Renaissance van de Australische sport

Gebronsde, gespierde Griekse goden: Australie leek in de jaren vijftig de ideale inwoners te hebben voor topsport. Vrijwel onverslaanbaar bij de internationale sportevenementen. Maar na de gouden tijden met fenomenen als Dawn Fraser, Muray Rose (zwemmen), Ken Rosewall (tennis) en Shirley Strickland (atletiek) ging het bergafwaarts met als dieptepunten het optreden tijdens de Olympische Spelen van 1972 en '76. Sindsdien wil Australie, qua inwonertal vergelijkbaar met Nederland, weer in de winning mood komen.

PERTH, 26 jan. - Wally Foreman noemt het de renaissance van de Australische sport. Tevreden kijkt de directeur van het Westaustralische Instituut voor sport (WAIS) terug op het afgelopen decennium. Eindelijk heeft de overheid weer oog getoond voor datgene wat het vijfde continent naar zijn mening een identiteit heeft gegeven, sport. Er is geld voor de ondersteuning van topatleten zodat er in deze tijd van recessie en zorg toch weer iets is om trots op te zijn.

“Toen alle sportmensen op de wereld nog gelijk waren en er geen regeringen bestonden die geld pompten in sport, deden we het geweldig. Maar in de daaropvolgende vijfentwintig jaar raakten we achter. Opeenvolgende regeringen hadden er geen belangstelling meer voor”, zegt Foreman.

De inhaalrace is begonnen. Aan de basis. “Het is hypocriet”, staat in een overheidsrapport voor een beter nationaal gezondheidsprogramma, “dat Australiers zoveel eisen van hun atleten maar ook lijdzaam hebben toegezien hoe via de politiek de lichamelijke opvoeding op scholen is gedaald naar een niveau dat in veel Derde-wereldlanden als inferieur zou worden beschouwd.”

In de ogen van Australiers is er een duidelijk verband tussen topsport en de lichamelijke degeneratie van de bevolking, die door hun uitgezakte lichaamsvormen de “appel- en peergeneratie” wordt genoemd. De verwaarlozing van de aandacht voor het fysieke welzijn speelde, naast de ontbrekende overheidssteun, een rol bij het teruglopende prestatieniveau. Nu het de atleten weer wat beter vergaat moet het vette volk volgen. Daryl Chapman, een voormalige rugby-international en nu hoofd van het Sportwetenschappelijk instituut van de universiteit van New England, zei er in The Bulletin over: “We zien dat onze sportmensen beter en sterker worden (... ) en we denken dat dit een aansporing is voor de hele Australische bevolking.”

Een volk op zoek naar aansluiting met de rest van de wereld. Het wordt geprobeerd met de bijna pathetische manier waarop steeds wordt ingeschreven op organisaties van grote sporttoernooien. Want met het Open Australische tenniskampioenschap en de omvangrijkere strijd om de America's Cup zeilen is niet het oog van de hele wereld op hen gericht. De wereldtitelstrijd zwemmen in Perth, die twee weken geleden eindigde, werd het grootste internationale sportevenement in Australie sinds de Olympische Spelen van 1956 in Melbourne genoemd. Maar de vlekkeloze organisatie, waarbij tot in de kleinste details was gedacht aan de belangen van alle betrokkenen van deelnemer tot toeschouwer, zal niet gelijk de ommekeer in het denkpatroon van de hoogste sportofficials teweegbrengen.

De ligging op het Zuidelijk halfrond betekent nu eenmaal dat er altijd een klimatologisch verschil is met de belangrijkste sportlanden. “Dat is een frustrerend gegeven, maar we zijn er aan gewend geraakt”, zegt Foreman. “Het verklaart een deel van de kracht van de Australische sporter. Hij is gewend om buiten zijn seizoen te presteren. Die isolatie heeft ons weerbaar gemaakt.” Dat vindt ook Dawn Fraser, de voormalige topzwemster en momenteel parlementslid voor New South Wales. “Wij hadden het in onze tijd altijd moeilijker dan anderen in de wereld. De afstanden die wij voortdurend moesten afleggen, de opbouw van het seizoen die anders moest zijn als je naar een belangrijke wedstrijd toewerkte... Maar het motiveerde ons ook enorm.”

De prestaties in haar tijd kwamen zo als vanzelfsprekend dat er te weinig werd nagedacht over de manier waarop die positie moest worden geconsolideerd. Die houding werd noodlottig. Want Australie, dat weliswaar met sporten als cricket, rugby en hockey wel hoog scoorde, kwam in de achterhoede van sportlanden terecht. De Olympische Spelen van 1972 in Munchen en die van 1976 in Montreal openden de ogen van de federale overheid. Er kwam weer geld voor de topsport. Momenteel is er een budget van 70 miljoen dollar (ruim 90 miljoen gulden), waarvan 58 miljoen van de federale overheid komt. Daarvan moet het op presteren gerichte programma betaald worden. Een beleid waarin menigeen zich aanvankelijk niet kon vinden.

“Want er werd destijds gekozen voor een structuur die typisch Europees was”, beweert Foreman. “Een gecentraliseerde aanpak met als basis het Australische Sport Instituut in Canberra.” Een blunder, vindt hij, van de eerste orde. “Het is de idee van de Sporthochschule in Keulen en in een klein land kan dat best werken. Met zes uur treinen ben je daar in alle uithoeken, maar je moet niet vergeten dat de afstand van Perth naar Sydney even groot is als van Londen naar Moskou. Van onze topatleten werd verwacht dat zij zich in Canberra zouden vestigen. Maar ouders wilden hun jonge kinderen niet zover laten gaan en volwassen sporters dachten er niet aan hun baan op te zeggen en met hun familie te verhuizen.”

Canberra heeft in de sportwereld dan weliswaar een bijna magische klank wegens de voortreffelijke voorzieningen en de technische know how, de locatie was allesbehalve ideaal. Foreman spreekt uit ervaring. Zijn vrouw Lynn - in 1981 Australisch kampioene 400 meter horden - kreeg er een beurs aangeboden, maar sloeg die af. Niet alleen wenste haar familie niet te verhuizen, zij wilde ook haar eigen trainer die zij als de grootste expert van het land beschouwde niet verlaten en verder had zij nog haar bedenkingen tegen het klimaat in Canberra. “Het heeft de slechtste winter van heel Australie, dus waarom zou je weggaan uit een deel van het land waar je wel het hele jaar kan trainen?”

Atleten werden weliswaar onder druk gezet omdat zij niet de financiele voorzieningen kregen die andere, mindere goden, wel werd gegund, maar de opbrengst van die ontmoedigingstactiek was onthutsend klein. Rond 1985 trok Canberra slechts 40 procent van de topsporters, de rest bleef dicht bij huis en zocht zijn heil bij een van de sportinstituten die in de diverse staten waren ontstaan. De decentralisatie ging zover dat bij de Spelen van 1988 in Seoul van de veertien medailles die Australie haalde er slechts vier aan “Canberra” konden worden toegeschreven. De eer voor het andere eremetaal, waaronder de gouden plakken van hardloopster Debby Flintoff-King en zwemmer Duncan Armstrong, werd mede opgeeist door een instituut in een van de staten. “Dat”, zegt Foreman, “was het bewijs dat we ons systeem moesten veranderen en de structuur werd inderdaad ook aangepast.” Canberra bleef het zenuwcentrum, maar er werd ook geld van de federale overheid doorgesluisd naar de andere sportinstituten: in Perth, Adelaide, Melbourne, Brisbane en op Tasmanie. “Wat we krijgen is niet veel, maar we hebben onze voet tussen de deur.”

Voor West-Australie was die aanpak onontbeerlijk. De grootste staat met het kleine inwonertal van 1, 5 miljoen, van wie er 1, 2 in Perth wonen, heeft een ambitieus programma voor de topsport. Turnen, zwemmen, hockey, roeien en atletiek hebben de prioriteit. De WAIS heeft daarvoor dertien coaches in fulltime dienst, een sportwetenschappelijke staf van drie personen en vijf administratieve krachten. Verder is er een accomodatie die voor geen enkele in het hele continent en misschien zelfs wel ter wereld hoeft onder te doen.

Om dat niveau te handhaven is het instituut voortdurend op zoek naar hoogwaardig gekwalificeerde trainers. Vorige week werd aangekondigd dat de Sovjet-turntrainer Andrei Rodjonenko is aangetrokken. Eind vorig jaar ging een afvaardiging uit West-Australie naar de voormalige DDR om er het sportinstituut van Leipzig te bezoeken. Daar boden de (Oost-)Duitsers aan zonder enige beperking informatie en advies te willen verstrekken op het gebied van de sporttechnologie en training. Hallam Pereira, adviseur van de Westaustralische sportminister Gordon Hill, kon bij terugkeer zijn enthousiasme niet onderdrukken. De uit Sri Lanka afkomstige ex-schoolslag kampioen die acht jaar lang sportwetenschap studeerde in Leipzig, berekende dat het zijn nieuwe vaderland “ontelbare miljoenen dollars en jaren van research” zou schelen wanneer het aanbod werd geaccepteerd.

Er is inmiddels een werkgroep gevormd die de aanbieding bestudeert. Pereira vindt dat een aantal Oostduitse ideeen moet worden overgenomen, waaronder de vroegtijdige selectie van kinderen op basis van aanleg. Foreman, lid van die werkgroep, denkt dat die aanpak niet valt te rijmen met de manier van leven op het vijfde continent.

Anderzijds weet hij dat Australiers bereid zijn ver te gaan als het aankomt op het leveren van sportprestaties. “Ze hebben een passie voor sport en een passie voor succes, die voor een belangrijk deel voortkomt uit onze geisoleerde ligging.” Daarom ook voorspelt hij: “We komen terug. Al zullen we nooit meer zo goed worden als we ooit geweest zijn.”

    • Peter de Jonge