Schommelende olieprijzen een crime voor Indonesie

JAKARTA, 26 JAN. “Stel je voor: een dag na indiening van de begroting breekt er oorlog uit in de Perzische golf.

Ik moet er niet aan denken!'' Saleh Afiff, de Indonesische minister van ontwikkeling en directeur van het Staatsplanbureau, maakte dit grapje op 7 januari, de dag dat president Suharto de ontwerp-begroting presenteerde aan het parlement. Tien dagen later was het zo ver. Vier uur nadat de eerste bommen op Bagdad waren gevallen, steeg de olieprijs op de spotmarkten naar 35 dollar per vat om op vrijdag te kelderen naar 17, 5 dollar. Ruwe olie en aardgas vormen een belangrijke inkomstenbron van de Indonesische staat en dergelijke extreme prijsschommelingen maken de opstelling van een begroting tot een hachelijke zaak.

Die bewuste donderdagmorgen, 17 januari, besprak minister van financien J. B. Sumarlin de ontwerp-begroting met de commissie voor financien van de Kamer van Volksafgevaardigden, het Indonesische parlement. Veel aandacht kreeg hij niet, de parlementariers liepen zenuwachtig in en uit en ten slotte blies de minister zelf de aftocht, omstuwd door journalisten die hem vroegen naar de financiele consequenties van de zojuist uitgebroken oorlog. “Het is te vroeg voor voorspellingen', aldus een gehaaste bewindsman, “maar misschien moeten we de begroting aanpassen”. Geconfronteerd met een nagenoeg maximale onzekerheid wat betreft de ontwikkeling van de olieprijs, probeerden de Indonesische plannenmakers toch op zeker te spelen. In hun ramingen voor het begrotingsjaar 1991-'92, dat op 1 april aanstaande ingaat, gaan zij uit van een gemiddelde olieprijs van 19 dollar per vat. In zijn rede voor het parlement zei president Suharto: “De regering acht dit uitgangspunt realistisch en aan de veilige kant, hoewel ook deze norm sommigen hartkloppingen bezorgt.”

In de begroting voor het nog lopende begrotingsjaar werd uitgegaan van een gemiddelde olieprijs van 16, 5 dollar, terwijl dat gemiddelde als gevolg van de Golfcrisis inmiddels op 21 dollar ligt. Over de besteding van deze meevaller die wordt geraamd op 2, 2 miljard dollar, is de laatste maanden veel te doen geweest. Het parlement hield een kamerbreed pleidooi voor verhoging van de ambtenarensalarissen en militaire weddes, maar de regering zag hiervan af uit angst voor versnelling van de inflatie. Die bedroeg vorig jaar bijna 10 procent, twee maal zoveel als in 1989.

De oliemeevaller is inmiddels gereserveerd voor extra overheidsinvesteringen, maar minister van financien Sumarlin wilde deze middelen pas definitief toewijzen aan het einde van dit begrotingsjaar wanneer precies bekend is om hoeveel geld het gaat. Tijdens het parlementaire debat over de begroting 1991-'92 werd opnieuw gepleit voor een verhoging van de overheidssalarissen met 10 procent. Sumarlin hield echter voet bij stuk en zei alleen een dertiende maand te willen overwegen, mocht de gemiddelde olieprijs aan het eind van het kalenderjaar uitkomen op 21 dollar of meer.

Behalve de onekerheid over de olieprijs en de angst voor inflatie is er nog een derde factor die de regering noopt tot een terughoudend bestedingsbeleid. Met de stijging van de wereldmarktprijs voor olie lopen ook de kosten op van de binnenlandse energiesubsidies. De brandstofprijzen in Indonesie houden geen gelijke tred met de wereldmarkt en het verschil legt, naarmate de marktprijzen stijgen, een steeds groter beslag op de overheidsmiddelen. Uitgaande van een olieprijs van 19 dollar heeft de regering voor het komende jaar 1, 2 biljoen rupiah (ongeveer 1 miljard gulden) uitgetrokken voor deze subsidies.

Er klinkt de laatse tijd uit economenkring veel kritiek op deze brandstofsubsidies. De minister van financien wil er aan vasthouden om de inflatie te beteugelen en de minister van handel hoopt er de Indonesische export buiten de olie- en gassector mee te bevorderen. Critici beweren echter dat het exportvoordeel in het niet valt bij de subsidielast en dat de subsidies een ongunstige invloed hebben op het binnenlandse energieverbruik. Die laatste overweging vindt binnen het kabinet steeds meer weerklank. Begin deze week opende Suharto een nieuw booreiland in de Javazee. Bij die gelegenheid waarschuwde hij dat “periodieke aanpassing van de binnenlandse energieprijzen noodzakelijk is om het verbruik binnen de perken te houden en te voorkomen dat we binnenkort een olie-importerend land worden.”

Afgezien van de voorzichtige olieprijsnorm is de begroting voor 1990- '91 ambitieus. De regering mikt op een verhoging van de uitvoer de olie- en gassektor met 18 procent. Indonesies belangrijkste niet-olie exportprodukten zijn - in volgorde van belang - multiplex, kleding en bewerkte rubber. Daarnaast wil de regering, om de schuldenlast terug te dringen, het buitenlandse aandeel in de financiering van ontwikkelingprojecten terugdringen van 66 procent gedurende het lopende begrotingsjaar naar 51 procent in 1990-'91. Intussen moeten de ontwikkelingsuitgaven het volgende jaar met 23 procent stijgen. Prioriteit krijgt een vijftal sectoren: communicatie en toerisme, landbouw en irrigatie, onderwijs, mijnbouw en energie, en ten slotte regionale ontwikkeling - in die volgorde.

Nog onduidelijk is, welke gevolgen de Golfoorlog zal hebben voor de Indonesische economie. Veel hangt af van de duur van de vijandelijkheden en de economische weerbaarheid van de Westerse industrielanden. Een recessie daar zou realisering van Indonesies ambitieuze exportplannen aanzienlijk bemoeilijken. Minister van handel Arifin M. Siregar toonde zich deze week niet pessimistisch over de effecten van de oorlog. “Op de korte termijn loopt onze textielexport naar Europa en het Midden-Oosten terug als gevolg van te hoge risico's en verzekeringskosten”, aldus de bewindsman, “maar op de middellange termijn zal die handel zich herstellen en zal zowel Saoedi-Arabie als Irak voor hun wederopbouw behoefte hebben aan onze goederen en diensten” Dat de lijnvluchten van Europa naar Indonesie deze week maar half bezet zijn - wat zeer ongewoon is - hangt ongetwijfeld samen met het uitbreken van de Golfoorlog. Het is in ieder geval geen best begin van het 'Visit Indonesia Year 1991'.

    • Dirk Vlasblom