, naar Zwitserland, naar Amerika.

De bevolking in Hakkari was volkomen anders. Slechts een enkele vluchteling sprak enig Engels. De meesten kwamen uit het noorden en kenden zelf de weg door de bergen. En Sharif was niet de enige die zei naar Irak te willen terugkeren zodra Saddam Hussein is gevallen.

Opmerkingen van de ambtenaar van “speciale taken” kunnen misschien enig licht werpen op de zaak. Hij verklaarde dat de verblijfsduur in Hakkari afhing van het belang van de vluchtelingen. Belangrijke vluchtelingen, waarbij hij met name Iraakse legerofficieren noemde, werden snel overgeplaatst naar een ander centrum. Met boeren hadden zij minder haast. Hoe de vluchtelingen over de verschillende tweedelijns opvangcentra worden verdeeld is niet duidelijk. Ook de gouverneur van Hakkari, Sehabeddin Harput, bracht hierin geen helderheid. Men krijgt de indruk dat het centrum in Tatvan duidelijk bedoeld is als 'model-kamp' van de autoriteiten waar vooral de hoger opgeleiden worden opgevangen. Boeren en arbeiders komen in een van de drie andere opvangcentra terecht, maar die zijn niet toegankelijk voor de pers.

    • Dick van Eijck