Introvert, neurotisch, precies

DEN HAAG, 26 jan. - Op het podium van de Schonbergzaal van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag staat een doolhof van lege stoelen.

Alleen in het midden zitten twee trompettisten, vlak voor de bok van de dirigent. Van daaraf kijkt componist Mauricio Kagel afwisselend gespannen in zijn partituur en naar de beide musici. De grote zaal is leeg, op drie verstokte muziekliefhebbers na. Dit is een openbare repetitie van Morceau de Concours, een compositie die Kagel speciaal voor de gelegenheid, het Kagel-project van het Haagse Conservatorium, heeft bewerkt. De oorspronkelijke versie uit 1972 is voor geluidsband en een trompettist die behalve trompet, ook zink, klaroen en tromba ta tirarsi speelde. In de nieuwe versie, waarvan de Welturauffuhrung komende maandag in het Amsterdamse Concertgebouw plaatsvindt, hebben de geluidsband en de exotische instrumenten plaats gemaakt voor een tweede trompet.

“Frasieren, frasieren, frasieren!, “ zegt Kagel tegen de musici voor hem. En oppassen dat die pauze daar niet kapot gaat. Huug Steketee van het Residentie Orkest en Willem van der Vliet van het Schonberg Ensemble doen hun uiterste best. Dat het knap moeilijk is, blijkt uit de zorgelijke gezichten. Toch komt er geleidelijk lijn in het werk, onder de intensieve begeleiding van de componist. De geluiden die Steketee en Van der Vliet produceren varieren van warme trompettonen, tot nerveuze riedeltjes en opzettelijk kale klanken met meer lucht dan toon. Een van hen mompelt een moeilijk verstaanbaar zinnetje in zijn toeter. Dat moet duidelijker, volgens Kagel.

De kantine op de eerste verdieping is gedurende het project ingericht als Italiaans restaurant, waar uitstekend gegeten kan worden. Aan een paar tafeltjes zitten studenten de afgelopen dag te evalueren. Af en toe valt de naam Kagel, maar er wordt ook over de reguliere lessen gesproken. Want het Kagel-project mag dan ontwrichtend werken op de lesprogramma's, de data van de tentamens in het komende voorjaar zijn onverbiddelijk, en niet iedereen is even enthousiast over Kagels muziek. In de kantine beneden is van Kagel-sfeer geen sprake. Daar zitten studenten landerig te wachten tot hun naam wordt omgeroepen als er weer een repetitiekamer vrijkomt. Een studenten-strijkkwartet bood enkele dagen geleden al een alternatief voor Kagel, zo blijkt uit een pamflet waarop de lezer wordt aangesproken met de vraag: 'Kagel beu? '

Het concert van woensdagavond in de Van Baarenzaal trekt redelijk veel publiek. Uitgevoerd wordt Acusta uit 1968-'70. Kagel leidt het werk zelf in en is een van de uitvoerders. Hij demonstreert enkele van de door hemzelf bedachte instrumenten, die hij liever 'experimentele klankvoortbrengers' noemt. Het is verleidelijk om ze allemaal te beschrijven: de reuzekam met een vel papier, het verstilde blaasbalgje, de sandalen met dubbele, klapperende zolen en het raampje dat open en dicht gaat. De gewone instrumenten worden op een ongewone manier behandeld: vibrafoon-staven vallen luidruchtig op de grond, een viool wordt 'bekrast' met een houten stok, een klarinet geeft een hesige toon. Prachtig klinkt de gitaar die wordt aangeslagen door een lapje stof aan een draaiende ventilator.

De vier musici, die het werk in twintig jaar al ongeveer honderdvijftig keer hebben uitgevoerd, reageren op elkaar en op zichzelf met behulp van het akoestische materiaal dat ze tot hun beschikking hebben, muziek als taal. De handelingen om de instrumenten te bespelen staan exact genoteerd, maar de volgorde en het moment van beginnen is vrij. Daardoor is iedere uitvoering van Acustica uniek. De volstrekt introverte musici voeren hun handelingen uit met een neurotische precisie. Soms ontstaan er mooie muzikale momenten, een ritme dat even voortduurt, een contrapunt dat een zekere spanning oproept. Kagel wil met zijn esthetiek een beroep doen op de fantasie van de luisteraar. Het publiek kijkt, gniffelt af en toe en is gefascineerd door de akoestische vondsten. Maar het is de vraag of dit werk ook bij een tweede keer luisteren, als het onverwachte er af is, voldoende spanning oplevert. Zijn deze geluiden op zichzelf interessant genoeg?

Donderdagavond dirigeerde Reinbert de Leeuw het Symfonie-orkest van het conservatorium, een concert dat vrijdag in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg werd herhaald. Hier was de nieuwere Kagel aan het woord. Aan de tijd van compromisloos experiment lijkt een einde te komen. Af en toe slipt er nog een ideetje doorheen, zoals in Szenario uit 1981-'82, waar de strijkers worden aangevuld door een bandopname met geluiden van honden. Maar het gebeurt subtiel, het gejank blijkt redelijk opgenomen te worden in de vioolklanken, alleen een luidruchtig geblaf geeft extra accenten. In Ein Brief (1985-'86) leest een zangeres een brief voor. Alleen de aanhef 'liefste' is te verstaan, dan volgt een schreeuw van verbijstering en de rest is een lied zonder woorden. De lezeres, voortreffelijk vertolkt door Lucia Meeuwsen, moet alles uitbeelden met gelaatstrekken en een enkele gezongen vocaal. Naar de sombere inhoud van de brief kan men slechts gissen.

De twee overigens werken, Musik fur Tasteninstrumente (1978-'88) en Tantz-Schul (1985-'87), zijn pure klank zonder theatraal effect, ondanks de ideeenrijkheid die Kagel eraan ten grondslag legt. Die is slechts een verantwoording voor het gebruikte klankmateriaal, zoals andere componisten uitleggen waarom ze een bepaalde tonenreeks gebruiken. Kagels metier is voor mij de combinatie van theater en muziek. Ik merk, dat ik zijn 'absolute' muziek vrijwel steeds aan de lange kant vind, dat ik de discussie over muziek uit Kagels andere werken ga missen, dat er weliswaar fraaie momenten in de muziek zitten, zowel in de samenklanken als in de ritmische uitwerking, maar dat ik daarmee niet tevreden ben. Hoe goed en enthousiast de studenten van het conservatorium-orkest onder leiding van Reinbert de Leeuw ook speelden.