Saddams vorige oorlog

The lessons of modern war. Volume II, The Iran-Iraq War

door Anthony H. Cordesman en Abraham R. Wagner

647 blz., Westview Press 1990, f 131, 25

ISBN 0 8133 0955 7

Bijna negen jaar lang vochten Irak en Iran een bloedige vernietigingsoorlog uit. Hoe wel de voornaamste gevechtshandelingen zich langs het front in het grensgebied afspeelden, bepaalden ook de 'tanker'- en 'stedenoorlog' in belangrijke mate het beeld van dit conflict. Het was een strijd waarbij de combattanten op grote schaal moderne wapens tegen elkaar in stelling brachten. Wapens die voor een groot deel uit het Westen kwamen.

Zowel Anthony Cordesman als Abraham Wagner heeft veel publikaties op zijn naam staan over de conflicten in het Midden-Oosten en over de veranderingen van de militaire verhoudingen daar. Dit boek, The Iraq-Iran War, is het tweede deel in de serie The lessons of modern warfare. Het is geschreven voordat de Irakezen Koeweit binnenvielen en de VS een alliantie tegen Saddam Hussein in het strijdperk brachten. Niettemin heeft het boek een grote actualiteitswaarde. De lessen die uiteindelijk uit de oorlogshandelingen worden getrokken, hebben namelijk alle betrekking op een vraag die op het moment van publikatie nog hypothetisch was: waar moet het Westen rekening mee houden in het geval van een conflict met Derde-Wereldstaten die zijn voorzien van moderne wapensystemen?

PRECISIEBOMMEN

Het begrip 'moderne wapensystemen' roept onmiddellijk het door CNN versterkte beeld op van bommen die met een ongelofelijke nauwkeurigheid doel treffen. De suggestie wordt licht gewekt dat het vernietigen van vijandelijke doelen tegenwoordig makkelijker en eenvoudiger is dan vroeger. Een druk op de knop en een helse machine zoekt haar doel. En wie is niet in staat op een knop te drukken? Maar een 'slimme bom' kan alleen enig effect sorteren binnen een moderne, goed georganiseerde legermacht. Een legermacht die niet alleen over door laser geleide bommen beschikt, maar ook over een geolied 'command, control, communication en intelligence'-systeem (C3I). Een organisatie die de allerlaatste informatie over tactische doelen snel naar de geeigende legeronderdelen kan sluizen, waar dan op grond van doordachte beslissingen een actie kan worden ondernomen. High tech-wapensystemen boeten in Derde Wereldlanden automatisch aan effectiviteit in. The Iran-Iraq War zit vol met voorbeelden van ondoelmatigheid, inefficientie en stommiteiten. Dat werd bij de aanvang van het conflict al duidelijk.

OORZAAK

Het Iraans-Iraakse conflict heeft een lange voorgeschiedenis. De animositeit tussen Perzen en Arabieren dateert van eeuwen her. Daarbij was in Irak in 1980 in tegenstelling tot Iran, een seculier bewind aan de macht. Een bewind dat zijn handen vol had met een aantal minderheden, Koerden in het noorden en shi'itische Arabieren in het zuiden. De Iraanse leider Khomeiny, die in de Iraakse, heilige stad Nejaf had gestudeerd, zette niet aflatend de shi'itische geestelijken in Irak op tegen het wereldlijke bewind in Bagdad. Ook de Koerden, die in een aantal olierijke provincies woonden en een grotere mate van autonomie wensten, wisten zich door de ayatollah gesteund. Dan was er nog de grensproblematiek rond de Shatt al Arab-oever en het in Iran gelegen olierijke Khuzistan met haar Arabische minderheid. Vanuit de bestaande animositeit was de Iraakse invasie misschien niet onbegrijpelijk. Voorafgaand aan de invasie waren er trouwens al talrijke 'speldeprikken' over en weer geweest, waarbij Iran ook niet schroomde op Irak artilleriebeschietingen uit te voeren.

Iran leek in 1980 weerloos. De sjah was verjaagd, het indrukwekkende leger, dat hij met behulp van Amerika had opgezet, scheen door de aanhoudende zuiveringen ondermijnd. Er waren allerlei groeperingen die de mullahs hun macht betwistten. Kortom, het leek Saddam Hussein nu of nooit. Het zou een ernstige misrekening blijken.

De Iraakse leiding, zo is het oordeel van de auteurs, heeft niet beseft dat een aanval op Iran daar een aanleiding zou zijn om de rijen te sluiten, ook al was het land ten prooi aan revolutionaire woelingen. Irak ging uit van een korte oorlog, niet langer dan tien tot veertien dagen, waarbij een aantal plaatsen en een paar olievelden veroverd zouden moeten worden. Er werd geen rekening gehouden met Iraanse tegenstand. Nadat Irak zware artilleriebeschietingen op Iraanse burgerdoelen had uitgevoerd, werd het compleet verrast toen Iran hetzelfde deed.

Van coordinatie tussen Iraakse operaties ter land en in de lucht was in het beginstadium van de oorlog vrijwel geen sprake. Bovendien waren de Iraakse luchtaanvallen tijdens de eerste dag van de aanval (22-9-80) op vliegvelden en legerplaatsen zo slordig dat de Iraniers moeite hadden erachter te komen wat nu eigenlijk de doelen waren geweest. De bommen waren meestal verkeerd afgesteld zodat ze niet of te laat ontploften. Onbeschermde vliegtuigen werden niet vernietigd, want dat was niet in het draaiboek opgenomen.

FALEN

Het falen van de Iraakse luchtmacht was in aanzienlijke mate te herleiden tot het feit dat het land dictatoriaal werd (en wordt) geregeerd. Irak heeft een geschiedenis van militaire coups en pogingen daartoe, reden voor Saddam Hussein om de militairen te wantrouwen. Daarom was slechts een beperkt aantal piloten voor training van de Mig-vliegtuigen naar de Sovjet-Unie gestuurd. De piloten zouden daar subversieve ideeen kunnen opdoen. Zo hadden de meeste vliegers alleen maar ervaring met acties tegen onbeschermde Koerdische dorpen.

Dat hun piloten door hun onervarenheid relatief maar weinig schade aanrichtten, kwam de Irakese legerleiding pas veel later te weten. Het gebrek aan mogelijkheden tot het schatten van de schade ('damage assessment') werd gecompenseerd met overdreven claims om superieuren tevreden te stellen. Toen het gebrek aan succes van het Iraakse luchtwapen duidelijk werd, werd het maandenlang vrijwel geheel uit de strijd teruggetrokken.

Beperkte vaardigheden, verkeerde informatie, overdreven schattingen en dit alles gekoppeld aan een slecht functionerende bevelstructuur. Door angst voor de top was een starre bevelvoering ontstaan. Niemand in het leger deed iets zonder bevel van hogerhand. Afwachten was veiliger dan initiatief nemen. Het kostte Irak zeker vijf jaar om van zijn fouten op het slagveld te leren.

IRAN

In sommige opzichten was de bevelstructuur in Iran nog slechter dan die in Irak. De komst van Khomeiny was gepaard gegaan met grote zuiveringen in het leger en de opkomst van wat later een schaduwleger zou vormen, de Pasdaran e-Inqilal e-Islami oftewel het Corps van de Islamitische Revolutionaire Wachters. Pasdaran en reguliere troepen stonden de gehele oorlog door op gespannen voet met elkaar. Niettemin zouden de Iraniers nog dichtbij een zege op Irak komen. Het voornaamste wapen dat hen daarbij zou helpen was de massale inzet van jonge, ongetrainde kinderen, de Baseej. Zij vormden menselijke golven, die de mijnen tot ontploffing brachten, de munitie van de verdedigers uitputten en tenslotte de Iraakse stellingen overspoelden. De Irakezen vertrouwden aanvankelijk zonder enig voorbehoud op hun superieure wapens en werden volledig overrompeld door deze 'primitieve' wijze van oorlogsvoering.

Van 1981 tot medio '82 zien we succesvolle Iraanse offensieven. Na hun verliezen bij Abadan en noord Khuzestan kozen de Irakezen voor een statische verdediging. De stad Khorramshahr, ten oosten van Basra, werd versterkt met ringvormige aarden bolwerken, bunkers, prikkeldraad en mijnenvelden. Tanks en artillerie werden ingegraven. Mei 1982 vielen reguliere Iraanse troepen, Pasdaran en Baseej de stad op drie punten aan en liepen de Iraakse verdediging onder de voet. De Iraniers maakten meer dan honderd tanks, honderdvijftig pantservoertuigen en tussen de vijftig en honderd artilleriestukken buit. Saddam Hussein bood toen aan zich geheel uit Iran terug te trekken, maar Iran rook een overwinning en verwierp ieder vredesvoorstel. Irak groef zich verder in.

AARDEN WALLEN

Langs de grens met Iran werd een linie van aarden wallen opgeworpen. Bovenop die wallen waren observatieposten ingegraven. Luchtdoelgeschut, mortieren en ingegraven tanks moesten de oprukkende Iraanse infanteristen onder vuur nemen. Mijnenvelden en prikkeldraadversperringen moesten hun opmars vertragen. Juli '82 zette Iran de aanval op de zuidelijke Iraakse stad Basra in.

Vaak lukte het de Iraniers door te breken, maar Iraanse bevelhebbers konden met de Baseej en de Pasdaran tijdens de aanval geen contact meer maken waardoor de aanvankelijke successen niet konden worden geconsolideerd. Tegen gecoordineerde tegenaanvallen van Iraakse tanks konden op hun beurt de uitgeputte Iraanse infanteristen weinig inbrengen. Na tienduizenden strijders te hebben verloren, trokken de Iraanse troepen zich terug. De Iraanse gezaghebbers achtten toch een overwinning mogelijk door middel van hun grootscheepse aanvallen. Irak, dat over veel minder mensen beschikt, zou, gezien de gevoelige verliezen, op die manier langzaam doodbloeden.

ONMENSELIJK

Inderdaad voelde de Iraakse regering zich in toenemende mate in het nauw gebracht. Al eerder in de oorlog schijnt Irak sporadisch van gifgas gebruik gemaakt te hebben, maart eind november 1983, tijdens een van Iraans offensieven in het noorden, begonnen de Irakezen voor het eerst op grote schaal gifgassen te gebruiken. “ De Perzische insekten zullen verdelgd worden, “ heette het in de Iraakse propaganda. Bovendien ging Irak over tot wat later de 'tanker-oorlog' zou gaan heten, luchtaanvallen op de voor de Iraanse economie zo vitale olie-installaties en tankers.

Iran liet zich daardoor niet van verdere offensieven afhouden. In 1984 begon 'operatie Kheiber' om via de moerassen van het zuidelijke front de belangrijke weg tussen Basra en Bagdad te bereiken en af te snijden. Weer maakte Irak gebruik van strijdgassen, en het Iraanse offensief stagneerde na een verlies van vijftigduizend man. Volgens Cordesman en Wagner mogen de Iraanse verliezen van 1983 en 1984 echter niet op conto van Iraks chemische oorlogsvoering worden geschreven. “ Het was de combinatie zowel van Iraaks overwicht in vuurkracht, pantservoertuigen en vliegtuigen als van Irans onmacht zijn infanterie aanvallen goed te plannen en uit te voeren, “ schrijven zij. Gas zou slechts voor twee tot vijf procent van de verliezen verantwoordelijk zijn.

SCUD B

Terwijl de tankeroorlog nog aan de gang was, ging Irak nu ook Iraanse steden, met onder andere Russische Scud B raketten, bombarderen. Iran voert tegenbombardementen uit in de 'stedenoorlog'. Deze door Irak ingezette escalatie toont volgens Cordesman en Wagner een even tragische als veel gemaakte denkfout. Aanvallers geloven vaak dat een beperkte escalatie beslissend kan zijn. De onuitgesproken dreiging dat op een lichte escalatie wel eens een zwaardere kan volgen, zou de tegenstander moeten ontmoedigen. Maar in de praktijk werkt het zo niet. Bijna altijd maakt een beperkte verheviging van de strijd de vijand alleen maar nog bozer.

Begin februari 1986 lanceerde Iran een nieuw groot offensief. Het doel was het schiereiland Fao in te nemen, door te stoten richting Koeweit en Irak van de Golf af te sluiten. Hoewel Iran, geholpen door het feit dat het slechte weer de effecten van het Iraakse gas te niet deed, erin slaagde Fao in te nemen, wisten de Irakezen deze opmars tot staan te brengen. Ook Iraanse wanhoopsaanvallen richting Basra brachten geen doorbraak.

VUURSTEUN

Irak was zijn land- en luchttactieken namelijk aanzienlijk aan het verbeteren. Het had over de hele linie uitstekende defensieve barrieres aangelegd. Wegen achter die linies maakten snelle versterkingen mogelijk. En het had zijn 'command and control'-structuur doelmatiger gemaakt. Verkenningsvluchten en -missies werden beter uitgevoerd, het gebruik van helikopters won aan effectiviteit en de artillerie kon sneller en accurater vuursteun geven. Tankeenheden en infanterie leerden samen te werken. Ook werden de troepen die de chemische wapens bedienden, tot een elitekorps gemaakt. Geleidelijk kwam de mogelijkheid om een tegenoffensief in te zetten, in zicht.

De Iraakse raketaanvallen op Iraanse steden werden opgevoerd. Tijdens een offensief tegen de Koerden werden in de noordelijke stad Halabjah tegen de vierduizend burgers door mosterdgas omgebracht. Mede daardoor wonnen echter de raketaanvallen aan afschrikwekkendheid. Ofschoon de raketten slechts beperkte schade aanrichtten, zorgden zij, gekoppeld aan de dreiging dat daarbij ook gifgas zou kunnen worden ingezet, toch voor een ondermijning van het moreel. Maart '88 ondernam Irak zijn grootste offensief sinds 1980, en heroverde onder het inzetten van gifgas het zuidelijke schiereiland Fao. Steeds meer gebieden vielen na hevige gevechten weer in Iraakse handen. Bij het terugtrekken moest Iran enorme hoeveelheden materieel achterlaten. Toen Irak in juli van dat jaar Iran dreigde met gifgas als het zich niet uit Koerdis-tan zou terugtrekken, boog Iran het hoofd. Het laatste Iraakse gebied dat nog door Iran was bezet, werd verlaten. Op 20 juli zei Khomeiny: “ Het nemen van deze beslissing (het accepteren van de door Irak afgekondigde wapenstilstand) was dodelijker dan het innemen van gif.”

LESSEN

De belangrijkste les, aldus Cordesman en Wagner in dit enigszins houterig geschreven boek, die we uit dit conflict kunnen trekken, is dat de legers van autocratische staten uiteindelijk niet effectiever zijn dan die heersers zelf. Het kostte Irak bijna tien jaar om in te zien dat zijn leger professioneel moest worden georganiseerd. Maar nog vlak voor de wapenstilstand recruteerde het Volks Leger hardhandig mannen in de straten van Bagdad, en nog steeds bemoeit Saddam Hussein zich met beslissingen die door lokale commandanten moeten worden genomen.

Wat de high-tech-wapens betreft, menen Cordesman en Wagner dat, ofschoon geavanceerde luchtleidings- en radarsystemen, nachtkijkers en dergelijke beschikbaar waren, de oorlog tussen Irak en Iran vooral een 'visual-range war' was. De strijd werd gevochten tussen twee legers die grote hoeveelheden 'sophisticated' wapens hadden, zonder de juiste training, zonder de mogelijkheden van die wapens te kennen of te kunnen toetsen. Waarbij zij de kanttekening maken dat “ de zware nadruk op nachtmaneuvres en ingegraven positionele oorlogsvoering het ook voor de verfijnde systemen moeilijk maakt om accuraat infanteriebewe-gingen te bepalen.”

Behartenswaardig voor de troepen van de alliantie die momenteel voor Vesting Koeweit staan, is misschien de lof die Cordesman en Wagner de Iraakse artillerie toezwaaien. Voorts schijnt het dat de Iraakse landmachtonderdelen goed kunnen samenwerken als zij vanuit goede statische verdedigingswerken opereren. Wie zich tegenover dergelijke verdedigingswerken bevindt, krijgt van Cordesman en Wagner de raad zomin mogelijk de in die posities opgestelde tanks direct aan te vallen. De praktijk heeft geleerd dat deze tanks, samen met mortieren, luchtafweer en houwitsers een dodelijke kogel- en granaatregen kunnen genereren. Voorts worden de Gallieerden gewaarschuwd voor de 'Abadil', een computergestuurde 'multiple rocket launcher' die clusterbommen kan afschieten. Honderdvijftig meter boven het slagveld komen dan zo'n tweehonderd bommetjes tot ontploffing. En zijn de zware SAMs (surface to air missiles) bij beide legers tegengevallen, de SHORADS (short range defense systems) werken uitstekend en maken de inzet van helikopters een hoogst riskante onderneming.

Een kanttekening die ook voor de huidige situatie kan gelden, wordt gemaakt bij de effectiviteit van de luchtmacht. Wat het luchtwapen betreft, op dit gebied wordt, aldus Cordesman en Wagner, “ door de meeste legers de effectiviteit van hun kracht het scherpst overdreven”.

Maar de belangrijkste les die in The Iran-Iraq War wordt getrokken, is misschien wel dat Derde Wereld-legers bereid zijn enorme verliezen te lijden. Cordesman en Wagner betwijfelen of enig Westers land bereid zal zijn zich in een Derde Wereld conflict te begeven dat zoveel slachtoffers kost als de oorlog tussen Iran en Irak, “ zelfs als die slachtoffers aan de vijandelijke zijde zouden vallen”. De auteur is redacteur van NRC Handelsblad