E. C. M. JURGENS; Ik zit in de Kamer omdat ik dol ben op het instituut We gaan sterk de richting van een particratie uit

Sinds de verkiezingen van september 1989 telt de Tweede Kamer 32 nieuwkomers. Sommigen kenden het Binnenhof van zeer nabij, anderen slechts van verre. Wat waren hun ambities en frustraties? Vandaag mr. E. C. M. Jurgens (55), lid van de PvdA-fractie, en deeltijd-hoogleraar staatsrecht aan de VU. Hij was tot 1985 voorzitter van de NOS. Van 1972 tot 1975 maakte hij deel uit van de PPR-fractie. Tot 1968 was hij actief in de KVP.

AMSTERDAM, 29 jan. - Na de KVP, na de PPR nu lid van de PvdA en dan ook nog in het parlement? Erik Jurgens had de vraag reeds op grote afstand zien aankomen. Hij kan het ook niet helpen: “De PPR en de KVP hebben zichzelf opgeheven. Als PPR-Kamerlid zat ik bovendien op een gemeenschappelijk programma met de PvdA en D66: Keerpunt. Dat had de bedoeling om een Progressieve Volkspartij tot stand te brengen. Dan ligt de PvdA uiteindelijk niet zo erg uit de lijn”. Maar de Internationale heeft hij er nog niet gezongen. “Ik vraag toch ook niet aan anderen om Aan U, O Koning der Eeuwen te zingen” ? zegt hij quasi-verontwaardigd.

Hij zit weer in de Kamer omdat hij “dol is op het instituut”. Volksvertegenwoordiger vindt hij het hoogste ambt in de Staat. “Zonder ons is het regeringsoptreden op niets gebaseerd”. Minister worden is “een stapje omlaag”. Wat viel hem op bij terugkeer?”De Kamer is een onderhandelingsforum voor fractiewoordvoerders geworden. Vier of vijf woordvoerders handelen onderling de zaken af - lang niet altijd zijn dat de experts. We gaan sterk de richting van een particratie uit. Van een parlement dat als zodanig optreedt is steeds minder sprake”. Jurgens spreekt van “150 kleine middenstanders die ieder achter het eigen karretje aanlopen. De plenaire vergadering is sluitstuk geworden. Als de woordvoerder zijn standpunt in de eigen fractie en met de andere regeringspartij heeft besproken, dan is het klaar. Wat is 'the floor of the House' dan nog? ”.

Ook van het debat binnen de fractie is hij nog niet erg onder de indruk. “Er geldt daar net als in de ministerraad een non-interventiebeginsel. Ik bemoei me niet met jouw zaak als jij je niet met de mijne bemoeit. Dus laten de meesten het zitten. Je moet van goeden huize komen om er dan toch aan te beginnen. Hooguit ontstaat er dan aan de marge van een onderwerp een debat”. Zo werd bij het reiskostenforfait een wettekst voorgesteld die zo ondoorzichtig was dat Jurgens uitriep dat het een “idiote, onuitvoerbare regel” was: “Dit kan echt niet - dit heeft alles met politiek te maken, en weinig met goede wetgeving”. Maar tegenstemmen als het al in de fractie is heeft weinig zin, zo heeft hij gemerkt.

Ook valt hem op dat de dwang bij alle fracties sterker is geworden, “ook op momenten waarop dat niet nodig is”. Bij het debat over de Golf-crisis was het voor de kiezer “wellicht helderder” geweest als er meer ruimte voor anders-stemmen was geweest. Het House of Commons doet dat beter, vindt hij. Met “one-line, two-line en three-line whips” worden de afgevaardigden al naar het belang van het onderwerp in de houding gezet. Een three-line whip betekent “dat ze je bij wijze van spreken gaan slaan als je niet meestemt”. Een one-line whip heeft het karakter van een redelijk verzoek. Jurgens betreurt het dat er geen stemmachine komt in het nieuwe Kamergebouw - het zou mogelijk uitdagen tot individueel stemmen. “Nu zitten we daar als stemvee”.

Het functioneren van de grote fracties, inclusief de PvdA, zegt hij “soms met verwondering” te bekijken. Bij de NOS was hij gewend dat er leiding werd gegeven. “De mensen verliezen zich hier erg in die woordvoerderschappen. Ik zou meer vertrouwen willen stellen in de politieke leiding van de fractie en ze de gelegenheid geven om prioriteiten te stellen.” Onderwerpen gaan van de woordvoerder naar de fractiecommissie naar de fractievergadering “maar het kiezen van prioriteiten tussen onderwerpen onderling vindt te weinig plaats”

Veel bijeenkomsten met bewindslieden in commissies (mondeling overleg) vindt hij overbodig. Ze worden aangevraagd door fractiespecialisten “om zich belangrijk te maken” of om het innemen van een standpunt zo lang mogelijk uit te stellen. De laatste Algemene Beschouwingen werden volgens hem gehouden op een moment “dat er niets wezenlijks te bespreken viel”. Jurgens: “Wacht nou af totdat er zich iets voordoet. De Golfcrisis, de Tussenbalans - dan komen de echte beslissingen aan de orde”. De uitgebreide behandeling van de 14 departementale begrotingen is “uit de tijd”. Jurgens vindt het een ritueel uit de vorige eeuw toen een minister zo zelden in de Kamer kwam dat het algemene beleid wel bij de begroting moest worden behandeld. Tegenwoordig verschijnen ministers bijna wekelijks en wordt de begroting vrijwel niet meer gewijzigd.

Waarom corrigeert de Kamer zichzelf niet, zo vraagt hij zich af. Wellicht komt het door de manier waarop Nederland wordt bestuurd. Of het nu een ministerraad of een fractiebestuur is: in collegiaal overleg worden gevestigde belangen afgewogen. Niemand mag “met zijn kop boven het maaiveld” proberen om er doorheen te breken. Misschien wordt het tijd voor een sterker centraal gezag, denkt Jurgens. “Iemand met een eigen legitimatie van de kiezer die zegt - zo gebeurt het en ik leg daar verantwoording over af. Dat is voor mij een reden om de gekozen formateur en verdergaande hervormingen met meer sympathie te bekijken.”

    • Folkert Jensma