Johnie van Doorn 1944 - 1991; Het virus van de jaren 60

In zijn boek Mijn kleine hersentjes uit 1972 beschrijft de afgelopen zaterdag overleden Johnny van Doorn zijn allereerste optreden voor een publiek.

Het is een optreden, letterlijk, tussen de schuifdeuren. Zijn oom en tante in Arnhem zijn vijfendertig jaar getrouwd en zijn moeder heeft voor hem een gedicht gekocht in de feestwinkel. De voordracht heeft veel succes. De kleine Johnny moet het gedicht in de loop van de dag nog vijf keer herhalen.

De zinnen die Van Doorn in zijn boekje aan het verloop van het feest wijdt, kunnen achteraf worden beschouwd als de sleutel voor zijn kunstenaarschap. Aanvankelijk heeft hij weinig zin om zijn kunstje nog een keer op te voeren. Maar na de derde of de vierde keer, schrijft hij, begint hij er 'een kick' van te krijgen: “Voor het eerst van mijn leven zag ik dat ik indruk maakte op mensen, dat ik een bepaalde macht over hen had. (... ) Ik had nog geen idee dat het kunst was. Ik voelde het, ik voelde het aan de mensen.”

Het optreden in de huiselijke kring, dat Van Doorn bestempelt als de 'oerherinnering' van zijn entertainment, is tekenend voor wat hem later zou overkomen. Nadat Johnny van Doorn halverwege de jaren zestig op zeer jeugdige leeftijd op het literaire toneel verscheen - hij was toen amper twintig - had hij met zijn eerste acts onmiddellijk zoveel succes dat het hem grote moeite moet hebben gekost om ooit nog een geheel nieuwe rol te vervullen. Het publiek wilde steeds dezelfde nummers van hem horen en omdat hij er zelf een kick van kreeg gaf hij maar al te graag aan hun verlangens toe. Het gevolg was dat hij nog aan het eind van de jaren tachtig in kleine zaaltjes zijn inmiddels klassiek geworden gedichten uit de jaren zestig zoals 'Een magistrale stralende zon' en 'Komtocheensklaarklootzak' voorlas.

In de 25 jaar dat hij in de literatuur actief was schreef Johnny van Doorn in totaal acht bundels met proza en poezie, maar zijn thema lag na de eerste drie boeken vast. Het verhaal dat hij in vele, vaak zeer ontroerende varianten herhaalde, was dat van een oppassend jongetje uit een verstikkende provinciestad, die wordt aangestoken door het virus van de jaren zestig. Hij besluit zijn school niet af te maken en de kunst in te gaan, het geeft niet waar en wat.

Johnny van Doorn debuteerde in 1966, de tijd van Poezie in Carre, met Een nieuwe mongool. Een stoere bundel met haastig geschreven prozagedichten, onder het pseudoniem Johnny the Selfkicker, die hem hier en daar de reputatie bezorgden van, zeg maar, een gevaarlijk gek. In Een nieuwe mongool treedt Van Doorn op als serieverkrachter, drugsgebruiker, 'menselijke vuilnisbak', 'elektrische Goebbels', 'depressieve minor-pot player', 'postseksueel', exhibitionist en als uitvinder van de Blue Paranoia Acts.

Van Doorn was zelf de eerste om het loze van deze reputatie te erkennen. Bijna al zijn latere werk bestaat in wezen uit commentaar op zijn dubieuze succes als Selfkicker. In zijn tweede dichtbundel De heilige huichelaar uit 1968 haalt hij met enige genoegen de onzin aan aan die de kranten over hem schrijven: hij zou een onsmakelijk individu met vettig kroeshaar zijn, een op een pruilende baby lijkende gangsterkoning, een viespeuk die in een inrichting thuis hoort - “Leve de impopulariteit” '.

In latere boeken onderneemt hij serieuzere pogingen om een ander beeld van zichzelf te geven. Zijn verhalen en gedichten over de Amsterdamse boheme worden steeds vaker afgewisseld met herinneringen aan zijn jeugdjaren en met verslagen uit zijn leven als oppassende echtgenoot. Al snel laat hij zijn pseudoniem vallen. Het eerder genoemde Mijn kleine hersentjes, dat achteraf het hoogtepunt uit zijn werk zal blijken, verschijnt onder de buitengewoon nietszeggende naam J. van Doorn.

In 1975 wordt Johnny van Doorn pas echt een oppassende burger, wanneer hij toetreedt tot het team van Herenleed. Als derde man vervult hij hier een groot aantal rollen naast Cherry Duyns en Armando. Met Johnny van Doorn zelf, zoals hij in zijn bundels is, hebben deze rollen niet veel te maken, behalve dat hij ook in het theater voor maximaal entertainment zorgt.

Hij moet het ook hier gevoeld hebben, aan de mensen.