Nederlandse inzet onbekend in buitenland; Bijdrage Senegal belangrijker geacht dan van Nederland

DEN HAAG, 28 jan. - Nederlandse politici hebben het gevoel in de Golfkwestie revolutionaire beslissingen te hebben genomen.

Ze laten zich schamper uit over de Belgen, die schone handen proberen te houden. Dat Nederland meedoet aan de gewapende actie tegen Irak is vrijwel alleen in Nederland bekend, daarbuiten blijft het bewustzijn ervan beperkt tot regeringen. De Nederlandse bijdrage wordt buiten onze grenzen niet als indrukwekkend ervaren; er heerst een beeld van verwarring, van uitstel en van lange discussies. Bovendien is de Nederlandse politiek niet erg handig in het presenteren van zijn beleid buiten de grenzen.

De geringe kennis over de Nederlandse inzet blijkt bij voorbeeld uit een artikel van de bekende Amerikaanse columnist William Pfaff afgelopen donderdag in de International Herard Tribune. Pfaff schrijft: “De meningen in Nederland zijn verdeeld... “ Hij verwondert zich daar ook niet over, gezien zijn toevoeging dat Italie, Denemarken en Nederland in tegenstelling tot Frankrijk en Engeland geen neiging hebben een rol te spelen in grote gebeurtenissen. “Hun historische ervaring leert hen om terzijde te staan.”

De correspondent in Nederland van het Franse dagblad Le Monde, Christian Chartier, heeft sinds oktober grote moeite om de verklarende artikelen over de Nederlandse positie geplaatst te krijgen. De redactie in Parijs vond deze positie te vaag en te veel in overeenstemming met het heersende imago van Nederland. Het feit dat Nederland geen grondtroepen stuurde vond men in Frankrijk bovendien belangrijker dan het besluit de drie marineschepen onder Amerikaans bevel te plaatsen. Wat zijn nu drie schepen op zevenhonderd kilometer afstand van Koeweit; Senegal draagt in Franse ogen al meer bij met vijfhonderd man grondtroepen.

In een door de Amerikaanse ambassade verstrekt overzicht van gebeurtenissen en besluiten tussen 1 en 15 januari dat in Washington is samengesteld, worden wel uitspraken over de naderende oorlog geciteerd van de Portugese, Noorse en Belgische ministers van buitenlandse zaken en wordt ook een besluit van het Deense parlement aangehaald. Nederland komt er niet in voor. Het tv-programma Heute van het Duitse televisienet ZDF besteedde eind vorige week uitvoerig aandacht aan de gespannen toestand in Zuidoost-Turkije, waarbij beelden van de Patriot-stellingen werden getoond zonder dat de correspondent scheen te weten dat het hier om Nederlandse systemen ging.

Buitenlandse diplomaten in Den Haag hebben moeite hun hoofdsteden duidelijk te maken hoe opvallend voor Nederlandse begrippen de besluitvorming eigenlijk is geweest. “Als je hier een paar jaar hebt gezeten en in de subtiele pirouettes van Haagse politici eindelijk het hele ballet begin te zien, krijg je problemen met je ministerie thuis”, zegt een van hen. “Je begrijpt dan het bijzondere in bepaalde beslissingen, maar je kunt dat nauwelijks helder rapporteren. Dat is ook nu weer het geval.”

Het Kamerdebat op 11 januari naar aanleiding van het kabinetsbesluit dat de Nederlandse schepen met de Amerikanen zouden meevechten, vindt deze hoge diplomaat uit een Europees land daarvan een goed voorbeeld. “Daar werd geen besluit voor iets genomen, maar daar werd slechts een motie van Groen Links afgestemd om iets niet te doen. Je kunt dus niet naar huis telegraferen: het parlement heeft dit of dat besloten.”

De twijfel of Nederland inderdaad zou meevechten, bleef ook daarna bestaan, totdat PvdA-fractieleider Woltgens op woensdagavond 16 januari, na afloop van een lang fractieberaad meedeelde dat “er thans ook geschoten mocht worden”. Vanaf 13 augustus, toen het besluit werd genomen om marineschepen naar de Golf te sturen, tot en met 16 januari - vijf maanden lang -, was ongewis gebleven welke opdracht de drie marineschepen zouden krijgen in het geval van een gewapende actie. “En nog weten we niet of deze schepen wel voorbij de 27.5 breedtegraad mogen komen”, zegt een militair attache van een aan de strijd tegen Irak deelnemend land.

Een Nederlands noodhospitaal in de Verenigde Arabische Emiraten en een medisch team voor een Brits veldhospitaal in Saoedi-Arabie worden in buitenlandse diplomatieke kring in Den Haag afgedaan als “humanitaire hulp”, de twee Patriot-eenheden in Turkije zijn 'bijstand' aan een bondgenoot. Munitie-leveranties aan Engeland en Amerika en het ten dele betalen van een blusboot gelden evenmin als voorbeelden van de nek uitsteken.

Het aanbod aan Israel om Patriot-eenheden te sturen is buiten diplomatieke kringen nauwelijks bekend geworden buiten Nederland. Als na afloop van het bezoek van de Duitse minister Genscher aan Israel afgelopen vrijdag op het sturen van Duitse Patriots naar dat land wordt gezinspeeld, wordt dat bericht door media in de hele wereld verspreid. Dat Nederland een week eerder hetzelfde deed, blijft onopgemerkt. Het tv-station CNN had daarover gisteravond pas een bijdrage.

“Kijk, minister Van den Broek heeft zich de afgelopen maanden sterk ingezet voor Nederlandse betrokkenheid bij de strijd tegen Irak, maar hij treedt te veel op als uitstekend vakminister en te weinig als politicus en pr-functionaris voor Nederland”, zegt een hoge buitenlandse diplomaat onder de strikte voorwaarde dat zijn identiteit in het ongewisse blijft. “Dat Douglas Hurd en James Baker weten wat Nederland doet, is mooi, maar het Britse en het Amerikaanse volk weten van niets, evenmin als het Duitse en het Franse. Van den Broek heeft op het internationaal politiek terrein beslist aan gewicht gewonnen, maar aan het imago van Nederland als eeuwig treuzelaar op het gebied van defensie en veiligheidspolitiek is nog niets veranderd.”

De kans dat dit op korte termijn wel gebeurt is ook niet groot. Nederlandse ambassadeurs en hun medewerkers in het buitenland zullen over deze zaken praten met hun tegenhangers binnen de departementen van buitenlandse zaken. Enigszins gestructureerde relaties van Nederlandse ambassades met toonaangevende media zijn echter een uitzondering en berusten meer op toeval dan op beleid. Iedereen die wel eens gebruik maakt van de diensten van Nederlandse ambassades kan dat bevestigen.

Dat Buitenlandse Zaken tot nu toe niet een dergelijk beleid heeft gestimuleerd, blijkt uit het feit dat het ministerie voor het laatst in september 1987 de vaste buitenlandse correspondenten in Nederland voor een informatieve bijeenkomst heeft uitgenodigd. Dat gebeurde pas nadat er in Time en in Die Welt zeer negatieve stukken over Nederland hadden gestaan.

De vele discussies en de moeizame besluiten over vergroting van de Nederlandse inzet in de Golf, nadat in augustus de fregatten waren gestuurd, zijn een binnenlandse aangelegenheid gebleven. Het argument dat Nederland alleen invloed heeft als het ook daadwerkelijk meedoet, zoals dat vanuit Buitenlandse Zaken met enige succes is gebruikt, ontkracht zichzelf daarmee. Buiten onze grenzen wordt de Nederlandse bijdrage voornamelijk statistische geteld ('Achtentwintig landen tegen Irak') en geldt zij bovendien niet als indrukwekkend. In dat licht doen schampere opmerkingen over de Belgen door Nederlandse politici ook wat koddig aan.

    • Rob Meines