Liefdesbetuiging aan de film

ROTTERDAM, 28 jan. - Bovenaan de ranglijst van de publieksenquete bij het Filmfestival Rotterdam prijkt na het eerste weekeinde een film uit 1929, Lucky Star van Frank Borzage.

Uit dit feit zijn verschillende conclusies te trekken, bij voorbeeld dat het Nederlands Filmmuseum, dat de verloren gewaande film restaureerde en presenteerde, een gewaardeerde rol speelt in de programmering.

Dit blijkt ook uit de compilatiefilm die Filmmuseum-medewerker Peter Delpeut samenstelde uit het Desmet-archief, een bijzondere collectie bioscoopfilms uit de periode 1905-1920. Lyrisch nitraat is geen encyclopedische overzichtsfilm, maar een goed op zichzelf staande liefdesverklaring aan de beginjaren van de cinema.

Delpeut bestrijdt de mythe dat film (en kunst in het algemeen) onsterfelijk is. Je ziet in Lyrisch nitraat een film over de zondeval letterlijk sterven. Maar niet alleen het materiaal vergaat, ook de waardering voor films is aan bederf onderhevig. Daarom is Delpeuts onbekommerde plundering van het archief, waaruit hij naar believen zijn eigen poezie haalt, gerechtvaardigd en noodzakelijk. Hij geeft die verre mensen en plaatsen op het doek een nieuw leven, dat puristische historici een gruwel moet zijn, maar tot een van de mooiste films van dit festival leidde.

Ondanks praktische problemen zijn festivals in principe zeer geschikt voor filmervaringen van marathonlengte, vooral wanneer die een epische dimensie hebben. Berlin Alexanderplatz, Heimat en Fanny en Alexander waren televisieseries die, tijdens een festival integraal achter elkaar vertoond, optimaal tot hun recht kwamen.

Ook An Angel at My Table van de Nieuwzeelandse Jane Campion is eigenlijk een televisieserie van drie maal vijftig minuten. Zonder pauze aan een stuk gedraaid wint het levensverhaal van de schrijfster Janet Frame nog aan kwaliteit. Het is vooralsnog de door het Rotterdamse publiek op een na hoogst gewaardeerde film en we komen er over enkele weken bij de bioscooppremiere uitgebreid op terug.

Uniek was de kans om zaterdag vrijwel achter elkaar te kijken naar Peter Bogdanovich' klassieke zwart-wit-film The Last Picture Show (1970) over een klein stadje in Texas anno 1953 en naar het recente vervolg, Texasville, gesitueerd in 1983. Vrijwel alle acteurs uit het origineel spelen hetzelfde personage opnieuw, dertig jaar later, terwijl ze zelf slechts twintig jaar ouder zijn.

Wie The Last Picture Show niet recent heeft herzien, moeten allerlei kleine verwijzingen en referenties wel ontgaan. Maar Texasville kan ook heel goed op zichzelf staan, als een soms uitzinnig-satirische, dan weer levenswijze en afstandelijke reflectie op ouder worden, op de teloorgang van idealen, succes en mislukking, blijven en weggaan.

Het stadje tussen de olievelden van Texas bevindt zich overdrachtelijk ongeveer halverwege Dallas en Twin Peaks, maar krijgt vooral door het voortreffelijke ensemble acteurs (met name Jeff Bridges, Cybill Shepherd en nieuweling Annie Potts) meer diepgang dan een tweedimensionale tv-serie of de oppervlakkige glans van Dennis Hoppers, in een vergelijkbaar oord gesitueerde, film The Hot Spot.

Het Nederlandse aandeel in het Filmfestival Rotterdam is traditioneel bescheiden. Naast de hier al eerder gesignaleerde korte film Viaduc van Danniel Danniel en Delpeuts Lyrisch nitraat zijn de twee door Frans van de Staak geproduceerde lange films in het programma nogal teleurstellend. Passagiers van Ben van Lieshout, een zwart-wit-verkenning van zowel de lange, rechte wegen in Flevoland als de treurnis van een nieuwbouwwijk in Almere, blijft ver achter bij de kwaliteiten van Van Lieshouts eerdere, experimentele films Het licht van Cadiz en De wal.

Het verhaal laat parallel de belevenissen zien van een buschauffeur en zijn in een rijtjeshuis wegkwijnende echtgenote, en twee van zijn passagiers, het dolende paar Olga Zuiderhoek en Titus Muizelaar, dat maar niet uit wil stappen en ten slotte in de busremise overnacht. De moraal is waarschijnlijk dat het nog maar de vraag is welk van beide koppels het meest is ontheemd. De stijl van de film is stroef, kunstmatig en langdradig, een beetje als een film van Van de Staak, zonder diens droge ironie.

Over de redenen om Rein Bloems De zee in een fles op een festival te vertonen, tast men in het duister. De introductie op het werk van de 16de eeuwse Venetiaanse schilder Vittore Carpaccio lijkt voor een deel op een Teleac-cursus, waarin de stem van schoolmeester Bloem op de populistisch-ironische toon van Pierre Janssen de kijker uitlegt waar hij op moet letten.

Later vraagt ook Bloem zich af of het wel zin heeft steeds te willen weten waar een schilderij precies over gaat, maar dan kan de didactische benadering al moeilijk meer ongedaan worden gemaakt. De hermetische, hoogdravende bespiegelingen van drie literatoren over Carpaccio komen ook enigszins uit de lucht vallen. Het meest bevredigen nog de intrigerende beelden die cameraman Bernd Wouthuysen van het Venetiaanse water maakte.