Inspectie kritiseert toetsing van onderwijskwaliteit; 'Visitatiecommissies hebben nog geen duidelijke normen'

ROTTERDAM, 29 jan. - De Inspectie voor het hoger onderwijs heeft forse kritiek op de visitatiecommissies die de kwaliteit van het universitaire onderwijs beoordelen.

Dat blijkt uit het rapport 'De externe kwaliteitszorg in het wetenschappelijk onderwijs 1989'.

Het is onduidelijk welke normen de commissies hebben gehanteerd, aan welke minimumeisen het onderwijs volgens hen zou moeten voldoen, en er ontbreekt essentiele informatie. Vooral de visitatiecommissie voor de niet-westerse talen heeft onder de maat gepresteerd. De Inspectie meent niettemin dat de ontwikkeling van de externe kwaliteitszorg aan de universiteit “zeer bevredigend” verloopt en tot “bruikbare resultaten” leidt. De kwaliteit van het onderwijs zou er voor de faculteiten zwaarder door gaan wegen.

De 'meta-evaluatieve beschouwing', zoals de ondertitel van het rapport luidt, is al in juli aan minister Ritzen (onderwijs) aangeboden. Tot dusver heeft deze echter geweigerd het stuk openbaar te maken. Volgens een woordvoerder doet Ritzen dat pas als hij zijn standpunt over de rapportage heeft bepaald. Dit wordt op korte termijn verwacht.

De 'meta-evaluatie' vormt het sluitstuk in het stelsel van kwaliteitszorg waar de universiteiten aan werken sinds de toenmalige minister van onderwijs Deetman hen halverwege de jaren tachtig meedeelde dat zij - in het kader van het vergroten van hun autonomie - een eigen stelsel van kwaliteitsbewaking moesten opzetten. De Inspectie hoger onderwijs zou hun evaluatie beoordelen en bezien of die bijdroeg aan het bereiken van de onderwijsdoelen. Het stelsel zou moeten dienen om de onderwijskwaliteit te verbeteren, maatschappelijke verantwoording af te leggen en als universiteit, hogeschool of vakgebied zelf vraag en aanbod van onderwijs te regelen.

In haar rapport geeft de Inspectie een oordeel over de eerste vier, vorig jaar verschenen, visitatierapporten. Die behandelen de vier studierichtingen geografie, industrieel ontwerpen en lucht- en ruimtevaart, wiskunde en informatica en niet-westerse talen. Bij haar beoordeling betrekt de Inspectie inhoud, doelen ofwel eindtermen van het onderwijs, het 'onderwijsproces' en het studierendement.

De Inspectie komt tot de slotsom dat de visitatiecommissies niet hadden mogen volstaan met de mededeling dat op een groot aantal plaatsen de eindtermen voor het onderwijs ontbreken of onduidelijk zijn geformuleerd. Juist van de commissies had een oordeel over het minimumniveau van de opleiding mogen worden verwacht. De commissies hadden zich ook duidelijker moeten uitspreken over de studielast van de verschillende opleidingen. Wat de Inspectie bovendien in vrijwel alle rapporten mist is een systematische beoordeling van het onderwijsproces.

Ook geven de commissies onvoldoende het referentiekader voor hun oordeel aan. Dat maakt het lastig om bij volgende beoordelingsrondes na te gaan of de situatie verbeterd is, aldus de Inspectie. In het algemeen meent zij dat de commissies nogal terughoudend zijn in hun beoordeling van de opleidingen. Zij meent dat de commissies, door duidelijker oordelen te vellen, een grotere bijdrage hadden kunnen leveren aan verbetering van het onderwijs.

De Inspectie levert vooral scherpe kritiek op de visitatiecommissie voor de niet-westerse talen. Dat de commissie niet tot een eensluidend oordeel kon komen - het gevolg van een verschil van opvatting over de moderne vakinhoud - is tot daaraan toe, maar het rapport geeft evenmin een helder beeld van de onderwijskwaliteit. Het werk van de commissie blijkt van weinig of geen waarde, zo concludeert de Inspectie.

De Inspectie adviseert de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU), die de kwaliteitscontrole organiseert, voortaan ook onderwijskundigen in de commissies op te nemen en terughoudend te zijn met het samenvoegen van studierichtingen die door een commissie moeten worden bekeken, zoals nu bij twee van de vier doorgelichte studies het geval was.

A. I. Vroeijenstijn, die bij de VSNU het werk van de visitatiecommissies coordineert, vindt het rapport van de Inspectie wat zuur en zeurderig maar vooral “heel bureaucratisch”. Hij noemt het bovendien “nogal tweeslachtig”. “Aan de ene kant scherpe kritiek, voor een deel overigens niet terecht, en tegelijkertijd nogal wat lof: het stelsel leidt tot bruikbare resultaten en de ontwikkeling ervan is zeer bevredigend.”

De Inspectie heeft volgens hem gelijk “als zij zegt dat er nog veel te verbeteren valt”. “Dat zeggen we zelf ook voortdurend. Ik weet zeker dat de rapporten die binnenkort verschijnen over de visitaties die vorig jaar zijn uitgevoerd aanzienlijk beter zijn. Harder, scherper, vollediger. Voor zover dat nog mogelijk is hebben we in die ronde ook een aantal terechte opmerkingen van de Inspectie ter harte genomen.”

Maar zijn voornaamste kritiek is dat de Inspectie de bedoeling van de meta-evaluatie mogelijk helemaal niet begrepen heeft. “Wat de Inspectie had moeten nagaan is of ons stelsel van zelfstudies en visitaties inderdaad tot kwaliteitsverbetering leidt en dus voldoet aan de belangrijkste doelstelling. Nu zegt zij wel dat zij er naar heeft gekeken. Maar dat gebeurt heel bureaucratisch, door na te gaan wat de commissies daarover zelf in hun rapporten opmerken. Daar hebben we geen Inspectie voor nodig.”

Dr. D. W. Bresters, plaatsvervangend inspecteur-generaal en verantwoordelijk voor de Inspectie hoger onderwijs, kent de kritiek van Van Vroeijenstijn. “Het is toch nog veel te vroeg om een uitspraak te doen over de vraag of het stelsel tot kwaliteitsverbetering heeft geleid. Hoe zouden we dat bovendien moeten weten? We moeten eerst maar kijken hoe de universiteiten reageren op op de rapportages van de commissies. Daarom is het belangrijk dat die helder en scherp zijn. Overigens is dit nog geen meta-evaluatie. Er staat niet voor niets 'meta-evaluatieve beschouwingen' in de titel. We zijn er nog niet uit.”