Niets verhullend afscheid van Ed van der Elsken

Bye, zondag, Ned. 2, 21.37-23.32u.

“In september hoorde ik dat ik kanker had, een kwaadaardige, dodelijke, uitgezaaide prostaatkanker.”

Ed van der Elsken heeft de dingen altijd duidelijk bij de naam genoemd, zijn geschreven en gesproken taal had dezelfde grofkorrelige en dramatiserende kwaliteit als de foto's en films die hem beroemd maakten. Dat onverhulde, niets verbloemende, niemand - zeker zichzelf niet - sparende, dat met cynisme vermengde poetische en die snelle afwisseling van warmte en intimiteit met terugduwende afstandelijkheid hebben hem en zijn werk tot letterlijk de laatste ademtocht gekenmerkt. Het doordrenkt ook de gefilmde registratie van zijn eigen langzame sterven, de - een kleine twee jaar overspannende - documentaire van 108 minuten die een schokkend, ontroerend, onthutsend zelfs en soms genadeloos ego-document werd. De film behelst een gevecht, niet tegen de dood, want die was onvermijdelijk, maar tegen de versuffing en ontluistering, tegen de waardigheid wegnemende wanhoop die bij kanker hoort. Het lukte Van der Elsken de film af te ronden, al moest hij af en toe jankend van de pijn doorzetten. Daarin ligt zijn overwinning.

Vrijwel onmiddellijk nadat Van der Elsken zijn ongeneeslijke ziekte aangezegd had gekregen, besloot hij tot het maken van de film. Ook zijn vrouw Anneke was van de noodzaak overtuigd. Hun nederzetting onder aan de IJsselmeerdijk benoorden Edam (een huis, schuren, caravans, een erf, sloten) werd aan de eisen van het filmwerk aangepast. Zo verscheen er een grote spiegel om het interieur visueel te vergroten en om het Van der Elsken mogelijk te maken sommige van zijn monologen zelf te filmen. Anneke zorgde voor weer andere opnamen, er zijn met een automatisch gestuurde camera gemaakte gedeelten. Ook hun negenjarig zoontje Johnny wordt in het verhaal betrokken.

Anneke en Ed van der Elsken hebben, tot vrijwel het einde - om de paar dagen, soms met tussenpozen van enkele weken filmend - volledigheid nagestreefd. Volledigheid over de ziekte, het verloop van de lichamelijke vernietiging, volledigheid ook over de met succes bekroonde moeite om geestelijk overeind te blijven, werkend aan fotoboeken en een tentoonstelling die nog moesten worden samengesteld, afgerond. Ook omdat, laat de hoofdpersoon niet na om mede te delen, er brood moet zijn op de plank van een weliswaar stervende, maar niet verzekerde free lancer.

De prostaatkanker, aldus verneemt de toeschouwer enkele minuten na het begin van de film, zou binnen enkele maanden tot de dood leiden. De enige manier om het leven op een waarschijnlijk zinvolle manier te verlengen was een operatie waarbij de teelballen moesten worden weggenomen, een castratie dus. Van der Elsken beschrijft gedetailleerd wat hem op de operatietafel overkwam en toont ook de gevolgen van de ingreep. Hij maakt er zelfs een grap over: “De stier werd een os, de hengst werd een ruin en ik ben de lul.”

De doorlopende tekst van Van der Elsken, uitgesproken op de van hem bekende nadrukkelijke en fragmentarische en wat rauwe manier, is fenomenaal, volgt haarscherp met literaire kracht het verloop van stemmingen, angsten en oplevingen. Hij vloekt soms, verwenst met wrange humor de in zijn lijf voortwoekerende tumoren, beschrijft de werking van de steeds heviger pijnstillers die hij moet innemen, veegt de tranen van woede en angst uit zijn ogen en praat door, ook als de pijn hem naar de dood doet verlangen. Het is tegelijkertijd hartverscheurend en hartverwarmend, dit ego-document van een levenslustig stervende die tot het laatst zijn waardigheid behield en ons, daarvan verslag doend, een monument naliet.

    • Bas Roodnat