Trotse bevolking van Bagdad 'voelt zich goed'; 'Als Palestijnse kinderen het kunnen opnemen tegen Israeliers, kunnen Iraakse kinderen het opnemen tegen Amerikanen'

De Palestijnse journaliste Lamis Andoni, verslaggeefster voor het Britse dagblad Financial Times, maakte in de Iraakse hoofdstad Bagdad de eerste dagen van de oorlog mee. Impressies van een ooggetuige.

BAGDAD, 26 jan. - Het was mooi en dodelijk, zoals een mooie cobra. Je kunt niet ontkennen dat het mooi was. Het was een vreemde gewaarwording dat je iets mooi kunt vinden dat dood veroorzaakt. Ik sloot mijn ogen en zag mensen sterven - Irakezen, burgers, soldaten. Dat was het einde van de schoonheid.

Zeven dagen lang bekeek ik de bombardementen op Bagdad, soms vanuit mijn kamer op de tweede verdieping van het Al Rashid hotel, soms met anderen, of in het hotel of elders in de stad.

Het was als van een afstand een mooie vrouw bekijken en zien hoe ze langzaam verandert in iets lelijks, als een Medusa. Het was moeilijk het gezicht van de gekleurde lichtspoorkogels in de lucht - spectaculaire flitsen van raketten en bommen die verderop ontploffen - te verbinden met datgene wat op de grond gebeurde.

De dagen vlak voor de oorlog zeiden Irakezen dat hun angst voor oorlog wel eens terecht zou kunnen blijken. Maar tot op het laatste moment geloofden velen het niet. De mensen vroegen: “Komt er oorlog? Hoe groot is de kans dat er oorlog komt?”

De avond voor het eerste bombardement was ik thuis bij een Palestijnse vriend die is getrouwd met een Iraakse vrouw. Ik sprak met zijn kinderen. Ze probeerden zich voor te stellen wat oorlog betekent.

We luisterden samen naar de Arabische uitzending van Radio Monte Carlo, naar alle verhalen over de Amerikaanse oorlogsvoorbereidingen en we zeiden tegen elkaar: “Ze bereiden een aanval op ons voor.” Ik herinner me hoe een dochter, een tiener, zei: “Ik wil niet sterven. Ik wil eerst trouwen.”

Op de terugweg naar het hotel, het was 16 januari half tien 's avonds, was Bagdad donker en verlaten. Normaal zijn de straten op dat uur nog vol, maar nu waren ze angstaanjagend leeg. Het Witte Huis had Amerikaanse journalisten toen al gewaarschuwd dat ze beter uit Bagdad konden vertrekken, dus we wisten dat er iets stond te gebeuren. We hadden de aanvallen alleen nog niet zo snel verwacht.

Toen om twee uur 's nachts berichten uit Washington binnenkwamen dat de oorlog op het punt van uitbreken stond, was ik in het kantoor van de Amerikaanse televisiemaatschappij NBC. Een half uur later lichtte de hemel fel op. Velen van ons dachten dat Bagdad in enkele uren werd vernietigd. Het hotel - een sterk gebouw - werd geteisterd door de explosies. Je kon het inslaan van de bommen voelen. De lichten in het hotel vielen uit, mensen schreeuwden en raakten in paniek. We gingen naar de schuilkelder onder het hotel. Daar heerste chaos.

Een Egyptische ober die ons wat te eten bracht, zei: “Ik wil hier niet sterven. Ik ben hier gekomen om te werken, niet om te sterven. Een vrouw kreeg een zenuwinstorting en werd met valium weer op de been geholpen.

Tegen half vier 's nachts viel ook de generator in de kelder uit. We zaten in volledige duisternis. Enkele mensen begonnen te zingen, Palestijnse revolutionaire liederen. Het stelde mensen op hun gemak. Ze dachten dat dit het einde kon zijn.

De eerste nacht maakte grote indruk op me. Ik geloof niet dat ik die nacht ooit zal vergeten. Ik was ontzettend kwaad en ontzettend verdrietig. Als Palestijn en als journalist had ik alle hoop verloren. Ik vroeg me af of dit de enige manier was waarop het Westen met ons kan omgaan. Ik voelde dat er een kloof groeide die wellicht niet meer te overbruggen zou zijn.

Bij het aanbreken van de dag vingen we berichten op dat de Iraakse militaire kracht was gebroken. Maar uit het raam van mijn hotelkamer zag ik geen schade. Het was een rare gewaarwording geen schade te zien na de storm van de nacht. Met veel moeite vond ik een chauffeur en maakte een autorit, op zoek naar getroffen doelen. Ik ging naar het telecommunicatiecentrum en zag dat het was beschadigd, maar niet vernietigd.

De Irakezen waren door de bombardementen geschokt maar niet verslagen. Een jonge Iraakse soldaat zei me dat hij tegen de bezetting van Koeweit was maar dat Koeweit voor hem nu onbelangrijk was geworden. “Wat er ook gebeurt, we moeten ons land verdedigen”, zei hij.

Irakezen hebben een sterk historisch bewustzijn. Ze kunnen het idee dat hun land van de kaart wordt geveegd niet aanvaarden. Dat komt terug in ieder gesprek - hoe dan ook.

Die dag en de dagen daarna bezocht ik de Khazmir-wijk, in het oude deel van Bagdad waar een mooie Shia-moskee staat. De mensen die ik sprak waren moe maar niet wanhopig. Bij een fruitstalletje ontmoette ik een elfjarig jongetje dat Ahmed Abdel Salaam heette en grote ogen met lange wimpers had. Op de muur achter het winkeltje hingen foto's van twee van zijn ooms, die in de oorlog tegen Iran waren omgekomen. Ik vroeg of hij bang was voor de luchtaanvallen. “Als de Palestijnse kinderen het kunnen opnemen tegen de Israeliers, dan kunnen Iraakse kinderen het ook opnemen tegen de Amerikanen”, zei hij.

Na de eerste dag werd het werken voor journalisten moeilijker. De Irakezen maakten zich zorgen over berichten die details gaven over de schade die debombardementen hadden aangericht. Ze zeiden dat het mogelijk voor de Amerikanen een aanleiding was weer terug te komen.

Saadoun al-Jabani van het ministerie van informatie was de censor. Omgaan met hem leek meer op het overhandingen van een opstel aan een leraar dan het voorleggen van een verslag aan een censor. Ik had slechts een keer problemen met hem. Toen ik in een artikel het begrip 'joodse staat' had gebruikt, zei hij me dat het “racistisch” was.

Iraakse kranten berichtten uitvoerig over vredesdemonstraties in Europa. De radio zei talloze dingen over een Heilige Oorlog en over Arabische solidariteit. President Saddam Hussein sprak na het bombardement. Hij klonk vastberaden en zeer beheerst. Het was indrukwekkend en angstaanjagend tegelijk, het gevoel dat hij de situatie volledig meester was.

Saddam praat als een gewone Irakees. Hij klinkt als door ervaring wijs geworden. Hij gebruik geen gewichtige taal, maar wat hij zegt is wel gewichtig.

De voorzieningen in het hotel werden langzaamaan slechter. De leiding van het hotel negeerde de gasten; het personeel deed geen enkele poging de kamers schoon te houden. Er was geen water. Totdat we in de kelder nog een waterkraan vonden wasten we ons met mineraalwater.

Afgelopen zaterdag ging ik op bezoek bij een nicht die voorstelde samen met mij naar Amman te gaan. Ik weigerde. Ik zei haar dat je dan nooit zeker zou zijn of je weer kon terugkomen. Je zou als vluchteling kunnen eindigen en daar houden Palestijnen niet van.

Toen ik terugkwam bij het hotel hoorde ik dat alle buitenlandse journalisten moesten vertrekken. Het bevel, zo werd ons gezegd, kwam van de hoogste regeringskringen.

Die dag, de derde dag na het bombardement, werd een kruisraket neergeschoten, en delen ervan vielen op de woonvertrekken van het hotelpersoneel. Niemand raakte gewond. Wij gingen naar buiten en verzamelden stukjes raket.

Dezelfde nacht ging ik eten bij Abu Ali Shanin, een veteraan in de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie die met Yasser Arafat na de Arabisch-Israelische oorlog van 1967 naar de door Israel bezette Westelijke Jordaanoever was gegaan. Hij was daar gearresteerd en had vele jaren in de gevangenis doorgebracht.

We aten moulikhiam, een Arabisch gerecht van groenten, kip en bakolie. Jonge Palestijnse strijders arriveerden. Ze waren in een euforische stemming omdat de strijd was begonnen. Ze haalden herinneringen op aan Sabra en Shatila, de Palestijnse vluchtelingenkampen waar christelijke milities in 1983 honderden Palestijnen hadden vermoord. Zo is de Palestijnse houding, terugdenken aan oude oorlogen, van oude gevechten.

Zondag was een kwade dag. Met uitzondering van CNN werden de Westerse journalisten het land uitgezet. De enkele Arabische journalisten die in het Al Rashid hotel achterbleven, besloten de krachten te bundelen. Onze eerste taak was het zoeken van schoonmaakmiddelen en emmers om onze kamers schoon te maken. We probeerden er het beste van te maken.

De Irakezen lieten zich weer op straat zien. “We voelen ons goed, we houden stand”, zeiden ze. Ze vertrouwden erop dat Saddam nog iets achter de hand had. De vastberadenheid nam toe.

Overal waar we naartoe gingen vroegen mensen: Waar blijven de Palestijnen? Gaan zij nog iets ondernemen? Zelfs critici van Saddam, en dat zijn er veel, vroegen dat.

Altijd als een Irakees gaat zitten om een uurtje te praten over Saddam hoor je veel tegenstrijdigheden. Hij is dapper, zeggen ze, vergeleken met andere Arabische leiders is hij een man die woord houdt. Anderzijds winden ze zich enorm op dat hij zonder enig overleg doet.

Ze zeggen dat hij Koeweit niet had moeten binnenvallen. Maar iedere keer dat hij Israel treft, zijn ze trots. Iedere keer dat ze horen van pro-Iraakse demonstraties in andere delen van de wereld zijn ze bijzonder trots. Maar ze zijn boos over het gebrek aan vrijheid en respect voor mensenrechten. Er is een nationale schizofrenie over Saddam Hussein.

De mensen in Irak willen vrijheid, maar op dit moment beschouwen ze de oorlog een zaak van leven en dood. Na de oorlog willen ze meer. Jonge Iraakse mannen, bijvoorbeeld, zijn kritisch over Saddam, maar ze zeggen ook: “We moeten ons nu verenigen.” Ook zijn er op straat veel jongeren met kalasjnikovs. Dat is iets nieuws van de laatste paar dagen.

Dinsdag leek het alsof duizenden hun kalasjnikovs in de lucht leegschoten. Een gerucht deed de ronde dat president Hosni Mubarak was vermoord.

Begin deze week gingen in delen van de stad weer bussen rijden en openden winkels hun deuren weer. Maar toen de regering woensdag de verkoop van benzine staakte, kwamen het leven in de steden van Irak stil te liggen. Chauffeurs waren woedend omdat de verkoop zonder aankondiging was stilgelegd. Op de weg van Bagdad naar de Jordaanse grens waren talloze auto's gestrand omdat hun benzine was opgeraakt.

In de arme wijken ging het openbare leven meer zijn normale gang dan in de buurten van de middenklasse. In het shi'itische deel van Khazmir waren mensen fatalistisch; ze probeerden hun werk te doen alsof er niets aan de hand was. Verontrustend is dat er nu zoveel meer haat was tegen de Amerikanen. Mensen dreigden piloten die waren neergeschoten in mootjes te hakken. Ik hoorde dat een piloot met stenen was bekogeld voordat hij werd weggevoerd door Irakese soldaten.

De regering riep mensen op de piloten in leven te laten, en toen dat weinig indruk leek te maken, bood ze 30.000 Iraakse dinar voor iedere piloot die levend bij de autoriteiten werd bezorgd.

Terwijl de Verenigde Staten zeggen dat ze hun bombardementen alleen op militaire installaties hebben gericht, zijn sommige woonwijken van Bagdad ook geraakt. Ik heb twee huizenblokken gezien in de buurt van het stadscentrum, die zwaar waren beschadigd.

Bewoners van wijken waar ook kazernes of communicatie-installaties staan, vertelden dat sommige bommen hun doelen hadden gemist. In eerste instantie gaven de Iraakse autoriteiten geen cijfers over het aantal slachtoffers onder de burgerbevolking - uit angst dat het de bevolking zou demoraliseren.

Sinds die woensdag publiceren kranten foto's van de schade die in woonwijken is aangericht. De Irakezen begonnen ook aantallen slachtoffers onder de burgerbevolking bekend te maken.

Ik zag geen zwarte vlaggen op de huizen - het gebruikeljke teken van rouw. Misschien was het daarvoor nog te vroeg. Overal in Bagdad sprak men over de aantallen slachtoffers.

De Amerikanen en hun bondgenoten leken per nacht drie golven van bombardementsvluchten over Bagdad te sturen, om in de daarop volgende dagen nog enkele keren naar dezelfde doelen terug te keren. Ik bezocht een plaats even buiten Bagdad waar de Amerikanen zeiden dat ze een fabriek voor chemische wapens drie keer hadden gebombardeerd. Volgens de Irakezen was het een fabriek voor melkpoeder. De fabriek was vrijwel volledig verwoest. Een substantie die op melkpoeder leek, lag op de grond te smeulen.

Ik besloot woensdag te vertrekken, met een auto die was gehuurd door CNN; het was niet langer mogelijk artikelen door te geven. Ik voelde me treurig, want ik vertrok met het gevoel dat ik mijn verantwoordelijkheden als journalist ontliep - het belichten van een kant van het verhaal die moet worden belicht.

Saadoun al-Janabi van het ministerie voor informatie kuste me op mijn voorhoofd en zei: “Waarom blijf je niet. Als journalist moet je blijven.”

Mijn laatste blik in Bagdad wierp ik op de Tigris die de afgelopen duizenden jaren al getuige was geweest van zoveel conflicten. Ik kon niet geloven dat Bagdad niet in staat zou zijn te overleven. Ik vroeg me af of Saddam zou overleven. Misschien is dat niet zo relevant. Belangrijk is dat dit trotse mensen zijn, die het hoofd niet zullen buigen.

    • Lamis Andoni