Onze prachtige, onvertaalbare poezie

“Nu moet u niet denken, “ zegt ze op zeker moment, “ dat wij in Frankrijk alles beter vinden. We moeten alleen weer wennen.”

Hella S. Haasse is terug in Nederland. In afwachting van een woning in Amsterdam, verblijft ze in een vakantiehuisje in Hollandsche Rading. Zodoende kijken we uit op een weiland met lopende meeuwen. De wind is oostelijk. Dat betekent zon, kou en de dreun van een snelweg.

Tien jaar heeft ze in de buurt van Parijs gewoond. Heerlijke jaren in een heerlijk huis, fijn gewerkt, veel vrienden gemaakt. Maar ja.

Haar beide dochters woonden in Nederland, de kleinkinderen dus ook. Je zag elkaar natuurlijk wel, maar lang niet zo geregeld als je graag zou willen. Bovendien bleek het voor haar werk toch handig dichterbij Nederlandse bibliotheken en archieven te wonen. “ En”, zegt ze, “ we worden ouwer.” Wanneer je een beroep moet doen op bepaalde voorzieningen, denk je in Nederland beter de weg te kunnen vinden.

Praktische redenen dus, geen sentimentele. Misschien komt dat doordat ze niet hier is opgegroeid, maar in Indonesie. Merkwaardig, juist in Frankrijk heeft ze vaak iets gevonden, dat haar aansprak omdat het aan Indie deed denken. Fransen zijn namelijk aan de ene kant zo dat ze je volstrekt met rust laten - men bewaart een natuurlijke afstand tot elkaar, die bij gelegenheid met een opgewekt soort hoffelijkheid wordt overbrugd. En men weet te improviseren. Van niets wordt iets gemaakt en achteraf besef je dat dat perfect gedaan was, juist niet met de Franse slag.

Ondertussen is zij daar in Frankrijk meer en meer gehecht geraakt aan onze taal. Alles om je heen gaat in het Frans. Als je je dan in het Nederlands aan het schrijven zet, gebeurt dat extra bewust en bedachtzaam.

Onze taal is krachtig en soepel en rijk, zeer beeldend, heel geschikt voor het schrijven van effecten van kleur en licht. De picturale kwaliteiten van onze taal zijn uitzonderlijk. Dat is wat altijd weer treft in onze poezie - wij hebben een prachtige poezie, die juist om deze reden onvertaalbaar is.

Van haar eigen werk, vervolgt ze, bestaan vertalingen in Engels en Frans. Beide vertaalsters kent ze goed en zo is zij zich bewust geworden van de moeilijkheden, die dezen ondervonden. In het Engels, in het Frans zijn gewoon geen woorden voor bepaalde Nederlandse nuances.

Veelal wordt onze taal erg slordig gesproken, en geschreven ook! Het is zelfs een beetje verdacht om daar niet aan mee te doen. Als je onze taal goed gebruikt, vinden veel mensen dat te netjes en netjes is in Nederland een diskwalificatie. Jammer. Zijzelf, ze beaamt het met jeugdige geestdrift, heeft het gevoel nog steeds in onze taal te groeien.

Een groot deel van die jaren heeft ze gewerkt aan Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern, het boek over Joan Derk van der Capellen, die leefde van 1741 tot 1784 en in 1781 een bijna revolutionair pamflet publiceerde onder de titel Brief aan het volk van Nederland. Pleitend voor moderne vrijheden, beriep hij zich op oude, welhaast feodale rechten.

In het begin van de jaren '80 was zij op deze man attent gemaakt. “ Omdat ik veel te weinig van hem af wist, ben ik zijn brieven gaan lezen, en de moties en adviezen die hij heeft uitgebracht in de Staten van Overijssel. Daarna ben ik, om zicht te krijgen op zijn tijd, er omheen gaan lezen.”

Van der Capellen als exponent van zijn tijd. Nederland was duidelijk in neergang. Toen stond in dat gesloten milieu van de ridderschap van Overijssel iemand op met gedachten, die ook leefden in Frankrijk, Engeland, Amerika, iemand die helemaal paste in een pre-revolutionair, pre-romantisch klimaat. Democratisering, een neiging tot rebellie, strijd tegen de vader, tegen de autoriteit - je treft het ook aan in de literatuur van die dagen en in de opera's van Mozart.

Nu heeft ze iets vergelijkbaars onder handen. Ze werkt aan een periode uit de geschiedenis van Indonesie. En dan zie je dat veel ambtenaren in 1830, 1840 al ideeen hadden die vooruitliepen op Multatuli.

“Maar in een opzicht”, zegt ze, “ was Van der Capellen opvallend Nederlands. Die man had net niet de Schwung, net niet de allure om een groot man te worden. Hij had de intelligentie, hij had het karakter, zowel in positieve als negatieve zin, maar miste datgene waardoor hij groter werd dan het schouwtoneel waarop hij opereerde, groter dan Nederland.”

Daar zitten we natuurlijk allemaal mee, dat we niet groter kunnen zijn dan Nederland. Alleen die kleine mannetjes en vrouwtjes van Rembrandt, die waren dat wel. Maar misschien was Nederland zelf toen ook wat groter.

“We zijn, “ zegt ze, “ een merkwaardig volk en we vinden het leuk om dat te zijn. Het is inderdaad heel bijzonder wat hier allemaal gebeurd is en het schreeuwt om een interessante analytische benadering. In Frankrijk merk je overigens, dat daarover in het buitenland weinig bekend is. Men interesseert zich er ook niet voor.”

Hier begon ons gesprek een beetje door elkaar te lopen. Niet dat we verschil van mening kregen, maar ik kan op dit punt niet reconstrueren wat haar inbreng was en wat de mijne. Het ging in ieder geval over de weerstand die Van der Capellen ondervond.

De Staten van Overijssel waren rabiaat. Van der Capellen deed afbreuk aan de belangen van zijn mederidders. Het paste niet, het hoorde niet. Dat zie je bij ons wel meer: iemand betrekt een ideologische positie, maar krijgt geen ideologisch antwoord, hij wordt bestreden met procedurekwesties en roddel. Dat maakt het allemaal wat flauw en flets. Tevens voorkomt dat moord en doodslag. Of dat nou typisch is voor Nederland? Om dat te kunnen zeggen, zou je meer moeten weten van diverse buitenlanden.

Terug in Nederland. Een meevaller is het landschap, toch ongelooflijk groen en gevarieerd. Een tegenvaller de drukte, vooral in het verkeer. Ze rijdt graag auto, maar niet bumper aan bumper. Waar je ook heen gaat, om het even op welke dag van de week, hetzij 's morgens vroeg of 's avonds laat, de weg is altijd vol. Als je normaal afstand bewaart, kruipt er meteen iemand tussen. Men houdt absoluut geen rekening met elkaar. In Frankrijk bestaat beslist meer consideratie.

“We moeten, “ zegt ze, “ gewoon weer wennen.”

    • Koos van Zomeren