Inspectie: hulp Afrika komt vaak niet op de juiste plaats terecht

DEN HAAG, 29 jan. - Voedselhulp uit Nederland komt in Afrika vaak verkeerd terecht.

Bovendien wordt dikwijls het verkeerde voedsel gestuurd, om zo in het Westen van bepaalde voorraden af te komen.

Dat schrijft de Inspectie te Velde van het ministerie van buitenlandse zaken in een rapport over voedselhulp in Afrika ten zuiden van de Sahara tussen 1980 en 1989. Het rapport is vandaag aan de Tweede Kamer aangeboden. Nederland heeft de laatste tien jaar in totaal 2, 5 miljard gulden aan voedselhulp verstrekt, waarvan de helft aan sub-Sahara Afrika.

De kritiek van de Inspectie geldt met name de projecthulp. Noodhulp om hongersnoden te bestrijden komt beter terecht hoewel distributie ook daar te wensen overlaat. De onderzoekers van het ministerie hekelen het feit dat voedselhulp slecht aansluit bij lokale voedingsgewoonten en lokale produktie verstoort. De ontwikkelingslanden verliezen de markt voor zelf geproduceerde harde granen, sorghum, gerst en mais. Tarwe en rijst, die met de beschikbaar gestelde gelden worden geimporteerd, krijgen nu vaak de voorkeur.

De meeste kritiek hebben de inspecteurs op de voedselstromen die via internationale organisaties gaan, zoals de EG en het Wereld Voedsel Programma. De EG gebruikt de gelden voor voedselhulp aan Afrika om af te komen van zuivel- en tarweoverschotten, zo schrijft de Inspectie. Hoewel Nederland niet de eis stelt dat het geld voor voedselhulp ook in Nederland wordt besteed, komt toch zestig procent van de hulp ten goede aan Nederlandse producenten.

De Inspectie te Velde dringt er op aan om geen voorwaarden te verbinden aan het verstrekken van financiele hulp voor het aankopen van voedsel. Nederland moet in de EG een pleidooi houden om landen in ontwikkeling zelf te laten beslissen welke aankopen zij willen doen en waar ze die produkten willen bestellen. De hulp mag geen instrument zijn om overproduktie uit het Westen af te zetten.