'Geen paniek over vervuiling van Golf'

ROTTERDAM, 28 jan. - In tegenstelling tot milieudeskundigen maken vervuilingsexperts zich niet druk over de olievervuiling van de Golf.

“Paniek is standaard in dit soort gevallen, maar technisch gezien is de bestrijding van de olie nauwelijks een probleem.” Ing. W. Koops, tot voor kort werkzaam bij de Directie Noordzee van Rijkswaterstaat, nu leraar milieutechnologie aan de Hoge School voor Petroleum- en Gastechnologie 'Noorder Haaks' in Den Helder, is in het verleden nauw betrokken geweest bij 'rampen' van vergelijkbare grootte als die welke zich nu in de Golf zou voordoen.

“Elke nieuwe ramp is altijd de grootste ramp, vandaar dat ik nu bezig ben een soort schaal van Richter te ontwerpen voor de indeling van olierampen.” Koops, auteur van het 'Handboek Oliebestrijding' (SDU, 1985), ziet de recente vervuiling niet somber in. “Het grote voordeel is dat van de Koeweitse ruwe olie erg veel bekend is, op de Noordzee zitten we vaak met vervuiling van onbekende herkomst en samenstelling.”

“Prioriteit nummer een heeft natuurlijk het stoppen van de olie-aanvoer. Is het lek gedicht of de aanvoer beeindigd, dan zou je misschien het beste kunnen wachten tot de olie gewoon op het strand spoelt: daar kan ze het minste kwaad en is ze het beste te bestrijden. Het maakt voor vogels weinig uit of een laag 1 millimeter of 10 centimeter dik is. Laat je de olie onbehandeld op het strand liggen dan gaat ze geleidelijk over in teer en ongevaarlijk asfalt. De Nederlandse basaltdijken zitten ook allemaal onder het asfalt.”

De olie van de offshore-installaties van het Nowruz-veld die in 1983 door de Irakezen in brand werden geschoten, is uiteindelijk grotendeels op het Iraanse strand terechtgekomen. Daar bevindt ze zich nu nog. Het strand van Bahrein bevat teer en asfalt van een ander ongeluk met een offshore-installatie.

Wil men de olie per se op het strand bestrijden, dan zou men die het eenvoudigst met zand en al kunnen wegscheppen ( “zand genoeg daar” ) of biologisch kunnen bestrijden door er wat extra voedingsstoffen en geschikte bacterien op te brengen. Dat laatste gaat erg langzaam en wordt nog weinig in praktijk gebracht.

Pag. 4: .

'Geen paniek over olievervuiling in de Golf'

Vindt men dat haast geboden is dan is de de olievlek ook langs mechanische weg van het water te halen. Dat gaat in de Golf tamelijk eenvoudig omdat de zee er meestal erg kalm is. Nederland zou de 'veegarm' van het oliebestrijdingsvaartuig Smal Agt (van Rijkswaterstaat) per vliegtuig binnen 24 uur ter plekke kunnen hebben. Met de veegarm, die aan kabels buiten elk willekeurig schip is te hangen, wordt de olie bijeengeveegd en opgezogen. Overigens is er aan bedrijven met expertise op dat gebied geen gebrek. Tanker Cleaning Amsterdan en Roterdam, Smit Internationale, de baggeraars Boskalis en Volker Stevin, wegenbouwers (zoals NBM) en tal van ingenieursbureaus worden regelmatig bij de bestrijding van olie op zee of strand betrokken. Ook in Canada, Noorwegen, Duitsland en Frankrijk bezit men veel kennis op dit terrein.

Soms is het een goede tactiek de olie met speciale granaten in brand te schieten, dan kan wel 60 tot 80 procent van de olie verbranden. “Maar dat lukt alleen met verse olie die nog in een voldoende dikke laag op het water ligt. Lagen dunner dan 3 millimeter branden niet.” Olielagen zijn gewoonlijk het dikst aan de lijzijde van de olievlek. De huidige olievlek heeft al gebrand en zal daarom waarschijnlijk niet opnieuw willen ontbranden. Dat betekent trouwens dat er ook geen explosiegevaar meer is. Anderzijds is chemische bestrijding van de olie (met dispersiemiddelen) niet meer mogelijk, heeft de ervaring geleerd.

Overigens is ruwe olie, als het in kleine druppeltjes in water verdeeld is (een 'emulsie' is geworden), redelijk biologisch afbreekbaar, zeker als dat water zo warm is als het water van de Golf.

De waterinlaten van de ontziltingsinstallaties voor de bereiding van drinkwater en landbouw-irigatiewater zijn in principe alle tegen olievervuiling beschermd. “Het hele gebied is goedbeschouwd volkomen ingesteld op frequente olielozingen, want die zijn daar aan de orde van de dag”, zegt Koops. Het Delftse Waterloopkundig laboratorium heeft de Golfstaten destijds terzijde gestaan bij het ontwerp van de olieschermen voor de waterinlaten (ook die voor de koeling van elektriciteitscentrales en raffinaderijen). “Maar”, zegt Koops, “zo'n muur dikke olie zullen ze waarschijnlijk niet kunnen tegenhouden, daardoor kan toch een groot probleem ontstaan. Als er sporen olie in het drinkwater terechtkomen zal vooral de chlorering van dat water toxische verbindingen doen ontstaan.”

Zeekoe

Milieudeskundigen hebben andere zorgen. De jongste milieuramp in de Perzische Golf als gevolg van massale olielozingen zou wel eens de genadeklap kunnen betekenen voor de zeekoe, waarvan er naar schatting nog maar enkele tientallen in de Golf rondzwemmen, aldus de ecologische expert prof. dr. L. Reijnders. “Het zijn nogal logge, sullige beesten die niet zo snel wegvluchten voor milieuvijandige stoffen. Bovendien grazen deze plantenetende zeezoogdieren aan de oppervlakte, wat hen extra kwetsbaar maakt.”

De zeekoeienstand in de Golf was eerder al gedecimeerd in de jaren tachtig, nadat Irak in de oorlog met Iran het olieplatform Nowruz had gebombardeerd. Hierdoor stroomde destijds circa 300 miljoen liter olie de zee in.

Reijnders, hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam en medewerker van de stichting Natuur en Milieu, vreest ook voor de dolfijnen in de Golf. Ook zij behoren tot de ernstige bedreigde soorten in het water tussen Iran en Saoedi-Arabie, maar hebben als de voordeel dat de populatie sneller uit de Arabische Zee - en nog ruimer de Indische Oceaan - kan worden ververst. Andere dieren die volgens Reijnders ongetwijfeld schade zullen lijden, zijn diverse soorten watervogels (de Golf is een belangrijk doortrekgebied), zeeschildpadden en vissen. Ook koraalriffen ter plaatse zouden ernstig gevaar lopen vernield te worden doordat ze met ruwe olie bedekt raken.

De olie uit Koeweit is betrekkelijk licht, zodat ze vrij snel verdampt, maar dat kan volgens Reijnders juist voor vissen en zeezoogdieren fatale gevolgen hebben: “Het spul, dat dicht bij het lozingspunt zeer giftig is, dringt gemakkelijk door de huid naar binnen en kan de dieren ook via de luchtwegen aantasten. Dat laatste is weer vooral een bedreiging voor de zeekoe, die in de Golf toch al op de rand van uitsterven balanceert. Hij snuift de toxische dampen net boven het wateroppervlak met zijn slurf naar binnen.”

Gevaren voor de drinkwatervoorziening in Saoedi-Arabie ziet hij nog niet opdoemen. Als de olievlek zich inderdaad zo langzaam verplaatst als deskundige van Rijkswaterstaat beweren, kan het dagen duren voor ze inlaat van de ontziltingsinstallaties heeft bereikt. Reijnders: “Tegen die tijd is de olie samengeklonterd tot teerbollen- of plakken, die met de bestaande netten voor de installaties gemakkelijk tegen te houden zijn. Bovendien zijn de schadelijke aromaten uit de olie, waaronder benzeen en tolueen, tegen die tijd hoogstwaarschijnlijk verdampt, zodat hun invloed te verwaarlozen is.”

Onheil

Grootscheepse vervuiling van zeeen en kusten door al dan niet opzettelijke olielozingen heeft de afgelopen decennia regelmatig onheil gezaaid. De zwaarste rampen op dit gebied waren onder andere de stranding van de Torrey Canyon in 1967 in Zuidwest-Engeland en die van de Amoco Cadiz begin 1978. Deze laatste olietanker brak in tweeen voor de kust van Bretagne, waarbij ongeveer 230.000 ton olie in zee spoelde.

Tot de vele Westeuropese vaartuigen schepen die destijds koers zetten naar Bretagne om de olievlek te bestrijden, behoorde de Smal Agt van Rijkswaterstaat, die toen nog maar net operationeel was. De Smal Agt, uitgerust met veegarmen om de olie van het water te schrapen en vervolgens op te zuigen, was het enige schip dat ook werkelijk iets heeft kunnen uitrichten, al was het nuttig effect praktisch te verwaarlozen. Van de 230.000 ton olie wist de Smal Agt er slechts achttien te bergen. Men moest het werk staken, omdat bijna alle olie op de kust lag of intussen was verdampt.

De meest recente olieramp als gevolg van schipbreuk speelde zich of in 1989, toen de tanker Exxon Valdez in de Prince William Baai (Alaska) 42 miljoen liter ruwe olie verloor. Juist hier waren de gevolgen bijzonder ernstig, omdat de olie in het ijskoude water nauwelijks werd afgebroken.

Andere ongelukken met deze brandstof zijn zogenoemde blow-outs, waarbij aangeboorde olie met grote kracht omhoog spuit. Berucht was vooral de Ixtoc-spuiter in de Golf van Mexico (1979), waarbij per dag 4.000 ton olie vrijkwam en dat gedurende ruim vier maanden.

tek: Olievlekken verplaatsen zich onder invloed van wind en stroming. De olie zal zich vooral aan lijzijde van de vlek ophopen, aan loefzijde splitst de laag zich op in afzonderlijke vlekken.

De door Rijkswaterstaat ontwikkelde 'veegarm' bestaat uit een houten scherm (13, 5 meter lang) tussen twee pontons die volgeschuimd zijn met polyurethaan. Het scherm maakt, in bedrijf, een hoek van ongeveer zestig graden met de vaarrichting: dan treedt een optimale geleiding van de olie naar de 'verzameltrog' en de afzuiginrichting op. De verzameltrog bezit twee roosters en twee 'overstortranden'. Olie die de laatste rand passeert wordt met een dompelpomp weggezogen. De veegsnelheid is gewoonlijk 2 knopen (3, 7 kilometer per uur). Bron: Handboek Oliebestrijding.

    • Karel Knip
    • F. G. de Ruiter