Amerikaanse militaire rivaliteit maakt successen ongewis

Amerika is in het Golfgebied al eens eerder in actie gekomen. In april 1980 ondernamen de Amerikanen een poging de gijzelaars in Teheran te bevrijden.

Die actie werd door de slordige samenwerking tussen de verschillende krijgsmachtonderdelen een volledige mislukking. Daardoor werd het in Amerika's militaire verder aangetast en het is nu van belang de vraag te stellen waar die slordigheid vandaan kwam. Was het een kwestie van tijdnood of lag het aan een te ver doorgevoerde geheimhouding?

Eindeloze reeksen voorziene en onvoorziene omstandigheden spelen elke militaire operatie parten. Aan deze last voegden de Amerikanen problemen van eigen maaksel toe. In een commando-actie persten zij zoveel groepen en groepjes, dat fricties ontstonden. Elk krijgsmachtdeel wenste bij de actie betrokken te raken. Elk stuurde een, soms meerdere eenheden op de operatie af. De betrokken militairen kenden elkaar niet en hielden liefst vast aan de procedures van hun eigen krijgsmachtdeel. Voor aanpassing ontbrak de tijd. Een precisie-operatie vraagt om een scherp geslepen instrument, maar rivaliteit tussen de krijgsmachtdelen stond de vorming van zo'n instrument in de weg.

Kort daarvoor had Israel laten zien hoe het wel moest. De Israelische actie tegen terroristen op het Oegandese vliegveld van Entebbe (juli 1976) mag als een meesterstuk gelden. Amerikaanse militaire instanties moeten van deze actie op de hoogte zijn gesteld. De militaire betrekkingen tussen beide landen zijn bijzonder innig, bovendien staan zij bij kapingen en gijzelingen tegenover de zelfde tegenstander. In 1980 wist Amerika dus hoe het zo'n actie moest opzetten. Dat het desondanks voor een eigen aanpak koos, geeft aan dat er sterke tegenkrachten werkzaam waren.

Blijkbaar kent Amerika een eigen militaire stijl, die zo diep geworteld is dat hij weerstand biedt aan invloeden van buiten. Elk land ontwikkelt zo'n stijl op basis van ligging, ervaringen, bevindingen en de lessen die het uit zijn verleden meent te mogen trekken. De eigen stijl beperkt het vermogen om van eigen en andermans fouten te leren en resulteert in voorspelbaar gedrag - heel nuttig voor de tegenstander. Het is dus zaak die eigen stijl te doorbreken en het is de vraag of de Amerikaanse krijgsmacht die inspanning de afgelopen tien jaar heeft kunnen opbrengen. Hoe groot is de kans dat rivaliteit tussen krijgsmachtdelen opnieuw een belemmering vormt voor haar oorlogvoering?

Wangedrag

De krijgsmacht is bepaald niet de enige organisatie waarin afdelingen weigeren elkaar te helpen, van elkaars ervaringen te leren, van elkaars middelen gebruik te maken; waarin afdelingen elkaar dwars zitten, hinderen, zwart maken, verdringen en elkaars werkzaamheden dupliceren. Alleen, de prijs die militaire organisaties voor dit wangedrag betalen is hoger en valt buitenstaanders eerder op.

Rivaliteit betekent intussen niet louter kommer en kwel. Mits zij binnen zekere grenzen blijft, kan zij elke afdeling tot betere prestaties brengen. Organisaties schromen dan ook niet interne strijd bewust aan te scherpen. De verschillen tussen de krijgsmachtonderdelen zijn zeer reeel: van de recrutering tot de kans op overleving en krijgsgevangenschap. Tegenover zoveel variatie, houdt de krijgsmacht terecht vast aan zoveel mogelijk uniforme regels en gebruiken. Uniformiteit echter brengt militairen er weer toe onderlinge verschillen te accentueren. Geen zichzelf respecterende eenheid zal een ander zonder meer voorrang geven. Ze achten zichzelf allemaal onmisbaar, ieder wil de leerzame ervaring niet missen, wil zich bewijzen, ook om zich in een gunstig daglicht aan nieuwe leden te presenteren. Pogingen deze cirkel te doorbreken, stuiten op een nieuwe hindernis: Gevechtsomstandigheden zijn uitermate ongewis en gevaarlijk. Waar zoveel op het spel staat en zoveel onzeker is, zal een krijgsmachtdeel niet gauw taken aan derden uitbesteden. Slechts diegenen worden vertrouwd, die het zelf heeft gevormd, opgeleid, en getraind. Steeds meer eenheden, onderdelen en specialisten trekt het legeronderdeel aan om toch maar vooral niet afhankelijk te zijn van buitenstaanders. Wie deze neiging tot oververzekering alleen maar afkeurt, onderschat de betekenis van oorlogsdreiging voor de direct betrokkenen. De rivaliteit tussen krijgsmachtdelen speelt zich ook af op politiek-budgettair niveau. Na het voorafgaande spreekt dat voor zich. Alle eerder genoemde processen werken door tot op deze hoogte. Omgekeerd straalt wat zich hier afspeelt hitte uit naar alle lagere niveaus.

Met deze problemen heeft iedere krijgsmacht te maken - voor de Amerikaanse gelden echter nog andere. Amerika is een maritieme natie en dat bepaalt de eigen aard van haar militaire organisatie. Anders dan in continentale of overwegend continentaal gerichte landen, ontbreekt hier een duidelijke, vaste rangorde tussen de krijgsmachtdelen. Alle drie zijn nodig, alle drie beschikken over goede argumenten een hoge plaats in de hierarchie voor zich op te eisen. Wat een verschil met een continentale staat! Daarin bestaat aan de voorrang van de landstrijdkrachten geen twijfel. Zeestrijdkrachten, hoe groot en dreigend ook voor de tegenstander, komen hier pas na het leger aan bod. Luchtstrijdkrachten zijn hier nauw met marine en vooral leger verbonden.

In de Sovjet-Unie heeft een deel van de luchtmacht zich rond het kernwapen afgescheiden. Toch verloochent ook dit deel zijn herkomst uit legerkringen allerminst. Dit overzichtelijk patroon ontbreekt in onze eeuw in maritieme landen als Amerika en het Verenigd Koninkrijk. Ten aanzien van internationale ontwikkelingen, kwam hier de eerste plaats vanouds aan zeestrijdkrachten toe. Om geopolitieke redenen stond deze plaats niet ter discussie. Het leger kwam eerst aan bod als het moest ingrijpen om een verstoord continentaal evenwicht te herstellen. Gewoonlijk bleef die inzet beperkt omdat de maritieme natie continentale landen als bondgenoten had. Steeds leverden die landen het leeuwendeel van de landstrijdkrachten, ook al stelt de Britse geschiedschrijving die verhouding wel anders voor.

Maritieme landen

De Eerste Wereldoorlog verbrak deze relatie tussen leger en vloot in de maritieme landen. In de eerste plaats was de continentale dreiging van dien aard dat ook zij massalegers op de been moesten brengen. In de tweede plaats stonden na de krappe overwinning beide krijgsmachtdelen bloot aan zware kritiek. Al hun inzet ten spijt was een slepende oorlog uitgevochten. Voor het eerst was voor de toendertijd leidende maritieme natie, Groot-Brittannie, de continentale oorlog geen beperkte, per saldo lucratieve zaak geweest.

Onder deze omstandigheid vonden strategen gehoor voor de stelling dat de toekomst aan het luchtwapen was, mits dat zijn doelen vond in het vijandelijke achterland. Alleen dit wapen zou in staat zijn een herhaling van de teleurstellende Eerste Wereldoorlog te vermijden. Wel zou deze stap de rangorde tussen de krijgsmachtdelen veranderen. Aan luchtstrijdkrachten, mits op strategische leest geschoeid, kwam dan de eerste plaats toe. De marine zou voortaan met een tweede plaats genoegen moeten nemen. De landstrijdkrachten, van hun massaleger en dienstplichtigen ontdaan, bleven onderaan hangen. In zowel het Verenigd Koninkrijk als de Verenigde Staten is met dit gedachtengoed geexperimenteerd. Niet-maritieme landen speelden er slechts mee. Daar kwamen luchtstrijdkrachten niet aan strategische, oorlogsbeslissende pretenties toe.

De Tweede Wereldoorlog liet ondertussen zien, dat het strategisch bombardement die pretentie niet kon waarmaken. Het voegde een dimensie aan de oorlogvoering toe, maar kon niet verhinderen dat de Tweede Wereldoorlog in grote lijnen niet veel verschilde van de Eerste. Een onaanvechtbaar duidelijke, nieuwe rangorde tussen de krijgsmachtdelen bleef dan ook achterwege. Zelfs het kernwapen bracht die verandering niet teweeg. Het afschrikkingsevenwicht zorgde ervoor, dat de klassieke strijdmiddelen hun waarde behielden. Onenigheid over hun relatief belang bleef bestaan en daarmee de rivaliteit tussen de krijgsmachtdelen.

In Amerika voerden vooral marine en luchtmacht, de krijgsmachtdelen met de meeste strategische allures, onophoudelijk strijd. Het leger stond enigszins terzijde en dong, als vanouds, zelden ernstig mee naar de eerste plaats. Het leger kan zich strategisch pas doen gelden als marine en luchtmacht daartoe voorbereidend werk hebben verricht ('sea control' en luchtoverwicht verwerven, overtocht en overvlucht verzorgen van troepen en materieel, enz.). Ook in tactisch-operationeel opzicht blijft het Amerikaanse leger afhankelijk van andermans diensten. Voor de grondtroepen in actie komen, moet de tegenstander liefst zijn murw geslagen door luchtmacht- en marinevliegtuigen. Ook daarna leveren die toestellen taktische bijstand en bestoken vijandelijke aanvoerlijnen.

Bij eventuele inzet brengt het leger gewoonlijk de meeste offers. Dit verhoogt de afhankelijkheid van zijn zusters. Maar ook ontstaat zo bij publiek en regering de neiging omzichtig met het leger om te gaan. Deze factoren versterken elkaar en brengen, in de rivaliteit tussen de krijgsmachtdelen, het Amerikaanse leger in een ongemakkelijke positie. Zijn 'low-intensity' doctrine komt aan dit probleem voor een deel tegemoet. Ook werkt in zijn 'voordeel', dat bij acties in de Derde Wereld grote bondgenootschappelijke legers niet beschikbaar zijn. De low intensity doctrine geldt voor niet-Europese conflicten en varieert dan van contra-guerilla-operaties tot de bestrijding van drugs-imperia en drugssmokkel. De oorlog in de Golf stijgt daar natuurlijk boven uit. De afwezigheid van grote geallieerde legers stelt de Amerikaanse grondtroepen volop in staat zich op de voorgrond te plaatsen. Op die lokatie kan het echter tamelijk eenzaam zijn.

Theater

Rivaliteit tussen krijgsmachtdelen lijkt dus onlosmakelijk met militaire organisaties, zeker met de Amerikaanse, verbonden. Toch is de kans klein dat zij nu de oorlogvoering zal verstoren. Rivaliteit tussen krijgsmachtdelen ontplooit zich het makkelijkst op de twee uitersten van de militaire schaal. De actie tot bevrijding van die gijzelaars in Teheran was zo kleinschalig, dat niet elk krijgsmachtdeel hieraan kon deelnemen. Verstoord over dit gegeven, wurmden vervolgens de buitengesloten instanties zich toch naar binnen. Een opgeblazen organisatie resulteerde, die niet langer aansloot op de eisen die een commando-operatie nu eenmaal stelt. Aan het andere uiterste van de schaal bevindt zich het budgettaire debat.

Tussen beide uitersten in speelt zich de Golfoorlog af. Tot rivaliteit-excessen zal deze oorlog nauwelijks aanleiding geven. In de eerste plaats is op deze schaal voor alle krijgsmachtdelen gelegenheid genoeg zich te ontplooien en te onderscheiden. Daarnaast zijn ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog met commandoverhoudingen zorgvuldig gekoesterd. In die oorlog dreven de Duitsers en Japanners hun tegenstanders niet alleen terug maar ook nog ver uitelkaar. In hun antwoord hierop maakten het Verenigd Koninrijk en de VS van de nood een deugd. Onder de algehele strategische leiding van Washington en Londen formeerden zij afgeronde militaire eenheden die in afzonderlijke gebieden, 'theaters' genoemd, actief waren. Zo werd de vijand van verschillende kanten onder druk gezet. Elk theater beschikte over een veilige logistieke basis en een eigen strategisch doel. Elk was groot genoeg om in de loop van de oorlog weinig te hoeven veranderen. Elk was klein genoeg om geleid te worden door een hoofdkwartier. Binnen elk theater leerden de geallieerden, met vallen en opstaan, de oorlogsvoering met de gecombineerde wapens. Elk theater stond onder eenhoofdige leiding van hier een admiraal, elders een generaal. Als zijn plaatsvervanger trad steeds een officier op van een ander krijsmachtonderdeel. Het was vooral Amerikaans gebruik de theatercommandant een grote mate van handelingsruimte te geven, ook in politiek en diplomatiek opzicht.

De strijdkrachten in de Golf kunnen met deze ervaring hun voordeel doen. De coalitie in de Golf staat onder een eenhoofdige leiding, en dat is een generaal, omdat de belangrijkste bijdrage uiteindelijk door het leger geleverd zal worden. De andere krijgsmachtonderdelen zijn in zijn staf vertegenwoordigd. Men kan er van uit gaan dat dit goed zal werken. Na afloop echter zal elk krijgsmachtdeel het strijdtoneel afstropen op zoek naar munitie voor een volgende ronde in zijn binnenlandse strijd. De budgettaire problemen immers zullen blijven. De strijdbijl is tijdelijk begraven.

    • G. Teitler