Ritzen stemt in met advies over onderzoekschool

ROTTERDAM, 28 jan. - De universiteiten moeten een breed scala onderzoekscholen opzetten.

Een voorstel voor een onderzoekschool dient te worden voorgelegd aan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Minister Ritzen (onderwijs) wil dat daarnaast jaarlijks een of twee onderzoekscholen als 'topinstituut' worden gekwalificeerd. Deze krijgen van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO) extra geld.

De minister schrijft dit in zijn reactie op het in oktober uitgebrachte advies van de Commissie Onderzoekscholen. Ritzen neemt het advies grotendeels over. Wel wil hij dat de universiteiten veel meer dan de commissie voorstelde hun plannen bespreken met andere, niet-universitaire organisaties en waar mogelijk met hen samenwerken.

Ritzen wil dat de universiteiten de eerstkomende jaren gezamenlijk zoveel mogelijk in alle disciplines een of enkele onderzoekscholen gaan opzetten. Deze opleidingen voor onderzoekers moeten worden gegroepeerd rond erkend hoogwaardig onderzoek. Het initiatief moet uitgaan van faculteiten.

Ritzen verwacht dat in deze onderzoekscholen verschillende universiteiten gaan samenwerken. Erkenning geschiedt door de KNAW, voor vijf jaar. De Akademie moet ondoelmatige overlapping tussen scholen voorkomen. Het stelsel moet geleidelijk aan tot stand komen, schrijft Ritzen, anders kan de KNAW het werk niet aan.

Voor de scholen die jaarlijks door NWO worden uitgekozen als 'topinstituut' wordt binnen deze organisatie 12, 5 miljoen gulden uitgetrokken, zij het dat dit bedrag pas over vijf jaar volledig hoeft te worden besteed.

Ritzen wil ook de twee-jarige tweede-fase-opleiding tot ontwerper in onderzoekscholen onderbrengen. In het kader van het technologiebeleid is voor onderzoekscholen op het terrein van beta- en technische wetenschappen door Economische Zaken eerder 44 miljoen over een periode van vijf jaar beschikbaar gesteld. Ritzen moet voor deze onderzoekscholen een bedrag reserveren dat oploopt van vijf miljoen in 1992 tot tien miljoen in 1994.

Voor de andere onderzoekscholen trekt de minister geen extra geld uit. Hij vindt dat de universiteiten daar zelf maar geld voor moeten vrijmaken. De universiteiten moeten zich contractueel verplichten voor een periode van vijf jaar het benodigde geld in zo'n onderzoekschool te steken. Zo'n contract kan een voorwaarde voor erkenning zijn.