Oorlog verleent olielanden in Zuid-Amerika nieuwe bravoure; De OPEC mag uitkijken voor de bravoure van Mexico en Venezuela

LIMA, 26 JAN. Wat moet een land doen met 70 miljoen dollar aan extra olie-inkomsten? Het bericht, dat oktober vorig jaar uit de Equadoraanse hoofdstad Quito kwam, trok uiteraard de aandacht.

Het ging immers over een luxe-probleem, plomp verloren tussen de krantekolommen over schulden, hyperinflatie, recessie en andere kenmerkende verschijnselen van Latijns-Amerikaanse economieen.

Het 'probleem' van Equador is er alleen maar 'erger' op geworden. In de periode van Golfcrisis naar Golfoorlog bevestigde de olie zijn reputatie van 'zwart goud' in de belangrijkste drie olie-exporterende landen van Latijns Amerika: behalve Equador ook mede-OPEC-lid Venezuela en Mexico.

Het optimisme en het vertrouwen in de toekomst van met name deze laatste twee olielanden is dank zij de ontwikkelingen in de tweede helft van het vorige jaar zo groot geworden, dat zelfs de jongste prijsdaling de stemming niet kon bederven. Ook als de gemiddelde prijs in 1991 op vijftien dollar per vat zou uitkomen, zal dat niet van invloed zijn op de voorziene uitgaven in de publieke sector of op de afbetaling van de buitenlandse schuld, zo werd begin deze week verzekerd in Caracas en Mexico-Stad. Zowel Mexico als Venezuela heeft dank zij de extra inkomsten een reservepot kunnn aanleggen voor minder voorspoedige tijden.

De inval van Saddam Hussein in Koeweit op 2 augustus vorig jaar heeft dan ook voor een bonanza in Venezuela en Mexico gezorgd. OPEC-lid Venezuela verdiende vorig jaar 3, 6 miljard dollar extra dank zij de hoge olieprijs. Mexico registreerde een 25, 8 procent hogere afzet van zijn olie en olie-produkten tussen januari en november vorig jaar, goed voor in totaal bijna negen miljard dollar.

Het zijn extra inkomsten die de twee landen goed kunnen gebruiken. De Mexicaanse staatsoliemaatschappij Petroleos Mexicanos (Pemex) staat voor de opgave op korte termijn het sterk verouderde produktie-apparaat te vernieuwen, nu met de produktie van 2, 5 miljoen vaten ruwe olie per dag al zo'n 95 procent van de maximale capaciteit wordt gebruikt. Volgens sommige deskundigen kunnen die investeringen oplopen tot twintig miljard dollar. Als Pemex nalaat te investeren, zal de Mexicaanse olieproduktie teruglopen tot 1, 6 miljoen vaten per dag in het jaar 2005. Om aan de binnenlandse vraag te kunnen voldoen, zou het land dan netto importeur van olie moeten worden.

Om de investeringen te bekostigen en om een aantal uitgaven op korte termijn te dekken, heeft Pemex vorig jaar 2.500 miljard peso (zo'n 800 miljoen dollar) geleend op de binnenlandse kapitaalmarkt tegen rentepercentages die gemiddeld zo'n drie procent boven die van staatscertificaten lagen. Die schuld is nu al ingelost, dank zij de Golfcrisis.

Venezuela voert per dag 2, 3 miljoen vaten ruwe olie uit. De inkomsten die meer zijn dan negentien dollar per vat bij een bodemproduktie van 1, 9 miljoen vaten per dag, worden sinds eind vorig jaar in het zogenoemde Macro-economische Stabilisatiefonds gestort. Hoewel het fonds vooral is bedoeld om een eventuele terugval in de olieprijs tot onder de negentien dollar per vat op te vangen, kunnen met de huidige overschotten na jaren van bezuinigingen weer eens leuke plannen worden ondernomen.

In een recent vraaggesprek met de Mexicaanse krant Exelcior sprak coordinerend minister Miguel Rodriguez over een economische groei van zeven a negen procent in 1991. Rodriguez schreef de voorziene economische expansie toe aan “de oogstperiode die nu is aangebroken na de bezuinigingen in '89 en '90”. In deze drie jaar durende oogsttijd zal Venezuela volgens minister Rodriguez grote projecten op gang brengen in de aluminiumindustrie, de petrochemische sector en in de pulpverwerking. Deze investeringen hebben een gezamenlijke waarde van 6, 5 miljard dollar, waarvan overigens zeventig procent vreemd kapitaal zal zijn.

Behalve de groeimogelijkheden die de olie-bonanza aan Mexico en Venezuela biedt, willen de twee landen ook politiek munt slaan uit de nieuwe situatie. Met name Venezuela ziet in zijn positie op de oliemarkt - en als regionale leverancier - mogelijkheden om het informele leiderschap van Latijns Amerika op zich te nemen. Het gaat om een lang gekoesterde wens van Caracas, dat om te beginnen de Venezolaanse hoofdstad tot zetel van de Groep van Rio wil maken. In deze groep - een adviserend en consultatief orgaan op presidentieel niveau - zijn vrijwel alle Latijns-Amerikanse landen vertegenwoordigd.

Maar ook de OPEC mag wel uitkijken voor de bravoure voor de twee grote olielanden die zich ver van het conflict in het Midden-Oosten bevinden. De Venezolaanse oud-minister van energie en mijnbouw, Humberto Calderon Berti, riep de Mexicanen onlangs op om de handelspolitiek van beide landen nauwer op elkaar af te stemmen. Calderon sprak bij die gelegenheid over een naderend “proces van herstructurering en afbakening” van de OPEC na beeindiging van de Golfoorlog.

Het quoteringssysteem van de OPEC zal “wegens natuurlijke oorzaken” verdwijnen, zo voorspelde Calderon. Hij wees erop, dat Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten en Irak elk een voorraad olie van 95 miljard vaten in de grond hebben zitten, terwijl Venezuela bijna driemaal zo veel heeft. De aangetoonde reserves van niet-OPEC-lid Mexico bedragen bijna 68 miljard vaten.

Uit de opmerking van de oud-minister blijkt dat Venezuela en Mexico samen een grotere rol zouden kunnen spelen bij het manipuleren van de internationale oliemarkt. Daarbij lopen de belangen van die twee Latijns-Amerikanse landen parallel met die van hun belangrijkste klant: de Verenigde Staten. Want, zo redeneerde Calderon, wij zijn betrouwbare en (in politiek opzicht) stabiele leveranciers, die belang hebben bij modale en concurrerende olieprijzen ten opzichte van andere energiebronnen.

Maar voor Mexico en Venezuela is het vooral zaak niet te vroeg te juichen. Na de slopende jaren tachtig biedt de Golfoorlog deze landen in feite een tweede kans. Bij eerdere oliehausses in de jaren zeventig hebben ze immers verzuimd de investeringen te doen die nu onvermijdelijk zijn geworden om de toekomstige delving van het zwarte goud veilig te stellen.

De afbetaling van de torenhoge buitenlandse schuld fungeert wat dat betreft als waarschuwing uit een recent verleden tegen slecht economisch management en het verkwanselen van bodemschatten. Zowel in Caracas als in Mexico-Stad is dat signaal begrepen. In de begrotingen over 1991 wordt met uiterst conservatieve olieprijzen (van zeventien tot negentien dollar per vat) gewerkt en kondigt de overheid verdere bezuinigingen in de staatssector aan, terwijl bestrijding van de uiterst hardnekkige inflatie prioriteit blijft.

    • Reinoud Roscam Abbing