Alleen redding met een mooier soort egoisme

Begin dit jaar heeft Alexander King het voorzitterschap neergelegd van de in 1968 door hem opgerichte Club van Rome. Die Club die in 1972 zoveel economische onrust veroorzaakte met haar rapport The limits to growth over de toekomst van de mensheid, bestaat nog steeds, maar lijdt aan de vermoeidheid van een lange-afstandsloper. Om die reden werd de leiding van de Club aan een jongere overgedragen. Oud-voorzitter dr. King komt echter met nog een laatste rapport dat dit keer door hemzelf en zijn secretaris Bertrand Schneider is geschreven en niet door ingehuurde wetenschappers. Hun studie, Global revolution, zou deze maand verschijnen. De publikatie is echter enkele maanden uitgesteld in verband met de Golfoorlog. Morgen komt King naar Rotterdam om op het symposium Het einde op te treden in de gedaante van een moderne Cassandra, de Trojaanse onheilsprofetes die destijds door niemand werd geloofd.

Na meer dan twintig jaar voor de onder meer door hem opgerichte Club van Rome in de weer te zijn geweest heeft dr. Alexander King het voorzitterschap daarvan neergelegd. Niet omdat de gevaren die de mensheid bedreigen minder zouden zijn geworden, maar omdat de leiding van de Club nodig aan een jongere moest worden overgedragen. De Club koos daarvoor de Spaanse professor Ricardo Diez Hochleiter, geen betaman maar een socioloog, een oudminister die journalist is bij het dagblad El Pais. “Onder diens leiding moet het werk doorgaan”, zegt King, “want de macro-problemen van het milieu zijn nog heel groot en erger nog: heel Zuid-Europa dreigt geislamiseerd te raken, wat daar het eind van de westerse civilisatie kan inluiden”.

De laatste jaren werd in West-Europa weinig aandacht aan de activiteiten van de Club van Rome meer besteed. King is daar zeer teleurgesteld over, “maar een angry old man ben ik beslist niet geworden omdat er - vooral in de Sovjet-Unie en in Polen - nog altijd veel belangstelling voor onze aciviteiten bestaat”.

Alexander King is nu 82 jaar, maar voelt zich een vijftiger. “Ik heb een uiterst boeiend en opwindend leven achter de rug. Eerst als universitair onderzoeker, daarna als wetenschappelijk adviseur van de Britse regering in oorlogstijd en tenslotte bij de Oeso, de organisatie voor Europese samenwerking en ontwikkeling in Parijs.” Opwindend ook in die zin dat King in de jaren '30 leider was van een Engelse wetenschappelijke expeditie naar Jan Maijen in de Noordelijke IJszee en met zijn vrouw een voettocht maakte van de Noordkaap naar Moermansk door toen nog ongerepte toendragebieden. “Ik werd gezien als een veelbelovend wetenschapper en zou waarschijnlijk wel hoogleraar zijn geworden als de oorlog er niet tussen was gekomen. Uit het feit dat ik een zware expeditie had geleid werd opgemaakt dat ik ook goed kon organiseren en dat was, zeker in die tijd, nog iets heel bijzonders voor Britse wetenschapsmensen. Ik werd toen gevraagd als adviseur voor oorlogsonderzoek en kreeg te maken met de radarontwikkeling waardoor de Royal Air Force de Duitse Luftwaffe kon weerstaan.” In de oorlogsjaren leerde King hoe nuttig internationaal gecoordineerd onderzoek kan zijn. Zo was hij als wetenschappelijk attache in Washington betrokken bij de ontwikkeling van penicilline als ook bij het Manhattanproject dat tot de uitvinding en het gebruik van de eerste atoombom leidde.

Marschallplan

Terug in Londen werd hij secretaris van de Royal Society, de Britse academie van wetenschappen en kreeg hij te doen met de Britse en Europese wederopbouwprogramma's onder de vlag van het Amerikaanse Marshallplan. “Ik kwam daardoor bij de Organisatie voor Europese economische samenwerking, de voorganger van de Oeso en heb sindsdien in Parijs gewerkt en gewoond. Met de opbouw en produktieontwikkeling verliep het voorspoedig. Ook in Engeland, al was daar - onder meer doordat mijn land minder zwaar door de oorlog was getroffen dan Duitsland als ook doordat het in die tijd van koude-oorlogsconfrontatie meteen heel grote, in feite al te zware defensieverplichtingen had - geen sprake van een Wirtschaftswunder. Aan het eind van de jaren '50 bleek echter al dat de snelle technologische ontwikkeling een te sterke kracht op zichzelf was geworden en dat er niet in het minst gelet was op de kwaliteit van de economische groei.”

Binnen de Oeso werd daar wel voor gewaarschuwd, maar volgens King tevergeefs. Eerst in 1967-1968 ten tijde van de Parijse studentenrevolutie werd pas duidelijk “hoe verkeerd het ging met de groei-om-de-groei en hoezeer de economische groei - ook binnen de Oeso - tot een 'heilige koe' was verheven”. “We besloten dat er door intellectuelen iets iets aan gedaan moest worden; ik kwam toen in contact met de Italiaanse industrieel Peccei (Fiat en Olivetti) met wie ik in mijn werkkamer bij de Oeso in Parijs de Club van Rome heb opgericht. Peccei was heel anders van karakter dan ik; echt een zuiderling, een man die van theater, grote conferenties en veel praten hield terwijl ik als Schot een heel puriteinse, protestants-christelijke opvoeding had gehad. Daardoor ben ik iemand met niet erg veel vertrouwen in de menselijke natuur.”

BEDREIGEND

In 1972 kwam het eerste rapport van de Club van Rome uit over de grenzen van de economische groei. Alexander King kan daar nu niet erg positief meer over zijn; “binnen de club waren we het er in het algemeen wel over eens dat er met de groei iets misging, maar van eenstemmigheid was geen sprake. Met zo veel verschillende mensen in ons midden, industrielen, bankiers en wetenschappers van allerlei nationaliteiten, kon dat ook niet”. Al met al was dat eerste rapport volgens King, ook een van de slechtste publikaties. Niet alleen omdat Meadows' voorspellingen later niet bleken te kloppen, maar ook omdat het te alarmerend en te bedreigend was.

Na 1972 kwam de Club van Rome nog met twaalf andere studies. Als King nu het rijtje van al die rapporten langsgaat is hij er met uitzondering van Tinbergens rapport over een nieuwe internationale orde (1976) in het algemeen weinig enthousiast over. Sommige daarvan bleven ver onder de maat of waren te schokkend. “Dat heeft ons in West-Europa veel vijanden opgeleverd. Met het gevolg dat daar nauwelijks meer naar ons wordt geluisterd.” Vol trots vertelt hij echter over zijn ervaringen in Moskou en Warschau. “Ik heb urenlange gesprekken - zonder het gebruikelijke communistische jargon - met Gorbatsjov gehad”.

Aan de meeste rapporten van de Club van Rome kleeft volgens haar oud-voorzitter het nadeel dat dat in veel gevallen puur wiskundige modellen zijn. “Daardoor is er te weinig rekening gehouden met onvoorspelbare en onberekenbare sociale ontwikkelingen en met facetten van de menselijke natuur, bijvoorbeeld het egoisme om hoe dan ook te willen overleven”. Vooral aan dat egoisme wil King in zijn rapport een nieuwe, mooiere inhoud geven, ook al “is het natuurlijk heel moeilijk de menselijke natuur te beinvloeden. Maar met hulp van onderwijskundigen en van de media moeten we toch proberen de mens zo te sturen dat uiteindelijk tot het egoistische inzicht wordt gekomen dat het op de lange termijn ons pure eigen belang is om ons gedrag te veranderen”.

VOORSPELLER

“Ik ben Cassandra”, zegt de oud-voorzitter met verwijzing naar de dochter van de Trojaanse koning Priamus die de gave der voorspelling had maar ook de doem dat zij niet zou worden geloofd. Met het gevolg dat de Grieken hun onheilspaard binnen Troje wisten te brengen en de stad heroverd en verwoest werd. “Natuurlijk weten dat de geschiedenis, ondanks het feit dat Cassandra's profetie uitkwam, daarna rustig doorging. Nu ligt het echter anders. Worden wij niet geloofd, dan lopen we het risico dat er aan de geschiedenis en aan onze cultuur en onze civilisatie een eind komt.”

King denkt daarbij niet zo zeer aan de bijna twintig door zijn Club gesignaleerde milieuproblemen. Die waren volgens hem, vooral waar het om water- en luchtverontreiniging ging, grotendeels oplosbaar en zijn volgens hem door de nationale overheden ook voor een goed deel opgelost. “Ondertussen zijn er echter veel ernstiger problemen die mondiaal van aard zijn zoals de aantasting van de ozonlaag, de opwarming van de aarde, het zure-regenvraagstuk en de verspreiding van giftige chemicalien die het drinkwater bedreigen, ontdekt en naar boven gekomen.

De wereldsituatie is uiterst gevaarlijk, maar niet hopeloos meent King. “Wat mij alles bij elkaar echter de meeste zorgen baart is het probleem van de overbevolking in de wereld. Voor nog meer mensen is geen plaats meer: wel ruimte, maar geen water. De islamisering van Zuid-Europa vormt het grootste vraagstuk van het eind van de twintigste eeuw. Ik vrees dat een islamitische 'bezetting' van Zuid-Europa daar het einde van de westerse beschaving zou kunnen inluiden, omdat tal van Noord-Afrikaanse moslims de Middellandse Zee oversteken. Hun migratie is voor Frankrijkt al een reusachtig nationaal probleem en in Spanje, Italie en Griekenland dreigt hetzelfde te gebeuren. In de middeleeuwen had de overheersing van de islam in Europa nog wel zegenrijke aspecten, maar nu kan daarvan naar zijn zeggen geen sprake van zijn omdat de migranten erg felle, fundamentalistische moslims zijn.” King noemt het gemakkelijker gezegd dan gedaan dat Europa de buitendeur voor deze immigranten zou moeten sluiten en dat ze moeten blijven waar ze zitten. “Daar gaan ze echter langzaam dood. Dat alles is een nog veel groter vraagstuk dan de macro-milieuproblemen waar de wereld mee kampt; vooral omdat ik er op het ogenblik geen enkele oplossing voor zie.”

    • Frits Groeneveld