Werk van Jan van den Dobbelsteen in Utrechts museum; Een strenge, geheimzinnige ordening in gewijde sfeer

Tentoonstelling: Jan van den Dobbelsteen, werken 1981-1990. Centraal Museum Utrecht. Geopend: di. t-m za. 10-17 uur, zo. 13-17 uur. Catalogus: fl. 17, 50.

In hoeverre mag een kunstenaar er vanuit gaan dat zijn werk het kan stellen zonder enige toelichting? Beeldende kunst, zult u in eerste instantie wellicht denken, moet voor zichzelf spreken - het is immers visueel. Met die houding komt u in een museum niet ver. Niet alleen hedendaagse kunst, ook 17de eeuwse genrestukken onthullen meer van wat er is te zien als we de afgebeelde symbolen kunnnen 'lezen'. Het oog kan dus niet al het werk doen, achtergrondinformatie is als het ware het derde oog van de toeschouwer.

De laatste honderd jaar, sinds de entree van de abstractie in de kunst, is deze kwestie steeds complexer geworden. Begin deze eeuw deden kunstenaars als Mondriaan, Kandinsky en Malevitsj nog moeite hun denkbeelden toe te lichten - steeds banadrukten ze in hun geschriften dat hun werk er abstract uitziet maar dat er spirituele ideeen aan ten grondslag liggen. De jaren erna zijn er verschillende stijlen geweest waarin abstractie een doel in zichzelf werd; de fundamentele schilderkunst in het vorige decennium bij voorbeeld, waarin het schilderij werd teruggebracht tot een vlak en vorm synoniem werd met (primaire) kleur. Daarachter moest niets worden gezocht - het ging zuiver om wat er te zien was, om vorm. Maar zelfs in dat geval is het noodzakelijk te weten dat het louter om die formele aspecten gaat: daarin ligt immers de betekenis van die 'fundamentele' schilderijen.

Jan van den Dobbelsteen, die nu in Utrecht een overzicht toont van schilderijen, tekeningen en installaties die hij de afgelopen negen jaar maakte, is uiterst spaarzaam met informatie over zijn werk. In het Centraal Museum ontbreken zelfs de gangbare kaartjes naast de kunstwerken waarop materiaalgebruik, datum van ontstaan en eventuele titel worden vermeld. Toch is bekend dat er een rijke gedachtenwereld schuilgaat achter de op het oog abstracte doeken die hij maakt. De catalogus biedt op het eerste gezicht ook geen uitkomst. In de verzorgde uitgave staat onder een reeks afbeeldingen alleen een tekst afgedrukt over een figuur uit het Mahayana-boeddhisme, Vimalakirti. De wijsheid van deze bodhisattva - een 'tot verlichting bestemd wezen' - wordt hier uiteengezet. De titel van de catalogus luidt Het zwijgen van Vimalakirti en duidt op het moment in het verhaal dat de wijze niet spreekt, als bewijs van zijn 'niet-tweeheid' (niet verdeeld worden door dualiteit). Hierin schuilt een aanwijzing voor Van den Dobbelsteens houding - hij zwijgt, zo wordt gesuggereerd, omdat hij geen scheiding duldt tussen zijn kunst en de zingeving daarvan. Een mooie gedachte, integer misschien ook bezien vanuit de kunstenaar: wat er over zijn werk te zeggen is, zegt het werk zelf. Als we ons daarbij neerleggen en zonder achtergrond-informatie door de tentoonstelling lopen, wat zien we dan?

Allereerst valt de strenge ordening op die aan al zijn kunst ten grondslag ligt. De presentatie zelf, die grotendeels door de kunstenaar werd bepaald, vertoont een strakke opbouw. Direct bij de ingang is rechts een aantal schilderijen boven en naast elkaar gehangen, die met elkaar gemeen hebben dat ze zijn opgedeeld in een raster of vlakken. Abstract werk, zou je zeggen, veelal getoonzet in zwart en wit of aardekleuren. Op de doeken die op de tegenoverliggende wand hangen, verschijnt steeds een vorm die midden op het schilderij lijkt te zweven. Hij lijkt nog het meest op een wolk of een stuk steen en wijkt daarmee af van de zuiver geometrisch-abstracte vlakverdeling op de andere muur.

Verderop staat middenin de zaal een enkele meters hoge cilinder opgesteld. Het patroon van vierkanten waarmee hij is beschilderd, bestaat uit fluorescerende verf die haast pijn doet aan je ogen. Een poortje geeft toegang tot het binnenste van de cilinder en daar staat op keramische borden de volgende tekst te lezen: 'Truth is my breath'. In twee andere, verderop neergezette identieke cilinders (alleen anders beschilderd) wordt daar nog aan toegevoegd: 'Bliss is my food' en 'Love is my form'. Het zijn de enige teksten in deze expositie, maar opheldering bieden ze niet, integendeel. Het zijn ongetwijfeld teksten uit de oosterse filosofie. Steeds weer duikt het raster op dat als de basis in de schilderijen fungeert, afgewisseld met lossere, ronde vormen die beweging en - dus - ruimte suggereren. De kleuren (naast de grondtonen veel primaire als verzadigd rood en geel) zijn zo pregnant gebruikt, dat ik vermoed dat ze een symbolische waarde hebben. Hetzelfde geldt voor in enkele installaties gebruikte materialen als gips, brons en zilver. Uitsluitsel wordt hierover evenmin gegeven, het blijft dus bij een vermoeden.

Na de eerste rondgang voelt de toeschouwer pijnlijk het gebrek aan informatie. Wie een beetje thuis is in de hedendaagse kunst, kan misschien vaststellen dat Van den Dobbelsteens oeuvre voor een deel is terug te voeren op de eerdere genoemde fundamentele schilderkunst. Ook hij stelt vorm en kleur gelijk aan elkaar en onderzoekt wat een schilderij nu eigenlijk is door het formaat te varieren of het doek 45 graden te draaien en als een ruit aan de muur te hangen. Maar in zijn geval houdt het verhaal niet op bij het oppervlak van het schilderslinnen. Kunnen we aan de weet komen welk verhaal er impliciet wordt verteld, zonder dat de kunstenaar dat uit de doeken doet?

Rotsen

Een kleine aanwijzing over de richting waarin we moeten zoeken wordt geboden in het tweede artikel van de catalogus. Daarin wordt beschreven hoe het schilderen van rotsen zo'n duizend jaar geleden in China en Japan werd gezien als de manier om schilderen te leren, vergelijkbaar met het modeltekenen in het westen. De amorfe, zwevende vormen die we in Van den Dobbelsteens werk tegenkwamen, zouden wel eens rotsen kunnen zijn. Misschien wil hij via deze weg de fundamenten van de oosterse kunst overbrengen in de westerse? Voor het juiste begrip moeten we - de bedoelingen van de kunstenaar ten spijt - te rade gaan bij achtergrondartikelen over zijn oeuvre. Daaruit blijkt dat de ordelijke rasters of diagrammen teruggevoerd kunnen worden op yantra's, energievormen die in yoga-meditatie worden gebruikt. Van den Dobbelsteens werk zou dus energie over willen dragen op de kijker. De wijze waarop dat moet gebeuren is via meditatie: als we in die mate van concentratie naar zijn beelden kijken, zou de toeschouwer met het beeld versmelten, het beeld zou vervolgens als afzonderlijk object verdwijnen en wij zouden de energie van het beeld overnemen.

“Echte schoonheid is zonder vorm”, aldus een van de schaarse uitspraken die Jan van den Dobbelsteen eens deed over zijn eigen werk. Dat statement - op zichzelf vreemd om te vernemen uit de mond van iemand die schept, vormgeeft - wordt nu begrijpelijk: schoonheid(sbeleving) komt tot stand door overdracht. Iets van die meditatieve atmosfeer is wel voelbaar op de tentoonstelling. De concentratie van werken (niet zij aan zij, maar in clusters bij elkaar), de installaties en de beschutte binnenruimte die zij bieden, het zorgvuldige ritme van kleur en formaat, dit alles roept inderdaad een gewijde sfeer op, een geheimzinnige ordening. Maar 'samenvallen' met het gepresenteerde gebeurt in mijn geval niet. Daarvoor is de indeling te fragmentarisch, te veel naar categorieen geordend: hier een hoeveelheid schilderijen, daar twee installaties tegenover elkaar, ginds werken op papier. De tentoonstelling is niet een grote installatie geworden, wat naar mijn idee noodzakelijk is willen we het werk als eenheid ervaren en er in op kunnen gaan.

Maar het grootste obstakel vormt naar mijn gevoel het cryptische, zelfs hermetische karakter van Van den Dobbelsteens werk. Misschien gelooft hij dat deze beelden, kleuren, ordeningen zo universeel zijn dat men - ook al weet men van niets - hun werking wel ondergaat. Ik denk dat dit een misverstand is. Wie niet is ingewijd, weet niet waarnaar hij kijkt. Zoals de onwetende in het boeddhisme ook nooit de verlichting kan bereiken.