Oervader van de oorlogsreportge

De Amerikaanse journalist Peter Arnett, voorspelde Max Pam vorige week in deze krant, zal heel beroemd worden als hij niet gedood, gelyncht of als spion opgehangen wordt.

Op dit moment is Arnett op weg een plaats te krijgen in het rijtje onsterfelijke oorlogscorrespondenten. Wat doorgaans uit het oog verloren wordt, is dat in de journalistiek het oorlogscorrespondentschap pas betrekkelijk recent zijn intrede gedaan heeft.

Op zijn grafsteen in St. Paul's Cathedral wordt William Howard Russell 'the first and greatest' oorlogscorrespondent genoemd. Russells verslag van de Krimoorlog (1853-1856) markeert het begin van een doelbewust pogen het thuisfront van de gang van zaken aan het front op de hoogte te houden door het inzetten van 'civiele' verslaggevers. Hij was - volgens eigen zeggen - 'the miserable parent of a luckless tribe'.

Voor de Krimoorlog plukten Britse krantenuitgevers het oorlogsnieuws uit buitenlandse kranten of ze maakten gebruik van de diensten van jonge officieren die brieven uit het frontgebied stuurden. Dit werd op den duur als onbevredigend ervaren. Niet alleen waren deze verslaggevers uit het militaire nest hoogst selectief in hun waarneming, ze begrepen bovendien weinig van actuele berichtgeving. Zo was het niet ongebruikelijk dat een soldaat-correspondent pas van een belegering melding maakte als deze reeds achter de rug was.

De hoofdredacteur van The Times, John Delane, besefte dat de traditionele methoden op de Krim niet zouden werken. De Britse oorlogsverklaring bracht - tot veler verbazing - een golf van enthousiasme teweeg. Arbeiders betuigden, luid scanderend en uit volle borst patriottische liederen zingend, hun steun. In Groot-Britannie voelde men dat het tsaristische Rusland haar imperium tot in Europa wilde uitbreiden, en dat het de taak van het Britse leger was om dit te verhinderen. Zo'n populaire oorlog bracht een behoefte aan nieuws teweeg die tot op dat moment haar weerga niet kende. The Times, de krant met de grootste oplage, moest in deze behoefte trachten te voorzien. John Delane besloot in februari 1854, nadat andere wegen om aan betrouwbare informatie te komen doodliepen, om Russell naar het slagveld te sturen.

William Howard Russell, op 28 maart 1820 in Lilyvale (Ierland) geboren, bleek een gouden greep te zijn. Zijn eerste schreden op het journalistieke pad zette hij in 1841. Hij werd toen door een neef ingeschakeld, die voor The Times de Ierse verkiezingen versloeg. Russell paste een geheel eigen werkwijze toe: de andere verslaggevers, zo redeneerde Russell, zouden ieder een andere politieke bijeenkomst bijwonen en zouden hierdoor het brede overzicht missen. Hij stationeerde zich bij de Eerste Hulp van het plaatselijke ziekenhuis en interviewde de kandidaten en hun tegenstanders, die na straatrellen werden binnengedragen. Russell schreef een goed en opwindend verslag over het geweld en, enkele dagen later, zelfs een hoofdartikel. Vervolgens werd hij bij de hoofdredacteur ontboden en ging hij met een free-lance-contract weer naar huis.

In februari 1854 vroeg hoofdredacteur Delane aan Russell of hij de Britse troepen naar Malta wilde vergezellen. Russell reageerde weinig enthousiast. Hij prefereerde bij zijn vrouw en twee kinderen te blijven, maar Delane haalde hem over door te verzekeren dat hij met Pasen weer thuis zou zijn. Het duurde twee volle jaren voor Russell Londen terug zou zien.

Hij bleef tot 30 maart op Malta en zeilde toen met de Britse troepen naar Gallipoli. Daarvandaan begon hij met zijn serie verslagen, gericht aan Delane, die hem zo beroemd zouden maken. Russell besefte snel dat het met het Britse leger niet zo goed ging. Het had immers, sinds Wellington bij Waterloo Napoleon had verslagen, niet meer gevochten en was zelfs niet meer bij een grootscheepse militaire operatie betrokken geweest. Hij beoordeelde de legerleiding als hoogst incompetent; de officieren bekeken de oorlog als was het een partijtje cricket. Terwijl de soldaten als vee in ongemeubileerde barakken werden gehuisvest en er voor de zieken zelfs nog geen bed beschikbaar was, hielden de superieuren zich onledig met het inspecteren van het tenue.

Russell speelde het probleem, waarmee elke oorlogscorrespondent vroeg of laat te maken krijgt, door naar de hoofdredacteur: “Moet ik deze dingen melden, of mijn mond houden?” Delane vroeg hem door te gaan en de brieven die hij niet in The Times gebruikte, liet hij in regeringskringen circuleren. Hiermee begon een proces dat uiteindelijk resulteerde in de val van het kabinet. Gekheid, onwetendheid, fouten, blunders, vergissingen; het waren in de verslagen van Russell steeds terugkerende woorden. In militaire kringen begon men zich met de aanwezigheid van deze luis in de pels ongemakkelijk te voelen. De opperbevelhebber van de troepen, Lord Raglan, kneep graag een oogje dicht als de lagere officieren de correspondent probeerden te ontmoedigen en te treiteren. Het doorsnijden van de lijnen van zijn tent vormde een favoriete uiting van onvrede; bij voorkeur als Russell binnen was.

Maar de journalist volhardde en toen het leger in september 1854 naar het schiereiland de Krim in de Zwarte Zee trok, verhuisde hij mee. Hier zag hij zich geconfronteerd met typische, met zijn metier samenhangende problemen: Hoe kon hij zich in uiterlijke zin onderscheiden van de rest? Vanaf welke positie zou hij het best een militair treffen kunnen waarnemen? Hoe komt men de feiten aan de weet waarop ze thuis zitten te wachten?

Toen de Russische winter inviel, moest de Ierse correspondent van The Times met lede ogen aanzien hoe het met het Britse leger van kwaad tot erger werd. Zijn relaas over de ontberingen die de manschappen moesten doorstaan en de onverschilligheid van de staf kreeg een steeds grimmiger toon. In een van zijn brieven aan Delane meldde hij wanhopig:''... er valt over de Britse Expeditie niets meer te melden dan haar zwakte en de ellende - ellende in alle vormen en afmetingen behalve de nederlaag; en daarvoor worden we alleen gespaard door de goedertierenheid van God, die hindernissen van modder en sneeuw tussen ons en de vijand opwerpt.''

Op verzoek van Delane ging Russell door met het rapporteren van de opeenstapeling van tegenslagen voor het leger. De regering ontkende in het openbaar in alle toonaarden de aantijgingen, maar bestookte achter de schermen het opperbevel met de vraag wat er mis ging.

De in het defensief gedrongen legerleiding reageerde op een wijze die nadien vaak werd toegepast. The Times, en Russell in het bijzonder, werden beticht van het in gevaar brengen van 's lands veiligheid en zelfs van het verlenen van steun aan de vijand. Zo schroomde Russell niet om in zijn verslagen melding te maken van aantallen: hoeveel stuks artillerie naar het front werden gestuurd, de positie van het geschut, de hoeveelheid kruit die voor bepaalde wapens nodig was, etc. Ongetwijfeld werden - aldus het anti-Times front - deze berichten, zodra ze in Londen aan de openbaarheid prijs werden gegeven, per telegraaflijn naar Rusland doorgeseind. Na de oorlog meldde overigens de commandant van het Russische leger in Sebastopol dat hij niets uit The Times had vernomen dat hem al niet eerder door zijn spionnen was verteld.

Russels berichten zorgden er - onbedoeld - voor dat tijdens de Krimoorlog de oorlogsverslaggeving een tweede, vernieuwende impuls kreeg. Op voorspraak van prins Albert, die het geschonden prestige door een afgemeten dosis contra-propaganda weer wat wilde opvijzelen, werd een nog maar kort daarvoor uitgevonden medium in de strijd geworpen: de fotografie. Roger Fenton, een weinig succesvol schilder die met regelmaat fotografische opnamen van leden van de koninklijke familie maakte, werd naar de Krim gezonden om vast te leggen wat er 'werkelijk' gebeurde. Immers: de camera loog niet. Fentons technisch perfecte foto's laten een oorlog zien waarin alles in orde en iedereen gelukkig is. Ze tonen keurig geklede officieren en etende, drinkende en rokende manschappen, een groep goedlachse Zouaven en Turken, een genoeglijk samenzijn van Franse en Britse troepen, een vredige scene in de stellingen of schepen in de haven van Balaclava. Als Fenton groepjes in staat van ontbinding verkerende soldaten in de modder zag liggen, voelde hij geen drang om zijn camera uit te pakken.

Nadat opperbevelhebber Raglan eind juni 1855 was overleden, werkte zijn opvolger, Sir Codrington, aan richtlijnen om de persvrijheid te beperken. Op 25 februari 1856 vaardigde hij een order uit die het beginpunt markeert van de militaire censuur: het werd verboden om melding te maken van gegevens die nuttig voor de vijand zouden kunnen zijn. Degenen die zich toch schuldig maakten aan het publiceren van de gegevens, mochten uit het oorlogsgebied gebannen worden. Het verbod kwam echter te laat: tegen de tijd dat dit nieuws Londen bereikte, waren de gevechtshandelingen definitief gestaakt. Maar het precedent was geschapen. Toen Groot-Brittannie een volgende keer bij een groot militair conflict betrokken raakte (tegen de Boeren), werd censuur al als juist en rechtvaardig aanvaard.

    • Cor van der Heijden