Architecten contra voetbalvandalisme

Architecten in de strijd tegen het voetbal vandalisme. In Italie bestaat er een jaarlijkse prijs van het Olympisch Comite op het gebied van de sportarchitectuur.

De Raad van Europa heeft daarbij dit jaar aangehaakt met een prijsvraag voor het beste ontwerp van een modelstadion dat vriendelijk en veilig tegelijk is. Een fraai stadion zal de gewelddadigheden niet uitbannen, het kan volgens sommigen wel degelijk zorgen voor een minder agressieve sfeer.

Drs. Ronald Kramer, hoofd van de taakgroep organisaties van de directie sportzaken van WVC en voorzitter van de permanente commissie voetbalvandalisme van de Raad van Europa, is daarvan overtuigd. Vorig jaar bezocht hij het wereldkampioenschap voetbal in Italie. “Ik was nogal geporteerd van het stadion in Rome. In plaats van hekken hebben ze daar dik glas als vakafscheiding. Dat kwam zo rustig over. Nu hebben Italianen toch al iets met vormgeving dat wij missen. Dat stadion ademt vriendelijkheid. Hekwerken roepen het tralie-effect op dat glas niet heeft. Het zijn details, maar stadions zijn vaak van die afschrikwekkende kolossen. In Rome stonden langs het pad naar de bovenste ringen planten en bloeiende bloemen. Hier staat er een roestige trein voor het stadion. Je hoeft ze niet op pluche stoelen te zetten, maar je gaat toch ook geen tweeeneenhalf uur op een houten krukje naar een film zitten kijken. Ik pleit er niet voor iedereen zijn persoonlijke steward te geven die 'm in het stadion naar zijn plaats begeleidt, maar het idee dat je als klant behandeld wordt is voor verbetering vatbaar in Europa.”

De permanente commissie voetbalvandalisme werd geregeld in een verdrag waarvoor het initiatief, daags na het zogenoemde Heizeldrama op 25 mei 1985, werd genomen door de toenmalige staatssecretaris Van der Reijden. Binnen enkele maanden lag de tekst voor het verdrag klaar voor ondertekening.

Vorig jaar werd Kramer gekozen tot voorzitter van de commissie en hij noemt dat een erkenning voor de meervoudige aanpak van Nederland (niet slechts repressief, maar vooral ook preventief) van het verschijnsel. “Nederland is ver met oplossingen die niet voor de hand liggen en die ervaring kun je maar beter in de voorzittersstoel hebben.” Een twijfelachtige eer, want als er voor het voetbalvandalisme een lijstje van 'risicolanden' gemaakt zou worden zou Nederland na Engeland, dat de eerste voorzitter van de commissie mocht leveren, op de tweede plaats komen.

Het Europese verdrag tegen voetbalvandalisme bevat een aantal aanbevelingen aan de landen van de Raad van Europa en andere belangstellenden (zoals Hongarije, Polen, Joegoslavie) wat er gedaan kan worden om de veiligheid rondom met name internationale voetbalwedstrijden te waarborgen. De commissie ziet er op toe dat het verdrag wordt nageleefd en scherpt zonodig de richtlijnen aan.

Wat dat laatste betreft zal Kramer donderdag in zijn openingstoespraak van de vergadering in Straatsburg racisme en discriminatie aan de orde stellen in de hoop het op de agenda geplaatst te krijgen. “Ik wil eerst kijken of anderen de ernst van het probleem delen. De vraag is hoe het valt in een samenleving waarin het plaatsvindt. Wij zijn heel scherp op die zaak, in andere landen praat men er heel anders over.”

Verschil van mening is er niet over de vraag of voetbalvandalisme bestreden moet worden. De manier waarop verschilt van land tot land. “Versnipperd zal het altijd wel blijven”, zegt Kramer. “Want openbare orde en veiligheid zijn nationale soevereine zaken. In het Europa van vandaag, en het is de vraag of het ooit anders zal worden, is het niet zo dat het politie-apparaat centraal bestuurd wordt.”

Elk land heeft een eigen manier van optreden. “In Engeland nemen ze opzichtiger maatregelen. Af en toe. Er zijn landen waar men het probleem niet of nauwelijks kent, zoals in Scandinavie. Ik heb de indruk dat wij in Nederland de zaken heel structureel aanpakken.”

“Of ik me wel eens afvraag voor welk type mens ik aan het werk ben in die commissie? Voor twee types: de goedwillenden en de minder goeden of slechten. Er gebeurt in de samenleving buitengewoon veel waarvan ik me afvraag hoe mensen het kunnen bedenken. De vergelijking met Irak dringt zich bijna op. Hoe bedenk je het allemaal. En dat gebeurt op kleine schaal kennelijk ook.”