Achter het front

De zuster van mijn Tunesische krantenverkoper, die in Marseille woont, durft sinds het begin van de oorlog nauwelijks meer de straat op.

Zij vreest, op grond van haar Noordafrikaanse uiterlijk, molestatie. Mijn Albanese pizzabakker heeft andere zorgen. Zoals Moskou van een obsessieve belangstelling voor de Golfoorlog gebruik maakt om in de Baltische republieken wat oude rekeningetjes te vereffenen, denkt hij, zo zouden in Joegoslavie de Serven ook de gelegenheid te baat kunnen nemen voor het liquideren van de laatste resten autonomie in Kosovo. De toestand in de wereld is, kortom, zorgelijk, en dat heeft zijn weerslag in Berlijn, decennia lang frontstad tussen de beide delen van Europa, maar thans ver achter het front een sluimerende wereldstad van 4, 3 miljoen mensen - nog wat amechtig van een jaar lang stormachtige veranderingen.

Op de informatievoorziening over de oorlog heeft het jongste verleden in ieder geval nog een zegenrijke uitwerking. Voor de verslaggeving over het oorlogsverloop is de Berlijner niet uitsluitend aangewezen op de verpletterende ernst en de moralistische toon van de Duitse media. In Berlijn hebben alle bezettingsmachten nog troepen gelegerd, en die hebben hun eigen televisie- en radiozenders bij zich. In het bijzonder de Franse televisiezender Antenne 2 is het aankijken waard. Het meest curieus is de Amerikaanse radio AFN, die het geluid van CNN of de Amerikaanse Public Radio afwisselt met een stroom als vrolijke reclameboodschappen verpakte waarschuwingen tegen terrorisme. Beter dan met de auto met Amerikaans nummerplaat brenge men dezer dagen zijn kind met de Berlijnse gemeentebus naar de kleuterschool, als die al open is tenminste.

Bij het Kaufhaus des Westens, de Bijenkorf van West-Berlijn, laat men de houten schotten voor de etalages nu maar voorlopig dag en nacht zitten. Niet een door Iraakse zelfmoordcommando's aangerichte wandaad is hier de voornaamste zorg, maar de kleine terreur van eigen bodem die zich vorige week bij voortduring aan uitstalkasten en etalagepoppen vergreep. Voor de Westberlijnse autonome beweging, ook wel als chaoten aangeduid, is het Kaufhaus traditiegewijs het meest voor de hand liggende doelwit, wanneer oppositie tegen het grootkapitaal tot uitdrukking moet worden gebracht. En demonstraties met aansluitend brekend glaswerk zijn er bijna elke avond in West-Berlijn, zodat de stad elke avond weergalmt van tientallen politiesirenes, want daar zijn ze hier niet zuinig mee.

In het protestwezen in Berlijn is de Duitse eenheid nog geen feit, niet verwonderlijk als je weet dat de bevlogen idealisten die zich het meest tot Mahnwache of fakkeloptocht voelen aangetrokken, meestal ook degenen waren die nog het meest geneigd waren het socialisme in de DDR nog een keer, en dan beter natuurlijk, te proberen. De ingetogen, bevlogen blik van de kaarsjesdragers op de Oostberlijnse Alexanderplatz vormt een schril contrast met de militante revolutionaire groeperingen rond de Westberlijnse Gedachtniskirche. Opvallende overeenkomst tussen beide locaties: het bijkans volkomen gebrek aan discussie.

Gepraat wordt er wel, geschreeuwd zelfs, maar sterker nog dan in Nederland is het hebben van gelijk kennelijk belangrijker dan het krijgen. De nochtans met vredesduiven en bijbelspreuken uitgeruste pacifisten behandelen een meneer die vindt dat Israel gewapenderhand verdedigd moet worden als de antichrist. “Weet u wel dat Saddam met Duitse technologie zijn gifgassen heeft kunnen produceren? ”, voert een der pacifisten aan. De voor de hand liggende conclusie dat Duitsland dan misschien ook iets zou kunnen doen om deze misstand gewapenderhand weer recht te zetten, brengt bij de demonstranten een onmiskenbare neiging tot spugen teweeg.

Tien meter verderop houdt een meneer in het arabisch een begeesterde rede, die bij sommmige toehoorders grote ogen en bewondering veroorzaakt. De toehoorders weigeren evenwel met stelligheid het antwoord op de vraag, of meneer een groot redenaar is, en waarover het gaat. In het gewoel valt de enkeling met een bordje over Litouwen of Letland nauwelijks op, terwijl dat front toch heel wat dichterbij ligt, zou je zeggen.

    • Raymond van den Boogaard