Mickery: soms warrig, altijd avontuurlijk en onverhoeds

AMSTERDAM, 26 jan. - “Het geheel maakt voorlopig de indruk van een curieus initiatief; de levensvatbaarheid zal nog moeten blijken”, schreef een voorzichtige P. J. in het Algemeen Handelsblad van 9 december 1965, nadat Mickery zich de voorgaande avond had gepresenteerd met de door John van de Rest geregisseerde versie van het controversiele, want aan racisme gewijde Als er geen zwarten bestonden, moesten ze worden uitgevonden van Johnny Speight.

De naam Mickery, samengesteld uit de namen van het echtpaar Mik en Ritsaert ten Cate, prijkte toen nog op de zeventiende-eeuwse boerenhofstede Welgelegen aan de Rijksstraatweg in Loenersloot, waarin de deel tot theater (met 100 stoelen) was verbouwd, de hooizolder tot balkon en de ruimte voor de stallen tot foyer. Ten Cate ontving het premierepubliek in smoking. In die eerste voorstelling stonden acteurs als Ton Lutz, Ton van Duinhoven, Joop Admiraal, Henny Orri en Henk van Ulsen. Het decor was van Frank Raven.

Al een jaar later kwam het tot een breuk tussen het driemanschap dat de artistieke leiding vormde. Van de Rest en Raven vertrokken, Ten Cate ging alleen verder. Al na een half jaar had hij met het Traverse Theatre uit Edinburgh het eerste buitenlandse gezelschap in huis. En in 1967 arriveerde La Mama, de Newyorkse off Broadway-groep van Ellen Stewart, waarvan de lijfelijke aanwezigheid, de heftigheid en de ongegeneerde waarachtigheid zoveel indruk maakten, dat de reputatie van Mickery er onwrikbaar door werd gevestigd. “In het theater moet je zoveel mogelijk risico's lopen, “ zei regisseur Joel Zwick van La Mama - en het was alsof Ten Cate zelf aan het woord was.

Het echtpaar had grootse plannen met de verbouwde boerderij; er moest niet alleen theater in komen, maar ook beeldende kunst, literatuur en poetische zang (Boudewijn de Groot). Mik ten Cate, die bekende dat ze zich zorgen had gemaakt om “de makkelijke manier” waarop haar man met geld omsprong, liet in een interview doorschemeren dat de buurt wel eens mopperde over hun artistieke activiteiten: al die geparkeerde auto's gaven veel overlast en op het gemeentehuis moest elk biljet voor de vermakelijkheidsbelasting nog onwennig met de hand worden uitgeschreven. Maar intussen haalden ze een tweede revelatie naar Nederland: de groep van Pip Simmons uit Londen, die een sobere bewerking van The pardoner's tale van Chaucer kwam spelen. “Sommige van die groepjes arriveerden hier als zigeuners, “ schreef W. Boswinkel over de Mickery-ontdekkingen, “blij met een stuk brood en een slaapplaats, andere als goede toneelvaklui die alleen maar tegen redelijke onkostenvergoeding hun voorstelling wilden vertonen. En al die tijd stond Mickery erachter, zonder geld maar met veel goede hoop.”

De eerste jaren moesten de Ten Cates hun onderneming financieren uit de hulp van een clubje honderd-gulden-donateurs, hetgeen leidde tot opmerkingen over het vermeend exclusieve karakter van het vaste publiek. Toen er na drie jaar subsidie kwam (120.000 gulden), schiep de toenmalige cultuurminister Klompe daarmee een precedent: uit de experimenteerpot werden in 1970 alleen incidentele produkties gesteund, structurele subsidies gingen toen nog uitsluitend naar de grote, gevestigde toneelgezelschappen.

Toch bleef het lastig de eindjes aan elkaar te knopen. Ten Cate gebruikte de boerenhoeve regelmatig, tegen zijn zin, voor modeshows en voor bruiloften en partijen. Uiteindelijk was de prive-onderneming niet vol te houden. In februari 1972 trok de nieuwe stichting Mickery in de heringerichte Capitol-bioscoop aan de Rozengracht in Amsterdam. De trotse initiatiefnemer, die inmiddels ook op premieres in trui en spijkerbroek verscheen, kondigde een ambitieus programma aan. In deze krant heette het “de meest stimulerende theateronderneming die we ooit hebben leren kennen”.

Een van de eerste Amsterdamse voorstellingen was de Medea-bewerking van La Mama, waarover Jac Heijer zestien jaar later schreef dat hij erdoor letterlijkbij de lurven was gegrepen: “Voor mij was elke Mickery-premiere een nieuwe, verbazingwekkende, persoonlijke levenservaring, waard om de krantenlezers erover te berichten.” De jaren zeventig werden in artistiek opzicht de gloriejaren. Alles wat nieuw was in het theater, werd door Ten Cate gepresenteerd - soms warrig, onbegrijpelijk en lang niet altijd even indrukwekkend, maar voortdurend avontuurlijk en onverhoeds. De enige voorspelbaarheid school in de financiele zorgen waaronder Mickery gebukt bleef gaan. “Dat het altijd weer net op het laatste nippertje moet, dat er zo voor gestreden moet worden, “ klaagde Ten Cate in 1975 over de ministeriele steun. Hij zou die verzuchting nog vaak herhalen.

In de jaren tachtig liepen de internationale ontwikkelingen in het baanbrekende theater terug. Daarom ging Ten Cate steeds meer, al dan niet in samenwerking met anderen, zelf produceren, hoewel de Newyorkse Woostergroup, het Squat Theatre en John Jessurun nog steeds dank zij hem hier te zien waren. In de eigen produkties werd de rol die het theater in het televisietijdperk nog had te spelen een geliefd thema; zijn project Theater aan de televisie voorbij werd in 1985 vanwege het innoverende karakter bekroond met een eervolle vermelding in het kader van de theaterprijzen van de Raad van Europa. De sensatie van het nieuwe bleef evenwel steeds vaker uit. “Ook als een voorstelling mislukt kan ze nog van belang zijn voor de betrokkenen. En dat is geen weggegooid geld”, stelde Ten Cate onlangs nog. Toch is nu volgens bestuur en directie “de taak volbracht”.