Ithaka 6

Er is een boek van Homerus uit de 8ste eeuw voor Christus, waarin gebeurtenissen van nog langer terug zouden zijn opgetekend.

In dit boek, de Odyssee, wordt een eiland Ithaka beschreven. Er zou een hoofdstadje met een paleis hebben gelegen. Daarnaast bestaat er heden ten dage een klein eiland (30 maal 10 km) dat luistert naar de naam Ithaka. Wel toevallig. Elders in deze buurten zijn er - geinspireerd door een ander boek van Homerus - opgravingen gedaan, die hebben geleid tot de vondst van oude, voor die tijd grote en rijke steden. Helaas ligt er niet bij elk laagje stad een naambordje met jaartal plus andere gegevens. Een van de lagen stad daar zou het Troje kunnen zijn geweest. Is het dan merkwaardig, dat men op Ithaka ging graven? Men vond niets. Goekoop komt op grond van zijn interpretatie op N. O.-Kephalonia uit. Op grond van het volgende denk ook ik dat je voor Odysseus' Ithaka op Kephalonia moet zijn:

De ruines van steden uit de Mykeense tijd die op dit grotere eiland zijn gevonden. Van deze steden was Sami de grootste, deze stad zou Odysseus hoofdstad kunnen zijn geweest.

Vele Kefaloniers dongen naar de hand van Odysseus vrouw Penelope.

Homerus noemt Odysseus een afstammeling van Cephalos, de eerste koning en naamgever van Kephalonia.

Namen kunnen over de kaart schuiven: Het nabije Zakynthos heet naar een landstreek op de Peloponnesos. Het noordoosten van Kephalonia kan bijvoorbeeld samen met het huidige Ithaki een rijkje Ithaka hebben gevormd.

Elk argument op zich is misschien niet zo sterk, maar als je ze combineert stijgt de waarschijnlijkheid dat we op Kephalonia moeten zijn. Oudhistoricus Bommelje heeft volkomen gelijk dat het onmogelijk is om in bijvoorbeeld Sami het juiste laagje te vinden met de kreet “ Odysseus was then and then here”. Is het al niet leuk als we in de buurt zitten? Dit soort fantasievol speurwerk maakt dat (oud)historie boeiend wordt voor velen.

NAWOORD BASTIAAN BOMMELJE:

Dat C. H. Goekoops boek 'helemaal niet gaat' over de historiciteit van de Odyssee is pertinent onwaar. Het koninkrijk van Odysseus wordt onomwonden als realiteit gepresenteerd. “ Het is logisch, “ zo schrijft Goekoop zelf, “ dat Homerus aan de ruines van het paleis van Odysseus een bezoek heeft gebracht.” Uit welke tijd die ruines zouden stammen, blijft onvermeld. Wel volgen nog passages over de omvang van het rijk van Odysseus, het aantal schepen dat hij leverde voor de Trojaanse Oorlog, de exacte lokatie van de varkenstallen van de herder Eumaios, van het paleis en van de stad Ithaka, ja zelfs van 'de bron in het populierenbos': “ De fontein is een interessant object om naar te zoeken, want als men de fontein gevonden heeft, zijn de stad en het paleis van Odysseus heel dichtbij.” Er is zelfs een veel groter probleem dan het geloof in de historiciteit: in Goekoops boek lopen de wereld van de dichter Homerus en die van Odysseus onontwarbaar doorelkaar. Daardoor worden niet alleen de bewoordingen van Homerus becommentarieerd, maar ook die van Odysseus (vgl. bijvoorbeeld blz. 107 en verder), alsof de held ze zelf het in het oor van de dichter fluisterde.

Maar zelfs als we ervan uitgaan dat het Goekoop alleen te doen was om de beschrijving van de dichter, dan nog snijdt zijn betoog geen enkel hout. Afgezien van zijn geheel uit de lucht gegrepen suggestie dat Homerus op Ithaka naar zijn eigen wortels zocht ('' Hij wilde het land en de heldendaden van zijn voorvaderen beschrijven'' ), is het uitgangspunt dat Homerus een op eigen waarneming gebaseerde 'exacte en emotioneel gedreven beschrijving' van Ithaka gaf, volledig in tegenspraak met alles dat bekend is over de complexe ontstaansgeschiedenis van de op mondelinge overlevering gebaseerde epen, met alles dat bekend is over de archaische Griekse wereld in de achtste eeuw voor Christus (toen Homerus leefde - als hij ooit heeft geleefd), en met alles dat bekend is over de betekenis en functie van landschapsbeschrijvingen in de antieke poezie. Dat tot nu toe niemand Ithaka heeft kunnen lokaliseren, is geen wonder, want de beschrijving van het eiland is helemaal niet 'exact' maar bestaat voornamelijk uit typisch epische formules en epitheta ('rotsig', 'bebost', 'stamgrond van jonge mannen', 'van verre zichtbaar'). En dan ga ik nog voorbij aan Goekoops op niets gebaseerde beeld van Homerus als 'rondtrekkende dichter, die vele plaatsen in heel Griekenland (wat was dat in de achtste eeuw voor Christus? ) bezocht'.

Wat de opmerkingen van Drs. Smit betreft: zelden is zo duidelijk geworden hoe de smadelijk terugtocht van de archeologsche identificatie van 'Troje' is omgeslagen in een wilde vlucht voorwaarts: nu moeten we blijkbaar al tot de volgende eeuw wachten met ons oordeel. Over de vermelding van 'Troje' ('Wilusa' = 'Ilios') op Hittitische inscripties schrijft de door Smit vermelde Gurney zelf in 'The Hittites': “ So long as the greater problem of Hittite geography remains unsolved, the arguments (... ) cannot be regarded as conclusive.' Een understatement, lijkt me. Wat de Myceense identificatie van de Homerische plaatsnamen betreft, schrijft de vertaler van het Lineair-B J. Chadwick nu zelf in de herziene editie van zijn 'Documents in Mycenaean Greek': “ The attempts to reconcile them (i.e. de Myceense en de Homerische topografie) are unconvincing.”

Het belang van M. I. Finley in de discussie over Homerus, ten slotte, stoelt op het feit dat hij als eerste heeft gewezen op het fundamentele belang van een omvattende geschiedkundige argumentatie wanneer men iets wil beweren over de historiciteit van Homerus. De functie van orale poezie, de omstandigheden in Griekse wereld van de achtste eeuw voor Christus, de grote breuk tussen de Myceense cultuur en de cultuur van de Dark Ages, de relatie tussen archeologische vondsten en historische conclusies, de grenzen van onze kennis aangaande de oudheid, dat alles tezamen pas leidt tot een samenhangende theorie over de epen. Daarin is geen plaats voor de overtuiging dat Homerus zo maar de historische of geografische 'werkelijkheid' beschreef, maar wel voor geschiedkundige argumenten. En als Finley een ding duidelijk heeft gemaakt, dan is het dat de wil om te geloven geen argument is.

    • Rob Jeltes