Seks is goed, mooi en gezond

Het verlies van de onschuld. Seksualiteit in Nederland

door Gert Hekma, Bram van Stolk, Bart Heerikhuizen en Bernard Kruithof (red.)

213 blz., Wolters Noordhoff 1990, f 35, --

ISBN 90 01 03390 3

Hoe is het gesteld met de seksualiteit in Nederland sinds de seksuele revolutie? Gaan we, nu de seksualiteit steeds meer in een kwaad daglicht lijkt komen te staan door de negatieve aspecten die eraan kleven, weer terug naar af, naar de preutsheid van voor de seksuele revolutie? Op dit moment staan de media bol van negatieve publiciteit over seksualiteit: ongewenste intimiteiten, incest, AIDS, seksuele uitbuiting van vrouwen. Volgens de inleiding van Het verlies van de onschuld, een als boek vermomd themanummer van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, “ heeft de discussie over schadelijkheid van seks (... ) die over tolerantie ingehaald. De meningen over ontoelaatbare seks zijn weer sterk verdeeld geraakt”. De artikelen in deze bundel geven een wat genuanceerdere kijk op al deze angstaanjagende geluiden.

Een van de voornaamste verworvenheden van de seksuele revolutie is de zogenaamde bevrijding van de seksualiteit. De meeste culturen, zo zegt Paul Schnabel in zijn bijdrage, die tevens de titel voor het boek heeft geleverd, beschouwen seksuele lust en de seksuele daad als onrein. Seksualiteit is schuldig en eenieder die met haar in aanraking komt, verliest daarmee zijn of haar onschuld. Sinds de seksuele revolutie is seks echter mooi en goed en is zij onschuldig verklaard. Nu de laatste jaren blijkt dat er van alles misgaat en seks helemaal niet mooi en goed is, lijkt zij in Schnabels redenering haar schuldige gedaante weer terug te krijgen.

Uit het verdere verloop van Schnabels betoog en uit de inhoud van de bijdragen in deze bundel valt op te maken dat het met deze ontwikkeling zo'n vaart niet hoeft te lopen. De verwachting dat de promiscuiteit is toegenomen nu seks niet meer in verband wordt gebracht met het huwelijk en men vrij is om 'het' met iedereen te doen, is niet uitgekomen. Paul Schnabel meent: “ De erkennning van de seksualiteit als een waarde op zich heeft noch in opvatting, noch in gedrag geleid tot een algemene loskoppeling van seks en liefde. De experimenten uit de jaren zestig en zeventig zijn geen succes gebleken.” Seksualiteit blijkt, ook onder jongeren, nog steeds relatiegebonden te zijn. In 1989 zijn er blijkens onderzoek zelfs meer jongeren die vinden dat je een vaste relatie moet hebben voordat je aan seks mag beginnen, dan in 1981.

AIDS

In dit verband is ook de opvatting over AIDS van belang. Men denkt vaak dat AIDS een gevolg is van de toegenomen promiscuiteit sinds de jaren zestig. Aangezien uit dit boek blijkt dat die toeneming in het algemeen wel meevalt, is het niet aannemelijk dat de komst van AIDS aanleiding is voor een terugkerende moraliserende houding ten opzichte van seks. Onder homoseksuelen is de promiscuiteit wel toegenomen, maar in de campagne voor de bestrijding van AIDS wordt homoseksueel gedrag niet veroordeeld. Volgens Annet Mooij in haar artikel over geslachtsziekten is de invloed van de komst van AIDS op de 'praktische en de ideologische verworvenheden van de seksuele revolutie' niet groot geweest.

Zoals gezegd, komen tegenwoordig steeds meer negatieve kanten van de seks aan het licht (incest, verkrachting, AIDS). Er moet echter een verschil gemaakt worden tussen wat nieuw is en wat nu ontdekt is. Zo laat Rineke van Daalen in haar artikel zien dat incest, als seksueel misbruik door familieleden, een verschijnsel is dat al veel langer bekend is bij instanties als bijvoorbeeld de kinderbescherming. Omdat de media steeds meer aandacht besteden aan gevallen van incest en ander seksueel misbruik, lijkt het alsof het hoort bij de negatieve gevolgen van de bevrijding van de seksualiteit. Je kunt het echter beter zien als een verdienste dat sinds er meer openheid is op het gebied van de seksualiteit, ook deze misstanden aan het licht komen.

Wat heeft de seksuele revolutie ons aan echt nieuws opgeleverd? Seks is dus mooi, goed en gezond en mag altijd en met iedereen (tenminste op basis van vrijwilligheid). De legitimering van de seksualiteit heeft, om met Evert Ketting te spreken, geen sociale grondslag meer (het huwelijk) maar een individuele (verliefdheid). Dat seks voor het huwelijk mag, is een verdienste van de seksuele revolutie. Dat het in toenemende mate gebeurt, kan echter niet aan deze revolutie worden gekoppeld. Ron van der Vliet laat in zijn artikel over de opkomst van een 'seksueel moratorium' (de tijd tussen de eerste seksuele ervaring en het huwelijk) zien dat er al voor de jaren zestig meer voor het huwelijk gevreeen werd. Ik denk dat je daaruit zou kunnen concluderen dat de praktijk op de norm vooruit liep. Men zou zelfs een stapje verder kunnen gaan en aannemen dat deze, zich al voor de jaren zestig veranderende praktijk een aanzet is geweest tot de seksuele revolutie in plaats van een gevolg. Van der Vliet zegt naar aanleiding hiervan: “ Het revolutionaire zat hem hoogstwaarschijnlijk ook meer in de toegenomen openheid over seks dan in de seksualiteit zelf. Die openheid maakte bespreekbaar en toelaatbaar wat al lang voor die tijd begonnen was.” De parallel met Van Daalens stelling over de rol van de openheid bij het signaleren van incest dringt zich op.

Ook Paul Schnabel schrijft over een toegenomen openbaarheid van de seksualiteit. Ter ondersteuning van deze gedachtengang haalt hij De geschiedenis van de seksualiteit van Foucault aan. Volgens Schnabel is het openbaar worden van de seks zeer opvallend omdat dertig jaar geleden seks nog steeds een niet-publieke zaak was. Zo moest bijvoorbeeld de socioloog Goudsblom in interviews die hij in 1959 hield, vragen over seksualiteit in zeer bedekte termen stellen. Tien jaar later kon men dergelijke zaken (in een onderzoek uitgevoerd door het weekblad Margriet) onverbloemd aan de orde stellen. Schnabel zegt in dit verband dat Foucault de Westerse samenleving karakteriseert als een 'bekennende maatschappij', die een “ heel apparaat in gang heeft gezet om ware vertogen over de seks te produceren”. Hij probeert met deze uitspraak van Foucault zijn stelling, dat de laatste dertig jaar meer over seks wordt gepraat, te onderschrijven. Paul Schnabel begeeft zich zo echter op gevaarlijk terrein omdat Foucault juist het algemene idee dat seks in de negentiende en twintigste eeuw een verborgen zaak is (dus voor de bevrijding van de seks in de jaren zestig) ondergraaft. “ De seks zou worden weggestopt? Door nieuwe schaamtegevoelens worden verborgen en door de onverbiddelijke noodzaken van de burgerlijke maatschappij onder de korenmaat worden gezet? Integendeel, ze is huizenhoog opgelaaid, “ schrijft Foucault. “ Al honderden jaren geleden werd zij in het middelpunt van een geweldige eis tot weten geplaatst.”

EISEN

Nu de seksualiteit sinds de seksuele revolutie gezien wordt als iets goeds, heeft dat tot gevolg dat er andere en ook hogere eisen gesteld worden aan seks en seksuele relaties. Seks is niet zomaar een bij iedereen aanwezige eigenschap die altijd beschikbaar is om ervan te genieten. Seks gaat niet vanzelf, de deelnemende partijen moeten 'eraan werken' en erover onderhandelen. Hoe de eisen zijn veranderd sinds de jaren zestig, kunnen we lezen in het artikel van Hugo Roling over de vragenrubriek van het NVSH-blad Sextant, 'Wij willen weten'. Uit de antwoorden in deze rubriek blijkt dat het in het begin voornamelijk ging om een verbetering van de (huwelijks)relatie. Men moest, is de algemene teneur van de adviezen, meer rekening houden met elkaar en zijn- haar best doen voor de ander. In de jaren zeventig ging het erom te te ontdekken wat iedereen zelf prettig vond, en zich niet te laten opleggen wat de seksuele partner heeft bedacht. Dit laatste gold voornamelijk voor vrouwen; zij moeten zich niet meer laten onderdrukken door hun op genitale seks gerichte man.

Dit is overigens een mooi voorbeeld van een onbedoeld, maar leuk gevolg van het feit dat Het verlies van de onschuld een verzameling artikelen is van diverse auteurs. Zij bekritiseren of nuanceren elkaar namelijk af en toe op basis van verschillende gegevens. Roling zegt dat het thema 'je best doen voor een ander' verdween in de jaren zeventig. Het ging er toen om te weten wat je zelf wilde en datgene ook alleen maar te doen. Ook Paul Schnabel laat zien dat er een andere kijk op seksuele relaties kwam; men streefde steeds meer naar een 'goede' seksualiteit. Schnabel zegt daar echter het volgende over: “ Om het dat meer te maken, is op het gebied van de seksualiteit een streven naar 'gemeenschappelijk zelfontplooiing' (met als theoretisch hoogtepunt het gelijktijdig orgasme) nu de norm voor echte bevrediging geworden (... ). Zelfontplooiing houdt nu dus in hoge mate de 'wederzijdse anderbehaging' in.”

De tweede feministische golf veroorzaakte in de jaren zeventig bijna een tweede seksuele revolutie. De eerste revolutie, die door mannen werd gedomineerd, bevrijdde de seks van onderdrukking door een rigide zedelijke moraal, aldus Paul Schnabel. De tweede bracht de onderdrukking van de man door de vrouw, ook op seksueel gebied aan het licht. Er blijkt een seksueel belangenverschil te bestaan tussen mannen en vrouwen. Volgens feministen ging het in de jaren zestig vooral om de bevrijding van mannelijke seks. Vanaf 1970 eisen vrouwen de aandacht op voor hun wensen. Mannen willen voornamelijk coitale seks en vrouwen vinden dat er ook weleens wat meer aandacht mag zijn voor dingen als knuffelen, strelen en zomaar tegen elkaar aanliggen.

INCEST

De (h)erkenning van een bestaand machtsverschil tussen seksuele partners en de toegenomen openheid over seksualiteit maakt nog een ander aspect van seksuele onderdrukking zichtbaar: incest, of beter gezegd seksuele kindermishandeling. Rineke van Daalen laat in haar artikel zien dat er twee verschillende visies zijn op ('gewone') kindermishandeling en incest. Zij probeert aan te tonen dat beide verschijnselen echter wel degelijk iets met elkaar te maken hebben. Van Daalen beschrijft hoe kindermishandeling in de jaren zestig werd ontdekt door de medische wereld. Deze ontdekking werd in eerste instantie met grote weerzin ontvangen en resulteerde ten slotte in een puur medische visie op kindermishandeling. Met andere woorden: kindermishandeling is een 'ziekte', waarvan kinderen 'genezen' moeten worden. Tien jaar later 'ontdekte' men incest, en dat werd niet gezien als een ziekte maar als een maatschappelijk misstand, waarop, aldus van Daalen, een feministische visie werd losgelaten. Omdat het meestal meisjes zijn die door hun vaders, broers of ooms worden misbruikt, werd incest beschouwd als een teken van machtsongelijkheid tussen de seksen. Wie incest onder de aandacht bracht (artsen, feministen? ) en waarom daar een andere visie op is dan op kindermishandeling, wordt mij echter niet duidelijk. Immers, ook 'gewone' kindermishandeling is per definitie een uitvloeisel van machtsongelijkheid, alleen is deze niet seksueel bepaald. In die zin heeft Van Daalen zeker gelijk als zij zegt dat er niet fundamenteel anders tegen seksuele kindermishandeling hoort te worden aangekeken dan tegen 'gewone' mishandeling. Maar zolang als zij niet onder woorden kan brengen waarom er ooit volkomen verschillende visies op de twee categorieen mishandeling zijn ontstaan en waarom ze kennelijk zo hardnekkig zijn, heeft haar stelling iets van het intrappen van een open deur.

Van Daalen is overigens, samen met Schnabel, wel de enige auteur die werkelijk ingaat op het thema van de bundel, de narigheid die ook de 'bevrijde' seksualiteit met zich mee lijkt te brengen, en de consequenties die dat eventueel heeft. Alles bijeen genomen, zo valt op grond van deze bundel te verwachten, zullen die consequenties niet groot zijn. Volgens Schnabel is onze samenleving bovendien zo 'geseksualiseerd' dat, als we weer terug zouden moeten naar de restrictieve moraal van voor 1960, er een wereld zou instorten.