Opkomst en ondergang van het moderne denken(ep)

Kosmopolis. Verborgen agenda van de Moderne Tijd

door Stephen Toulmin

297 blz., Kok Agora 1990, (vertaling Maarten van Marel, Cosmopolis. The Hidden Agenda of Modernity 1990), f 49, 50

ISBN 0 90 242 7688 8

'De filosofie staat geschreven in dat grote boek dat ons voortdurend open voor ogen ligt, het universum, maar men kan haar niet begrijpen wanneer men niet de taal leert verstaan en de letters leert kennen waarin het geschreven is. Het is geschreven in wiskundige taal en de letters zijn driehoeken, cirkels en andere geometrische figuren... ' Aldus schreef Galilei, die rond 1630 de grondslagen legde voor een nieuwe natuurwetenschappelijke interpretatie van het universum. Ongeveer tezelfdertijd legde Rene Descartes in zijn Discours de la methode het fundament voor een nieuwe filosofie, later benoemd als 'rationalisme', dat het universum wilde begrijpen door enkel dat te aanvaarden wat men even helder en duidelijk inzag als een wiskundig bewijs.

Volgens de gangbare visie begint het moderne denken ('modern' is hier de pendant van antiek en middeleeuws) rond 1630 met Galilei en Descartes. Zij, en later ook Isaac Newton, waren de bouwheren van een welgeschapen wereld waarin de orde van de Samenleving en de orde van de Natuur samen de met elkaar harmonierende tegendelen vormden van een Kosmopolis, naar het Griekse woord voor orde, kosmos.

Tegen deze gangbare opvatting wil de filosoof Stephen E. Toulmin zich verzetten in zijn Kosmopolis. Verborgen agenda van de Moderne Tijd. De orde van Galilei en Descartes overstemde volgens hem een eerdere, en andere aanzet tot modern denken in de Renaissance. Een aanzet die een humanistisch karakter had, open en tolerant van geest was, en een mild scepticisme ademde. Daarbij denkt Toulmin vooral aan Erasmus en Michel de Montaigne.

De tweede fase, die natuurwetenschappelijk en filosofisch van aard was, reduceerde in zijn 'verborgen agenda' van rigide rationalisme de wereld tot een tekst die zich enkel liet ontleden door de wiskundig geschoolde wijsgeer of wetenschapper. Tegenover de scepsis en het relativisme van Montaigne stelde Descartes zijn overwinning van de twijfel.

Fundamenteel voor deze tweede fase van het moderne denken, die gezichtsbepalend is gebleken, was Descartes' strikte onderscheid tussen geest en materie. De mens vormt in dit denken een brug tussen de scheppende, actieve rede enerzijds en de passieve, uit zichzelf onbewogen materie anderzijds. Voor irrationele emoties is in deze visie geen plaats: die trekken de mens naar beneden, naar het lichamelijke, terwijl het denken hem verheft. De navolgers van Galilei, Descartes en Newton waren ervan overtuigd dat de natuur werd geregeerd door een aantal vaste natuurwetten die bij de schepping in werking waren gesteld en die uitdrukking waren van Gods wil en wijsheid. Door die natuurwetten te ontdekken kon men Gods gedachten lezen in het boek waarover Galilei had geschreven. Op aarde en in de hemelen, zo was de opvatting, heerste een onveranderlijke orde die niet ouder was dan zo'n vijfduizend jaar. Die ook niet ouder hoefde te zijn, want de enorme tijdsduur (deep time) die nodig was om langzame geologische en biologische veranderingen te kunnen plaatsen, lag nog achter de horizon van dit denken. Het begrip 'natuurlijke historie' bestond nog niet, was een contradictio in terminis.

BANVLOEK

Het moderne denken vormt een indrukwekkend intellectueel landschap met helderbeschenen, regelmatige vormen die door Descartes en de zijnen in kaart werden gebracht. Dit denken lijkt het produkt van een stabiel en welvarend Europa waarin de banvloek van de kerk zijn bezwerende kracht had verloren. Niets is echter minder waar, betoogt Toulmin. De historici zien de zeventiende eeuw juist als een periode van crisis. Na het Concilie van Trente (... ) werden de teugels weer aangetrokken en Galilei werd met een strengere kerkdiscipline geconfronteerd dan Copernicus honderd jaar eerder. De godsdienstoorlogen, vooral de Dertigjarige Oorlog, verscheurden Europa. In zo'n wereld was geen plaats meer voor tolerantie en pluralisme. Daarom zochten Galilei en Descartes naar een rationele basis voor een bouwwerk van concepties waarop men kon vertrouwen in deze onzekere tijden.

Toulmin plaatst het moderne denken in een historisch perspectief. Hij beschrijft niet alleen het ontstaan maar ook de geleidelijke ontmanteling ervan. In 1755 publiceerde Immanuel Kant zijn Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels. Hij ging daarin uit van een veel langer bestaan van het heelal dan tot dusver werd aangenomen. Ook de Franse naturalist Georges-Louis Buffon veronderstelde in zijn Les Epoques de la nature een veel langere tijdsduur dan het bijbelboek Genesis en godgeleerden hem toestonden. In de tweede helft van de achttiende eeuw ging men natuur en geschiedenis met elkaar verbinden. Het heelal was niet langer Gods volmaakte en daarom onveranderlijke ontwerp. Het werd een bewogen wereld waarin dingen, dieren en mensen hun ontwikkeling hadden. Het ontstaan van een natuurlijke historie was de eerste aanslag op het moderne denken.

Sigmund Freud ondermijnde de cartesiaanse gelijkstelling van geestelijke activiteit en formeel rationalisme. Zijn herwaardering van seksualiteit en emoties vormde de volgende bedreiging voor het moderne denken. En rond 1900 doorbrak de quantummechanica het idee van een onbeweeglijke, passieve materie. Het universum van Newton, die uitging van een absolute ruimte en tijd, moest plaats maken voor het relativisme van Einstein.

RELATIVISME

Rond 1900 was de tijd rijp voor een terugkeer naar de geest van openheid, relativisme, pluriformiteit en tolerantie van het humanisme. Dat het er toen niet van is gekomen, wijt Toulmin aan de beide wereldoorlogen en de wereldcrisis. Hij ziet een duidelijke parallel met de crisis van de zeventiende eeuw. Het denken trok zich terug in een formele rigiditeit die Toulmin het duidelijkst aanwijsbaar acht in het neopositivisme van de Wiener Kreis, dat de werkelijkheid wilde terugbrengen tot wat zich in de abstracte termen van de logica liet uitdrukken. In het modernisme van de eerste helft van deze eeuw (een cultuurhistorische stroming, niet te verwarren met wat Toulmin onder het moderne denken verstaat) voltrok zich een zelfde formalisering. Dat zien we in de ongenaakbaarheid van de Nieuwe Zakelijkheid en in de rechtlijnigheid van Mondriaan, bij voorbeeld.

Pas in de periode 1965-1975 ziet Toulmin het einde van het moderne denken en een terugkeer naar de waarden van het humanisme. Men waardeert nu gevoelens op een manier die in het denken van Descartes geen plaats vond. Men ziet nu dat er in het scala van wetenschappen niet een universele methode is waarop zij zich kunnen of moeten beroepen, maar dat zij zich pluriform ontwikkelen. Het primaat van de natuurwetenschappen is voorbij; er is een grotere aandacht voor historische en antropologische (relativerende) aspecten van een cultuur. Misschien nog wel het belangrijkst is de nieuwe visie op de verhouding tussen mens en natuur. In het cartesiaanse denken was de denkende mens tegenovergesteld aan en verheven boven de natuur. In deze tijd maken nieuwe ecologische inzichten in toenemende mate duidelijk dat er een relatie bestaat tussen mens en natuur die men niet straffeloos kan verstoren.

In Kosmopolis presenteert Toulmin zich als een cultuurfilosoof met durf en breedheid van visie. Maar alhoewel hij op hoofdlijnen een plausibel en boeiend verhaal heeft geschreven, overtuigt hij niet in alle opzichten.

Men moet in de dialectiek geschoold zijn om het antagonistische begin van het moderne denken goed te kunnen waarderen: het is toch wel een moeilijk aandoende constructie die dat begin uitsmeert over honderd jaar en bovendien het eigenlijke moderne denken (dat van Descartes en de zijnen) tot het tegendeel verklaart van het oorspronkelijke moderne denken. Ook het einde van het moderne denken verloopt in de visie van Toulmin in twee fasen, waarbij het modernisme (als cultuurhistorische stroming) de rol speelt van laatste stuiptrekking van het moderne denken. Het modernisme is echter ook wel anders geinterpreteerd, als anti-positivistisch en als de vormgeving van een nieuw besef van ruimte en tijd. Daarom is de visie van Toulmin niet minder waar, maar zij past wel erg prettig in zijn model. Zijn Kosmopolis beschrijft niet alleen een modelmatige visie op de werkelijkheid, maar ontkomt daar zelf ook niet altijd aan. Kosmopolis lijkt soms op de plattegrond van een planoloog.