Stranding in Amman voor drie roependen in de woestijn; Boodschappers van de vrede

De man knielt neer bij ons tafeltje in de cafetaria om iets belangrijks te vertellen.

Maar na een paar woorden weten we genoeg. Alweer een boodschap van God. Dit keer is de brenger een Joegoslaaf van onbestemde leeftijd, met een snor en een groene wollen muts die hij stijf tegen de hartstreekt klemt. Bij toeval heeft hij ontdekt dat er in Mekka geschriften bewaard worden, waarvan de openbaring onmiddellijk een einde zou maken aan alle vijandelijkheden in het Midden-Oosten.

Met vrouw en kinderen is hij daarop naar Bagdad gereisd om Saddam Hussein over zijn ontdekking te vertellen, maar de Iraakse leider had geen tijd voor hem. Nu heeft hij zijn laatste hoop gesteld op de internationale pers. Hij heeft een stencil meegebracht.

Hij is de enige niet. Brandende braambossen en flitsen aan de hemel zijn uit de tijd en zouden trouwens niet opvallen in het aanhoudende vuurwerk van bommen en granaten. Maar het Opperwezen beschikt nog altijd over roependen, die hij niet de woestijn inzendt, maar naar de rafelranden van de oorlog, waar honderden correspondenten op een houtje zitten te bijten. Aan hen komen ze vertellen dat er een einde moet komen aan alle geweld.

Op een middag worden de journalisten die in Amman verblijven naar de balzaal van hun hotel gesommeerd om het verhaal te horen van dr. Said. Het blijkt om niemand minder dan dr. Mohammad H. Said te gaan. De geneesheer-directeur dus van Said's Family Clinic in Ephrata, nabij Spokane in de staat Washington.

Hij is een 'Arabische Amerikaan', een Palestijn, met familie in zowel Jordanie, Saoedi-Arabie als Koeweit en heeft een actieve betrokkenheid bij de Amerikaanse politiek. Dat bewijzen de kopieen die hij heeft meegebracht van brieven aan partijbestuurders, senatoren en het Witte Huis. Dr. Said is geheel op eigen kosten met zijn videocamera naar Koeweit gegaan, maar voor hij ons de beelden laat zien geeft hij zijn vredesboodschap af. De mensen in Koeweit hebben hem verteld dat ze geen prijs stellen op een gewelddadige bevrijding. Dat is slecht voor de handel, die het de laatste maanden toch al zo moeilijk heeft. Oorlog is nooit een oplossing voor meningsverschillen, vindt dr. Said. Of hij ook tegen een gewapende bevrijding van Palestina is, wordt hem gevraagd. Hm. Laat hij het zo zeggen: in dat geval is zijn opstelling 'neutraal'. Nauwelijks heeft hij deze woorden gesproken of een niet in het programma geannonceerde spreker bespringt het podium en begint te zwaaien met een rapport waaruit zou blijken dat de familienamen van de Koeweiti's bijna allemaal duiden op een Iraakse of Saoedische komaf. Alleen die van de emir niet. Dat is een Jood. De zaal zucht hoorbaar onder de interruptie.

Toegegeven: dr. Said heeft met zijn camera een nuttig karweitje verricht. Hij heeft de kliniek gefilmd waar volgens een wijd verspreid Broodje-Aap-verhaal 22 babies zouden zijn gestorven toen hun couveuses door Iraakse soldaten werden geroofd. Ze staan er allemaal nog, met de zuigelingen er in. De rest van het geflakker dat de medicus op het scherm tovert bewijst voornamelijk dat in Koeweit en Irak de stemming opperbest is en dat er thee wordt gedronken tijdens een bombardement. Terwijl hij nog lang niet aan het eind van zijn vertoning is, floepen de televisielampen al uit en worden voor de neus van dr. Said de microfoons weggegraaid.

“Dit zijn twee Iraakse soldaten in een snackbar onderweg”, roept dr. Said. De zaal loopt leeg. Alweer een boodschap en geen nieuws.

Voor de deur van het hotel, en tegenover de Amerikaanse ambassade, zit mevrouw Rossner, die al dagenlang niet eet. Ze is een religieuze feministe van een jaar of vijftig en vroeger doceerde zij Engelse letterkunde aan een Amerikaanse universiteit. In haar bruine pij was ze op weg naar het vredeskamp aan de Saoedi-Iraakse grens, toen de oorlog uitbrak en ze strandde in Amman. Haar hongerstaking duurt tot het vrede is.

Een paar dagen gaat het goed. Ze trekt tenminste de aandacht van de Jordaanse pers. Daardoor krijgt ze de steun van een groep plaatselijke vrouwen. Een dertigtal in het zwart geklede dames, sommigen met kleine kinderen, komt om haar heen staan met portretten van Saddam Hussein en een bord waarop te lezen staat: Wapens zijn het enige antwoord.

“Nee, nee, nee”, hoor ik mevrouw Rossner vertwijfeld zeggen, wanneer ik voorbij het groepje loop. “Wij vrouwen moeten juist alle geweld afwijzen, van beide partijen! Het zijn toch onze kinderen die worden doodgemaakt?” Een woedend gesis is het antwoord. De Amerikaanse is nu bijna helemaal door zwarte jurken aan het zicht ontrokken. Ik hoor haar nauwelijks meer. Ze huilt.

    • H. M. van den Brink Willem Pijffers