Geen leven

De tijd van de patserig gejaste trainers in het betaald voetbal lijkt voorbij. Ernst Happel zag er destijds soms uit als een jager die een beer had neergelegd en de vacht met alle geweld wilde dragen. Ontmoet je Bengtsson van Feyenoord of Robson van PSV, dan lees je hun beroep niet van hun uiterlijk af. Wellicht bezit de Engelsman nog een restantje flair uit de tijd waarin hij Ipswich leidde, maar Bengtsson straalt helemaal niets uit behalve het vage vermoeden dat hij zich beter thuisvoelt op een kadasterkantoor. Er gaat geen enkele bezieling van hem uit en de uitspraak na de trieste remise tegen NEC ( “Als je niet scoort, win je niet” ) is zo verschrikkelijk waar dat het bij het onnozele af is. Het is gek met die Zweden: in individuele sporten als tennis en skien kan hun lakonieke benadering een voordeel zijn. Edberg en Stenmark zijn de voorbeelden welke mij in dit verband het eerst te binnen schieten. Het veronderstelde ijswater in hun aderen draagt ertoe bij spieren en zenuwen onder controle te houden.

Maar in een ploegsport ligt dat anders. Al zou je het aan de ranglijststand niet aflezen, het moet toch een feit zijn dat de individuele capaciteiten van diverse Feyenoorders helemaal zo gering niet zijn. Alleen de samenhang deugt niet, terwijl de Bengtsson-doctrine blijkbaar voorschreef dat men tegen het zich ingravende NEC met niet minder dan vijf verdedigers moest opereren. In de Rotterdamse werkelijkheid zou een coach zich voor ten minste vijftig procent moeten concentreren op zijn voornaamste taak: hoe krijg ik het elftal mentaal op de rails? Om dat te kunnen, moet je psychologische gaven bezitten en een positieve uitstraling hebben. Het is waar dat een mentaliteitsverbetering automatisch komt als er successen worden geboekt, maar het is veel meer waar dat het andersom werkt: zorg voor vuur en animo en de successen zullen niet uitblijven.

Ik zag zondag namiddag op de buis een groot stuk van de wedstrijd Arsenal-Leeds voor de vierde ronde van de strijd om de FA Cup. Hierbij stond het element 'strijd' verre voorop. Arsenal bezat negen hollers en een techneut (de Zweed Limpar). Bij Leeds lag het precies zo: ook negen hollers en een techneut (de Schot Strachan). Waren die twee er niet geweest, dan was er aan het meeslepende gevecht in tactisch opzicht geen touw vast te knopen geweest. Wie zou die hollers, dravers en vechtjassen zodanig hebben opgejut dat zij tot een uiterste inzet gingen? De managers? Ik denk dat hun inbreng, hoe stimulerend ook, in dit geval vrijwel overbodig was. Engelse voetballers verstaan instinctief dat zo'n vierde bekerronde optimale concentratie en toewijding aan club en beroep vragen. De entourage werkte daaraan mee. Want het was bomvol op Highbury, terwijl in de Rotterdamse Kuip de lege stoelen de bezette verre overtroffen. Maar het moet vooral aan de instelling van de spelers liggen.

Neem zo'n Romario. Royaal voorzien van talent, maar wellicht verstrikt in een bestaan waarin hij sommige consequenties niet overziet. Op een gegeven moment zat hij weinig fit in Rio de Janeiro. Zijn persoonlijke manager verbleef in Italie en zijn werkgever verbleef in India, waar gevoetbald moest worden. Tot overmaat van ramp lag er naar zijn zeggen geen ticket voor hem klaar en kon hij telefonisch baas Ploegsma maar niet bereiken. Eenmaal terug en weer speelklaar prijst hij ons land de hemel in. Zulke aardige mensen en wat een fantastisch land! Maar hij voegt daaraan toe dat hij hier uitsluitend verblijft om te voetballen. “Kan dat even niet, dan heb ik geen leven”. Geld in overvloed, maar leven te weinig. Als we niet oppassen gaan we het nog tragisch vinden ook.

    • Herman Kuiphof