It's so good

Meestal waren het 'overvliegers' op weg naar Duitsland, maar dat wist je niet.

Eerst hoorde je een aanzwellend en weer wegebbend zwaar gezoem, alsof er iemand met een diepe bas hoog in de verte aan het neurien was. Dat groeide tot een metalen koor. Je bed uit. In het begin nog onder de trap want bij het bombardement was bewezen dat je daar veilig zat, maar in stilte geloofde ik er niets van. Wel kleren aan en vluchtkoffertje in de vestibule. Maar op den duur gingen we gewoon in pyjama voor het raam staan om te kijken naar de zoeklichten, de kralen van het lichtspoor en de oranje kransen die bij ieder schot de monding van het afweergeschut versierden. Dan begon het te tikken op het dak; dat waren de granaatscherven. 's Ochtends gingen we ze zoeken. Sommige jongens hadden er een gevonden met een stukje koperen tempeerring er nog aan of met een gele streep verf. De scherven waren vlijmscherp gekarteld en als het gebeurde dat je toevallig meteen na het luchtalarm op straat was en je vond er een, dan was hij nog warm van de ontploffing. Ik kijk naar de televisie, zie het vuurwerk boven Bagdad en bedenk me opeens dat het alweer een voordeel is, de oorlog 'bewust te hebben meegemaakt'. Ik denk dat ik me wel ongeveer kan voorstellen hoe ze zich daar nu voelen.

De Amerikaanse televisie is een eigenaardig fenomeen, ook al in vredestijd, maar nu het oorlog is zie je het pas goed. Is er vrede dan heerst de retoriek van het genieten. 'It's so good', zegt vader, zijn mond half vol kippekluif, tegen het watertandend gezin. Auto's met onwaarschijnlijke eigenschappen razen door de commercials terwijl een man de begerenswaardigheden opsomt alsof hij een dove moet bepraten. Een jongedame worstelt vergeefs tegen haar libido terwijl ze met magisch penseel haar lippen verft. Hier is een produkt zonder cholesterol waarmee je moeiteloos honderd kunt worden; bij de volgende commercial worden de klonten echte boter in de pan gesmeten. 'It's so good.'

In de eerste dagen van de oorlog zijn er geen commercials uitgezonden. Ik geloof dat ABC de laatste was met een filmpje van American Airlines die een volledig geslaagd jong echtpaar naar de Bahama's brengt. Je ziet ze nog even door de branding spetteren, en dan is het weer terug naar de Perzische Golf. Bagdad. Daar gaat een raket door de schoorsteen, een andere door een voordeur. Het lijkt wel een commercial, de commentator levert er zijn commercialtoon bij.

Toen kwamen de eerste scuds op Israel terecht. Huizen in puin, doden, in paniek vertrokken gezichten, de terreur van de willekeur uit de lucht. Hoeveel doden? Drie. Hoeveel huizen verwoest? Een paar. Ik bagatelliseer niets. Iedere dode is het verschrikkelijkst als het je eigen dode is. Verwoesting en verschrikking moet je niet meten naar kwantiteit maar naar de verslagenheid van degenen die erdoor worden getroffen. Wel twintig keer heb ik de Israelische puinhopen op de televisie gezien - je moet het nieuws blijven volgen en misschien is er de eenentwintigste keer nog nieuwer nieuws - en al die keren werd het beeld begeleid door de nieuwe retoriek: die van de oorlog.

Intussen zijn er tegen de vijftienduizend aanvalsvluchten op Bagdad uitgevoerd. Niet alle bommen, neem ik aan, zijn door de schoorstenen van militaire doelen zo precies op hun plaats terecht gekomen. Saddam is nog niet geraakt, het schijnt dat hij een met Duitse hulp gebouwde bunker bewoont, zo diep onder de grond dat zelfs bij een atoomontploffing hoogstens de kopjes even rinkelen. Boven de grond doen de elektriciteit en de waterleiding het niet meer, of misschien zijn ze wel weer gerepareerd. De retoriek dondert het toestel uit. Niets over eventueel geraakte Irakezen, geen schatting, niets. Alleen vijftienduizend aanvalsvluchten.

Kan het allemaal beter worden beoordeeld door hen die de vorige oorlog 'bewust hebben meegemaakt'? Ik matig me niets aan, ik herinner me mijn vader, thuiskomend nadat vlak bij zijn kantoor op het Oostplein in Rotterdan een minder goed gemikte bom op een schuilkelder terecht was gekomen. Ik vond hem altijd een koelbloedige man; hij was 'zo wit als een laken' - oorlogsbeeldspraak! - en misselijk.

Op de televisie verschijnen Amerikaanse piloten die door Irakezen zijn neergeschoten. Gehavende gezichten, geterroriseerde ogen, met starre blik hun lesje opzeggend. Het is tegen de conventie van Geneve, de president heeft al geprotesteerd, maar ik denk: die hebben geluk gehad, ze leven. In de vorige oorlog zijn geallieerde piloten die boven Duitsland waren neergeschoten en per parachute geland, door de bevolking gelyncht. Wat doe je als vlieger als je na een geslaagd loslaten van de bommen terecht komt in een buurt die je zojuist hebt helpen verwoesten? Zeg je: “ Nee dames en heren, handen thuis, want ik heb hier de conventie van Geneve die zegt dat u mij niet mag aanraken” ? Helpt dat?

Ik koop mijn bekertje koffie bij een Irakees die iedere dag treuriger kijkt. Ik fax mijn stukjes bij een vrome jood die in treurigheid met zijn overbuurman gelijke tred houdt. Tussen Bagdad en Tel Aviv ligt de 23ste straat en het wederzijds gedaver van de ontzettende retoriek.

Ik geloof dat, als ik niet de naam had die ik nu draag, ik het liefst Pilatus zou willen heten.

    • S. Montag