'Deze stap is verrassend voor bijna iedereen in Den Haag'; Topambtenaar VROM stapt over naar burgemeesterspost

DEN HAAG, 28 jan. - De bakkerszoon wordt burgemeester en Wolter Lemstra zelf vindt dat de vervulling van “een oude jongensdroom”.

Dat klinkt logisch, ware het niet dat de nieuwe burgemeester van Hengelo een ambtelijke carriere achter de rug heeft die hem de laatste tien jaar bij drie ministeries aan de top bracht, als secretaris-generaal. Op 55-jarige leeftijd kiest de hoogste ambtenaar van het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) ervoor het bestuurlijke centrum van Nederland te verruilen voor een stad van 80.000 inwoners in het oosten des lands. Heeft hij soms ruzie met de minister?

Lemstra: “Ik heb al een tijd geleden besloten dat ik in 1991 iets anders zou gaan doen. Bij het aantreden van Hans Alders heb ik tegen hem gezegd: hou er rekening mee dat je halverwege de rit een nieuwe secretaris-generaal nodig hebt. Dan kon hij daar vast over nadenken.”

Lemstra behoort tot een uitstervende soort: ambtenaren die erin slagen 40 dienstjaren bij de overheid vol te maken en dan nog niet aan de VUT of pensioen toe zijn. Na de MULO begon de zestienjarige Wolter als volontair op de gemeente-secretarie van zijn geboortedorp Bierum in Groningen. Zes gemeenten en drie ministeries ( “en een stuk of tien bewindslieden” ) later, zou drs. W. Lemstra nu kunnen profiteren van de regel dat wie 40 jaar in overheidsdienst is met behoud van een flink deel van het salaris op zijn lauweren mag gaan rusten.

Hij overwoog zijn functie van buitengewoon hoogleraar bedrijfskunde (overheidsmanagement) in Groningen te intensiveren; het werd het burgemeesterschap van Hengelo. Dank zij de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, een ambitieus werkstuk van Lemstra's departement. Van het een, een gesprek over de nota en de status van 'stedelijk knooppunt' die in die nota aan de combinatie Enschede-Hengelo is toegekend, kwam het ander: overpeinzingen over de binnenkort vacante burgemeesterspost.

“Voor bijna iedereen in Den Haag is deze stap verrassend. Het is 'not done' om op je 55ste zo'n andere koers te varen, naar een minder hectische baan te zoeken. In de Verenigde Staten is het heel gebruikelijk dat je je carriere bijbuigt, maar hier word je geacht crescendo omhoog te gaan.” Hij zegt het onaangedaan, terwijl een reusachtige namaak-pandabeer die permanent op zijn werkkamer huist - geschenk van het Wereldnatuurfonds - hem bedenkelijk aankijkt. “Ik wil niet zeggen dat dit, burgemeester, lager is. In ieder geval ga ik minder verdienen, dus als je het zo bekijkt is het wel een stap terug.”

Gerijpt door dertig jaar ervaring in het lokale bestuur, waarvan zeven jaar als gemeente-secretaris in Amsterdam, heeft de 'jongensdroom' hem nooit losgelaten - in de jaren zestig waagde hij al eens een sollicatie. Persoonlijke omstandigheden spelen een rol bij zijn overstap: de kinderen zijn het huis uit en als burgemeester kun je veel meer samen met je vrouw doen dan als secretaris-generaal. “Het aantal burgemeestersposten voor het CDA in grotere gemeenten is beperkt, dus daarom was dit ook een kans.”

Voor het CDA, leverancier van zoveel secretarissen-generaal, waren Lemstra's partijpolitieke activiteiten tot nu toe beperkt. Hij liet zich bij gemeenteraadsverkiezingen op een onverkiesbare plaats van de Amsterdamse kandidatenlijst parkeren. Daar bleef het bij. De per 1 mei vertrekkende 'SG' neemt aan dat bij zijn opvolging op VROM, een departement met een hoog PvdA-gehalte, opnieuw zal worden bekeken of de grote politieke stromingen voldoende zijn vertegenwoordigd onder de hoogste ambtenaren.

In dat opzicht spreekt Lemstra geen voorkeur uit, maar hij zegt wel: “Ik heb tegen de minister gezegd dat het het beste zou zijn als op VROM iemand uit eigen stal mijn opvolger zou worden. We hebben een goeie stal. VROM werkt als een soort holding, onze vijf werkmaatschappijen zijn op verschillende plekken te vinden en als bestuursfilosofie gaan we ervan uit dat ze aan zelfbeheer doen. Dat betekent dat de secretaris-generaal niet a priori een vakman op een bepaald terrein moet zijn, maar veel meer een generalist die coordineert en de integratie van het beleid in de gaten houdt. Als het iemand wordt die alleen zeer geinteresseerd is in ruimtelijke ordening of milieu, zou dat een handicap zijn.”

De reorganisatie en de afslanking bij de rijksoverheid hebben Lemstra de laatste maanden meer dan ooit bezig gehouden. De activiteiten van de gezamenlijke secretarissen-generaal, van wie daarover een voorstel aan de ministerraad wordt verwacht, omschrijft hij als “schaatsen op dun ijs”. Het vergde van de topambtenaren de bereidheid afstand te nemen van hun eigen ministerie en meer als college te opereren. “Het klinkt wat overdreven”, zegt Lemstra, “maar dit is eigenlijk ook de laatste kans om iets van gecoordineerd beleid tot stand te brengen. Zonder Berenschot of McKinsey in huis te halen.” Het te hanteren operatie-instrument mocht ditmaal bovendien niet de kaasschaaf zijn, onderstreept hij.

Van 'verkokering' of, zoals hij het ook noemt, 'schuttersputjes-gedoe' weet Lemstra na tien jaar in Den Haag alles. Hij constateert dat daarvan bij gemeenten en provincies veel minder sprake is. Al kan hij van een ideaal georganiseerde rijksoverheid ook geen blauwdruk leveren. Zo werd in 1982 het ministerie van WVC gevormd en bij die gelegenheid volksgezondheid losgekoppeld van milieubeheer. “Dat ervaren we nu als een gemis”, stelt Lemstra vast. Tijdens de kabinetsformatie in 1989 legden hij en zijn collega Smits van Verkeer en Waterstaat de laatste hand aan een samenwerkingsovereenkomst voor beide ministeries. Dat dit convenant geen overbodige luxe is, zegt op zichzelf genoeg. “Ondanks die liefdesverklaring moeten we nog regelmatig brandjes blussen”, constateert de SG van VROM.

De schermutselingen tussen de departementen - bepaald niet alleen VROM en Verkeer en Waterstaat - zijn volgens Lemstra steeds terug te voeren op de individuele ministeriele verantwoordelijkheid. De minister wordt zo grondig mogelijk door zijn eigen ambtenaren geinformeerd om in de ministerraad de optimale belangenbehartiger van zijn departement te kunnen zijn. “Het komt voor dat departementen extra mensen aantrekken om een ander ministerie in de gaten te houden. Zoals Economische Zaken, dat voor het milieubeleid mensen nodig had om het vanuit de optiek van het bedrijfsleven te kunnen bekijken. Zo krijg je een situatie van contra-expertise op een ander departement.”

Samensmelting van een aantal ministeries acht Lemstra “in de tweede helft van de jaren negentig wel een mogelijkheid, als maar duidelijk is dat de politiek dat wil”. Hij waarschuwt tegelijkertijd voor een al te drastische scheiding tussen beleid en uitvoering. “Denk aan de studiefinanciering of aan de individuele huursubsidie. De consequentie is dat je je daar niet meer mee bemoeit. Het gevaar bestaat dat je gaat droogzwemmen. Je kunt in Den Haag wel allerlei milieumaatregelen nemen, maar je hebt er niets aan als je niet weet wat er in de praktijk van terecht komt.”

Het is sinds de Tweede Wereldoorlog enigszins een taboe, maar Lemstra zou, zonder op de ministeriele verantwoordelijkheid af te dingen, de status van het college van secretarissen-generaal willen opwaarderen. Dat college zou in het 'voorcircuit' als een zeef moeten dienen opdat ambtelijke conflicten niet pas in de ministerraad worden beslecht. Behalve afstandelijkheid ten opzichte van hun eigen departement vergt dat van SG's “dat ze buitengewoon veel verstand hebben van politiek. Ze moeten weten hoe de hazen lopen, maar geen echte partijpolitici zijn. Het moet weer niet zover komen dat bij wisseling van een kabinet ook de SG's verdwijnen. Dat gaat ten koste van de continuiteit van het beleid en de rechtszekerheid voor de burger, al klinkt dat wat deftig.”

    • John Kroon