Waar was Europa in de Golf?

BRUSSEL, 26 jan. - Waar was Europa in de eerste weken van de Golfoorlog? Als, zeg, historici in de 22ste eeuw zich die vraag stellen zullen ze al snel tot de ontdekking komen dat er tegen de 21ste eeuw nog helemaal niet zoiets bestond als Europa.

Ja, er was in die tijd wel een soort samenwerkingsorgaan, de 'Europese Gemeenschap', die ten tijde van de oorlog in de Golf bezig was met pogingen om te komen tot een 'Europese Politieke Unie'. Maar een specifieke Europese houding ten opzichte van die oorlog? Nee, die bestond niet.

Terug naar het heden. Als er iets is geweest dat kan worden beschouwd als een lakmoesproef voor het slagen of niet-slagen van nauwere samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap op het gebied van de buitenlandse politiek en de veiligheidspolitiek, dan was het wel de 16de januari 1991, het moment dat de oorlog in de Golf uitbrak, en de direct daaraan voorafgaande weken. Op de avond dat het VN-ultimatum zou aflopen, lanceerde Frankrijk nog snel een laatste initiatief in de Veiligheidsraad om oorlog te voorkomen. Maar de Franse president nam eerder op die dag, toen hij het middagmaal gebruikte met de Britse premier John Major, zelfs niet de moeite om dat te melden aan zijn Europese partner.

Een dergelijke handelwijze kan maar tot een conclusie leiden: zodra er iets gebeurt in de wereld dat echt ernstig is, iets dat werkelijk raakt aan de wortels van de Westerse samenlevingen, dan valt de Europese Gemeenschap uiteen in de twaalf samenstellende delen, twaalf nationale staten die het eigenbelang, het eigen prestige in de wereld en de eigen relaties met de buitenwereld veel zwaarder laten wegen dan het ideaal van een gemeenschappelijke Europese opstelling.

Of, zoals een Britse waarnemer in Brussel het dezer dagen formuleerde: “Buitenlandse politiek is de uitdrukking van de interne instincten, gewoonten en geschiedenis van een land”. Het bereiken van congruentie van die drie elementen, wat het ideaal zou moeten zijn van een Europese Politieke Unie, is een feitelijke onmogelijkheid. De geschiedenis van de twaalf landen leert dat onderlinge geschillen in de loop van deze eeuw tot twee verwoestende oorlogen hebben geleid. De interne instincten zijn juist gebaseerd op die recente en vaak ook op de minder recente geschiedenis. Misschien dat alleen de gewoonten in de lidstaten op lange termijn wat naar elkaar zullen kunnen toegroeien.

Wat betreft de opstelling van de Europese Gemeenschap na het onvermijdelijk geworden uitbreken van de oorlog in de Golf, bleek de onmogelijkheid om te komen tot congruentie van de buitenlandse politiek van de samenstellende delen van de Gemeenschap overduidelijk: Groot-Brittannie (en Nederland) stemden hun politiek volledig af op de politiek die de Verenigde Staten voerden, het land dat hun sinds de Tweede Wereldoorlog de enige werkelijke garantie voor veiligheid heeft kunnen bieden.

Pag. 6: .

Europees buitenlands beleid bestaat niet

Ook Frankrijk heeft sterke banden met het Midden-Oosten, men denke slechts aan de Suez-crisis van 1956, aan de Franse invloed in een land als Libanon. Frankrijk bleef aanvankelijk, zelfs toen het zijn echec van het initiatief in de Veiligheidsraad had moeten erkennen, vasthouden aan een politiek waarin duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de bevrijding van Koeweit en de aanval op Irak. Pas nadat Mitterrand zijn minister van defensie op dat punt openlijk was afgevallen, is er sprake van een volledige Franse deelneming aan de oorlog.

Maar Parijs zit in een lastige positie: het had in de afgelopen jaren sterke politieke banden opgebouwd met Saddam Hussein, die voor miljarden dollars schuld heeft wegens de levering van Frans militair materieel, in de islamitische landen woont een zeer groot aantal Fransen en omgekeerd wonen 1, 5 miljoen mensen uit de Maghreb-landen in Frankrijk. Het land is dus door de omstandigheden wel gedwongen een politiek te voeren die enigszins afwijkt van de Amerikaanse.

Duitsers

De Duitsers willen er het liefst zo min mogelijk aan worden herinnerd dat er zoiets bestaat als een oorlog in de Golf. Van het begin af aan grepen ze de kans aan om zich te verschuilen achter het grondwetsartikel dat Duitse militairen verbiedt om te opereren buiten de grenzen van de NAVO. Als compensatie strooien ze met marken, tot in Israel toe, waar minister van buitenlandse zaken Hans-Dietrich Genscher deze week werd uitgejouwd omdat het opnieuw door Duitsers vervaardigd gas is, dat de existentie van joden bedreigt. En met Duits vernuft verlengde Iraakse raketten die Israelische steden treffen.

Waar was de Europese Gemeenschap, vroegen deze week de Europese leiders zich vertwijfeld af. “De Gemeenschap wordt ervaren als een grote mogendheid en niet alleen economisch”, hield Commissievoorzitter Jacques Delors de Europese parlementariers in Straatsburg voor. “Men heeft grote verwachtingen. We moeten ons dat realiseren en, als we het werkelijk eens zijn, de nodige stappen zetten om ons de politieke, wettelijke en financiele middelen te verschaffen om onze verantwoordelijkheden op ons te nemen.”

Maar dergelijke woorden klinken op dit moment even hol als ze onrealistisch zijn. Want wat valt er aan eenheid van een Europa te verwachten dat in zijn samenstellende delen zo hopeloos verschillend reageert op een ingrijpende gebeurtenis?

Niet klaar

De Britse premier Major heeft wat dat betreft een even nuchtere visie op die eenheid als zijn voorgangster. De verschillende manieren waarop de Europese lidstaten hun steun hebben betuigd aan de militaire actie in de Golf bewijst volgens hem dat de Gemeenschap nog lang niet klaar is voor politieke unie.

Vorige maand is in Rome de intergouvernementele conferentie over de Europese Politieke Unie geopend. Die conferentie moet de grondslagen leggen voor nauwe samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap op het gebied van de buitenlandse en de veiligheidspolitiek. Samenwerking die wel eens zo ver zou kunnen gaan dat beslissingen over buitenlandse politiek simpelweg met meerderheid van stemmen in plaats van met eenparigheid van stemmen genomen gaan worden. Maar de plechtige verklaringen waren nog niet in het publikatieblad van de EG verschenen of op 4 januari stonden de ministers van buitenlandse zaken van de lidstaten al weer als kemphanen tegenover elkaar in Luxemburg, toen ze moesten besluiten of de EG al of niet zou gaan praten met Tareq Aziz, de Iraakse minister.

Van den Broek verdedigde daar de stelling dat de EG beter geen eigen initiatieven zou moeten ontwikkelen voordat de Amerikaanse minister Baker een gesprek kon hebben met Tareq Aziz. Zijn Franse collega Dumas beet de Nederlander toen toe dat hij met zijn standpunt allang zou zijn weggestemd als over buitenlandse politiek met meerderheid besloten had kunnen worden.

Meerderheid

Van den Broek nam die uitdaging beleefd aan en antwoordde dat Nederland altijd een warm voorstander van meerderheidsbesluitvorming was geweest, “vooral ook in NAVO-verband” (waar Frankrijk dan altijd zou worden weggestemd).

Maar Douglas Hurd, de Britse minister, diende Dumas het meest koelbloedig van repliek: “En dat, meneer Dumas, is nu precies de reden waarom het Verenigd Koninkrijk de unanimiteit wil handhaven.”