In werk 'war artist' trilt emotie mee; De slagveldschetsers

De oorlogskunstenaar dient zich, aldus de negentiende-eeuwse sterverslaggever Archibald Forbes in Memories and Studies of War and Peace, te houden aan vier voorschriften.

“Hoe boeiend een gevecht ook moge zijn”, zei deze bij uitstek deskundige veteraan, “je moet je altijd uit de voeten maken voordat je verbindingslijnen worden afgebroken, want anders wordt je materiaal opgehouden of zal het nooit te bestemder plaatse arriveren. Je moet ervoor zorgen dat je nooit gevangen wordt genomen, want dan ben je gedoemd tot werkeloosheid. Je moet evenmin gewond raken, want dan word je waardeloos voor je krant - en als je wordt gedood, ben je een volstrekte stommeling!”

Forbes kon het weten. Hij was een van de grootste oorlogscorrespondenten van zijn tijd en bracht voor kranten als The Morning Advertiser en The Daily News verslag uit van de Frans-Duitse oorlog van 1870, de derde Carlisten-opstand in 1872, de Servische opmars van 1876, de Russisch-Turkse oorlog van 1877, de Afghaanse oorlog van 1878 en de Zoeloe-opstand van 1879. Veel van zijn kolommenlange telegrammen gingen vergezeld van houtsneden waarop een tekenende collega het strijdveld had afgebeeld. Als hun werk verscheen, werden de kranten uit de handen van de straatverkopers gerukt. En het verscheen vaak: gedurende de negentiende eeuw kon men erop rekenen dat ieder jaar ten minste een oorlog opleverde. “Een internationale brigade van oorlogsspecialisten was min of meer continu in touw”, schrijft Paul Hogarth in The artist as reporter. “Ze reisden van de ene kant van de wereld naar de andere en berichtten zowel over de inleidende intriges als over de bloedige botsingen die het lot bezegelden van oude regimes en primitieve volkeren.”

Kom daar nu eens om. Vorige week, na veel gedelibereer over de vraag wie de verzekeringspremie moet betalen, heeft het Imperial War Museum in Londen eindelijk de schilder John Keane naar het Golf-front kunnen sturen. Hij ontvangt als official war artist een honorarium van 10.000 pond en moet in ruil daarvoor een schilderij afstaan. Het museum heeft bovendien het recht zijn andere werken op zijn minst een keer tentoon te stellen. Keane is de enige, de laatste der Mohikanen.

In de vorige eeuw was het de opkomst van de massa-pers, die van de oorlogsillustrator een beroep maakte. Aanvankelijk bleef hij echter nog thuis bij de warme kachel. Courantiers als Henry Vizetelly, redacteur van de Illustrated London News, zonden de telegrammen van hun frontverslaggevers per bode naar een thuisgebleven tekenaar. Deze graveerde op een houtblok, naar eigen inzicht en fantasie, de taferelen die hij in de tekst meende te zien. Maar ten tijde van de Krim-oorlog (1854) waren heel wat kranten en weekbladen al voldoende gefortuneerd om hun eigen tekenaars mee te sturen naar het verre, gevaarlijke oord. Gegadigden genoeg: ze hadden vroeger gewerkt als aquarellist voor uitgevers van reisboeken of als topografisch tekenaar voor het leger of de wetenschap, ze waren illustrator van kinderboeken of doodgewoon werkloze avonturiers met enig tekentalent.

Ter plekke maakten ze ruwe schetsjes en ze werden dan ook regelmatig door een van de strijdende partijen verdacht van spionage. Tijdens de Frans-Duitse oorlog krabbelde William Simpson zijn impressies op sigarettenvloei, zodat hij ze op moeilijke momenten kon doorslikken of oproken. De schetsjes moesten zo snel mogelijk naar de redactie worden gestuurd, hetgeen soms kilometers-lange wandelingen vergde naar de dichtstbijzijnde postkoetshalte of trein. Ten burele van de krant bevond zich een tekenstudio, waar de schetsjes vervolgens werden uitgewerkt tot reproduceerbare gravures.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was de fotografie al danig ontwikkeld. Toch maakten vooral de Britse en Franse bladen nog onverminderd gebruik van tekenaars en schilders. “Het publiek was, net als de geallieerde militaire leiders, gewend aan de oorlog als een spektakel van heroische, mannelijke allure”, schrijft Hogarth. “In het chauvinistische klimaat van die tijd zou het avontuur onvoldoende kunnen worden geillustreerd met grijze, statische halftoonfoto's van troepen die verwoeste landschappen vertrappen.” Daarom moesten de war artists opnieuw in groten getale uitrukken. In de Tweede Wereldoorlog herhaalde dat zich. Allereerst omdat fotografie nog steeds niet heldhaftig genoeg zou zijn, maar in sommige gevallen ook om redenen van engagement. De redactie van het Amerikaanse tijdschrift Life, groot geworden door de fotografie, wenste naast de militair getinte foto's ook de menselijke kant te laten zien - en dat kon alleen door kleurenprenten, geschilderd door illustratoren die de emotie lieten meetrillen.

Maar de meeste kranten en tijdschriften deden het sindsdien uitsluitend met foto's. Al in de krijg van '14-'18 trokken de meeste oorlogskunstenaars er niet meer op uit voor uitgevers, maar voor hun respectievelijke overheden. Groot-Brittannie hield er zelfs een Official War Artists' Scheme op na, een verschijnsel dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd overgenomen door de meeste andere landen die bij de strijd waren betrokken. Vorig jaar was in diverse Nederlandse musea nog heel wat werk te zien van de Engelsen en Canadezen, die ons land eind 1944 en begin 1945 in het kielzog van de geallieerde troepen betraden. Elk van beide landen had enige tientallen illustratoren uitgezonden. De schilders van de historic section van de Canadese krijgsmacht kregen tijdelijk de rang van officier en hadden per half jaar vier olieverfdoeken, 25 aquarellen en zoveel mogelijk veldschetsen af te leveren. Hun werk moest beantwoorden aan “Canada's hoogste culturele tradities”, aldus de catalogus Victory Parade.

Ze leverden ambachtelijke arbeid af - tafereeltjes die hun waarde vooral ontlenen aan het feit dat er geen foto's van bestaan. Maar het onwerkelijke van veel van dat opdrachtwerk was, dat de oorlog geen doden bleek te kennen. Net als op de gecensureerde journaalbeelden uit de Golf ligt nergens een lijk. Doden waren (en zijn) verboden. De war artists staan nu in dienst van een propagandistisch doel; hun picturale verslaggeving is niet meer voor de krant bedoeld en een persoonlijke visie wordt niet op prijs gesteld. Ze hoeven geen postkoetsen meer staande te houden, maar verder is hun arbeidsterrein er niet veel op vooruitgegaan.