Retoriek

Het pleidooi van A. van Enk voor het verbinden van de Palestijnse kwestie en Koeweit (NRC Handelsblad, 8 januari) zou als tegendraadse curiositeit terzijde kunnen worden geschoven als zijn voorstelling van zaken niet in potentie gevaarlijk is.

Immers, moet de veronderstelling van de auteur dat het gebruik van traangas (door Israel tegen Palestijnen) gelijkstaat aan het gebruik van massa-vernietigingswapens (door Irak) de conclusie schragen dat slechts een koppeling van de twee vraagstukken duurzame vrede kan bewerkstelligen? Kan men aantonen, zoals hij beweert, dat “een groot deel van de wereldbevolking, met name de islamieten” de mening van Saddam Hussein onderstrepen als hun regimes geen vrije pers en vaak geen vrije meningsuiting toestaan? Is het te doen de agressie van Saddam te vergelijken met het recht dat Israel meent te hebben om zich juist tegen dit soort agressie te weren, namelijk door gebieden bezet te houden die zij, na te zijn aangevallen, als buffer handhaaft?

Van Enk appelleert aan rede en redelijkheid, maar achter alle argumenten schuilt de botte zinloosheid van de retoriek.

Van Enk is verblind door zijn, ongetwijfeld diepgrijpende, ervaringen temidden van de ellende van de Palestijnen. Hun recht op zelfbeschikking rechtvaardigt echter nooit dat het publiek van de Westerse democratieen - dat door zijn stem uiteindelijk de politiek van deze gebieden bepaalt en zal bepalen - met valse argumenten en veredelde retoriek op het verkeerde been wordt gezet in levensbelangrijke zaken als deze.

Als wij, zoals Van Enk bepleit, werkelijk willen leren over de situatie in het Midden-Oosten, de ontwikkeling van het Arabisch nationalisme en de Arabische emancipatiestrijd, dan zullen daar ook Berbers, Koerden, Assyriers, Kopten, Christen-Arabieren en Israelische joden en Palestijnen, kortom: alle bewoners van het 'Arabische continent' bij betrokken moeten worden.