Lappendeken

DE NEDERLANDSE gemeenten werken sinds 1985 op basis van een vernieuwde Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) samen in 59 regio's.

Dat wil zeggen: voor het intergemeentelijke milieubeleid is de indeling vrijwel analoog aan Wgr, maar gaat het om 63 regio's. Los daarvan zijn er tien ROM-gebieden (geintegreerd, gebiedsgericht ruimtelijk en milieubeleid) aangewezen. Voor het ambulancevervoer is het streven naar een gebiedsindeling die niet alleen past binnen de Wgr-regio's maar ook aansluit op de indeling in gezondheidsregio's in het kader van de Wet ziekenhuisvoorzieningen. Dat zijn er zo'n 26 terwijl het ambulancevervoer naar schatting 45 centrale posten kent (hoeveel precies is onduidelijk: de provincies zijn aangeschreven voor een inventarisatie) waarvan de helft op zijn beurt nog weer samenwerkt met de brandweer.

Het is gegaan zoals staatsraad A. Struycken reeds in 1912 voorspelde: ons land is overdekt “met een net van associaties, tusschenvormen tusschen gemeente en provincie, die een gewichtig deel der moderne overheidsbemoeiingen tot zich trekken”. Ondanks de Wgr-nieuwe-stijl is dit netwerk echter uitgepakt als een slordige lappendeken, zo blijkt uit de evaluatie die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dezer dagen presenteerde. Een deken met gaten, bovendien, want de samenwerking rondom de stedelijke knooppunten schiet schromelijk te kort.

IN EEN RECENTE studie zoekt de Amsterdamse sociaalgeograaf Dijkink de verklaring in “een slepende politieke discussie waarvan het eind nog steeds niet in zicht is “: een ideologische strijd tussen min of meer vrijwillige samenwerking van onderop (het zogeheten “verlengd bestuur” ) en gewestvorming die van bovenaf wordt opgelegd. Minstens zo belangrijk lijkt de waarneming van de Amsterdamse burgemeester Van Thijn op een symposium vorig jaar dat bestuurders naar zijn ervaring “alleen maar geinteresseerd zijn in dit onderwerp voorzover een verandering kan worden tegengehouden”. De burger interesseert het volgens hem trouwens helemaal niet. Bestuurlijke hervorming is kortom “een bijzonder eenzaammakend onderwerp”.

Dat geldt echter niet voor de aanleiding voor al dat gerommel onder de lappendeken. Steeds meer mensen hebben last van de (gevolgen van) gebrekkige aansluiting tussen ambulance en ziekenhuis, tussen centrale stad en randgemeente, tussen parkeer- en vervoersbeleid, en ga zo maar voort. Er valt steeds minder aan voorbij te gaan dat sommige problemen - met name die van de verstedelijking - tussen wal en schip raken, tussen de bestuurslagen in dit land dreigen te vallen. De bewindslieden van Binnenlandse Zaken overwegen dan ook een wat minder onverplichtende vorm van samenwerking dan de Wgr biedt, in te voeren voor de stedelijke gebieden. Geen blauwdruk voor het hele land, maar een knelpuntenbenadering: een duidelijke poging tussen de ideologische klippen door te varen.

OOK DE beperkte formule van een knelpuntenaanpak blijft overigens goed voor allerlei spanningen. Denk aan de Rijnmond waar grote stad en agglomeratiebestuur elkaar naar het leven stonden. Verder heeft onderzoek in de Midden-Betuwe volgens Dijkink het “magische” argument van de bestuurskracht van de grote gemeente onderuit gehaald: de kleinere deden het eigenlijk veel beter. Toch is het van belang dat nieuwe bestuursvormen een integraal karakter hebben. Al die losse functionele regio's bergen niet alleen het gevaar in zich van bureaucratische wrijvingsverliezen, ze bevorderen ook niet de democratische controle. Moeizame vertegenwoordigingsconstructies blijken in het Wgr-rapport hand in hand te gaan met gebrekkige bundeling van taken.

De aanwijzingsbevoegdheid van Binnenlandse Zaken staat niet in de laatste plaats onder het voorbehoud dat het de medewerking van de vakdepartementen krijgt om een serieuze “devolutie” van taken mogelijk te maken. De collegiale verhoudingen op rijksniveau werden vlak voor Kerst in een Kamerdebat over bestuurlijke deregulering en decentralisatie openlijk gekarakteriseerd als “subtiele sabotage”. Een aardig thema voor een volgende aflevering van premier Lubbers' voordrachten over het zieke Nederland. En ook nog een waaraan hij zelf heel direct iets kan doen.