Hongaarse leider: Vatra manipuleert met historische trauma's; Touwtrekken om rechten van Hongaren in Roemenie

BOEKAREST, 26 jan. - Op 5 januari 1990, twee weken na de dramatische val van Nicolae Ceausescu, vaardigde het Front van Nationale Redding een verklaring uit over het herstel van de rechten van de minderheden in Roemenie.

De euforie over de revolutie was toen al aan het tanen. Maar de Hongaarse minderheid was enthousiast over de verklaring, en de regering in Boedapest was dat ook, want aan de lijdensweg van de zo lang getergde minderheden in Roemenie was nu dan eindelijk, eindelijk een eind gekomen.

Of niet? Drie maanden na dato gingen Hongaren en Roemenen in het Transsylvaanse Tirgu Mures elkaar te lijf met een fanatisme dat de wereld verbijsterde en nog altijd ligt de verhouding tussen de beide bevolkingsgroepen zo gevoelig dat een parlementaire commissie van onderzoek maandenlang moest nadenken voor ze tot de conclusie kwam dat de uitwassen van Tirgu Mures het werk zijn geweest van naamloze en dus niet te bestraffen “plaatselijke extremisten”.

Jarenlang heeft Ceausescu veel van zijn energie gestoken in pogingen, de twee miljoen Hongaren in zijn land het zwijgen op te leggen, door hun universiteit, hun theaters, uitgeverijen, scholen en media te sluiten, maar vooral door met mensen te schuiven: Hongaren kregen stelselmatig werk toegewezen buiten het eigen woongebied en Roemenen werden overgeplaatst naar Hongaarse steden en dorpen, waar ter rechtvaardiging van de massale verhuizing onder de vlag van de socialistische vooruitgang in hoog tempo nieuwe fabrieken verrezen. In Tirgu Mures steeg het aantal Roemenen tijdens Ceausescu's bewind van 32 tot 49 procent van het totaal. Bovendien werd de sociale samenstelling van de Roemeense bevolking in Transsylvanie grondig gewijzigd: door de toevloed van een Lumpenproletariat van Moldavische en Walachijse boeren, die in de nieuwe fabrieken te werk werden gesteld maar niet werkelijk arbeiders zijn geworden, raakten de Transsylvaanse Roemenen - traditioneel wat meer sophisticated dan hun Moldavische en Walachijse landgenoten - in de minderheid. Vooral die 'nieuwe' Roemenen, onervaren in het vreedzaam samenleven met anderstaligen, voelen zich bang en bedreigd nu de Hongaren hun afgepakte rechten terugeisen. En van die angst wordt gebruik gemaakt: ze worden gemanipuleerd en ze laten zich manipuleren.

De Hongaren weten ook wel door wie: door Vatra Romaneasca (Roemeense Haard), de organisatie die begin vorig jaar werd opgericht met het expliciete doel de Roemeense normen en waarden te verdedigen tegen de Hongaren, en door Romania Mare (Groot-Roemenie), een scheldblad dat de afgelopen maanden alle records heeft verbeterd als het gaat om het stoken tegen en beledigen van andersdenkenden. Het wordt geleid door een van Ceausescu's voormalige hofschrijvers, Eugen Barbu, die al jaren geleden op honderdveertienvoudige plagiaat is betrapt en die inmiddels officieel als “fascist” uit de Roemeense Schrijversbond is gegooid. Zijn geesteskind opent met koppen als “1991 wordt het jaar van de internationale strijd tegen het Hongaarse terrorisme” en “Dominee Tokes liegt zonder schaamte en zonder vrees voor God” en bevat primeurs over zaken als de nakende inval van een half miljoen Hongaarse soldaten voor de bevrijding van Transsylvanie van het Roemeense juk.

Geza Domokos, schrijver en parlementarier, leidt de Democratische Unie van Hongaren in Roemenie, met 41 zetels de tweede partij van het land, na het Front van Nationale Redding. De opkomst van Vatra bevreemdt Domokos niet, want overal in Oost-Europa is na de val van de internationalistische ideologie van het communisme het nationalisme opgebloeid. De Hongaren raakten pas gealarmeerd toen Vatra “werd overgenomen door extremistische en chauvinistische elementen.” Er gaat van Vatra, vindt hij, een bedreiging uit ten aanzien van de Hongaarse minderheid, maar ook ten aanzien van de Roemeense democratie en de Roemeense weg naar Europa. “Vatra ziet door 'Europa' de Roemeense identiteit in gevaar. Ze houdt er etatistische, paternalistische en totalitaire opvattingen over de staat en de rechten van het individu. Op veel punten lijken haar denkbeelden op die van Ceausescu: de 'pure' natie, de 'homogene' bevolking. In die visie is geen plaats voor rechten voor nationale minderheden.”

Romania Mare is nog veel gevaarlijker, zegt Domokos: Vatra manipuleert met historische trauma's, maar Barbu's geesteskind slaat Vatra met lengten. “Romania Mare noemt ons, de Democratische Unie van Hongaren in Roemenie, openlijk een terroristische organisatie die moet worden verboden en waarvan de leiders uit Roemenie moeten worden gezet. En we weten dat dat soort opvattingen goed ligt bij nationalistische officieren in leger en politie.”

Natuurlijk: Romania Mare scheldt niet alleen de Hongaren maar elke andersdenkende uit: voor Eugen Barbu is iedereen die het niet met hem eens is een vijand, spion en landverrader, en hij schrijft dat zonder enige terughoudendheid. Maar, zegt Domokos, dat is maar een schrale troost: “Aan de ingezonden brieven kun je zien dat mensen het blad serieus nemen. Ik neem het dreigement, dat mijn lijk straks als voer voor de vissen in de Zwarte Zee drijft, tenminste wel serieus.”

Toch ziet Domokos lichtpuntjes: “Wie zegt dat 'er niets is veranderd' heeft ongelijk. We hebben weer Hongaarstalige scholen, we hebben weer culturele organisaties, Hongaarse bibliotheken en theaters. Er is een proces op gang gebracht. Wat ons bedroeft is dat de regering dat proces niet aanmoedigt. Wat er is is het werk van plaatselijke organisaties. Deze regering gelooft in individuele, niet in collectieve rechten en dat merken we. Als we dan ook nog zien dat er een voorstel bestaat om organisaties, gebaseerd op etnische of religieuze principes, te verbieden, hebben we reden tot zorg. Als dat voorstel wordt aangenomen, betekent dat ons einde.”

Ion Coja ontvangt zijn gasten met een duidelijk wantrouwen, dat plaatsmaakt voor een wat eenzijdige hartelijkheid als blijkt dat er Roemeens kan worden gesproken: dan worden er boeken gesigneerd en flessen wijn overhandigd. Coja, een hoogleraar Roemeense literatuur die originelen van Camil Ressu en Stefan Luchian aan de muur heeft hangen - niet de geringsten in de Roemeense schilderkunst - is vice-voorzitter van Vatra Romaneasca. Een culturele organisatie, noemt hij Vatra, zij het met “een nationalistische opvatting”. Europa? Ja, Europa is een bedreiging: “Roemenie betreedt het internationale waardencircuit, en onze cultuur en identiteit worden blootgesteld aan invloeden, modellen, modes en verleidingen uit de supra-nationale beschaving van het Westen.” En daartegen wil Vatra de Roemenen beschermen.

Dat Vatra daarbij vooral de Hongaren op het oog heeft wil Coja niet ontkennen. “Na de revolutie was er geen regering, geen leger, geen politie. Hongaarse extremisten hebben daarvan gebruik gemaakt door hun Democratische Unie op te richten. Dat gebeurde al op 23 december, de dag na de revolutie. Dat toont aan dat die organisatie ondergronds al bestond.” Die Unie, zegt Coja, heeft sindsdien een kwalijke rol gespeeld. “De Hongaren en de Roemenen hebben samen geleden onder Ceausescu en hebben samen op de barricaden gestaan. Maar de Democratische Unie begon direct te roepen dat de Hongaren meer geleden hebben en nu dus recht hebben op privileges. Vatra is gesticht als reactie op dat Hongaarse streven naar beloning.”

Het Hongaarse extremisme, zegt Coja, is alomtegenwoordig: hij rept van dagelijkse terroristische acties van de Hongaren, van de verdrijving van Roemeense priesters, onderwijzers en leraren uit Transsylvanie en van chauvistische propaganda van de Hongaren in Roemenie, in Hongarije en in de VS, die de media in de wereld tegen de Roemenen opzetten. Wij Roemenen, zegt hij, zijn het slachtoffer van de internationale lobby van de Hongaren, de Hongaren zijn meesters in propaganda. “Roemenie heeft nooit aandacht besteed aan propaganda, we dachten: we hebben gelijk, dus we hoeven geen propaganda te maken.”

Het argument dat de Hongaren onder Ceausescu rechten zijn kwijtgeraakt is niet aan Coja besteed: “Ze zijn geen rechten kwijtgeraakt, alleen privileges die ze kregen bij de vestiging van het communisme, toen de partij vooral door Hongaren werd geleid. Als er na de oorlog een minderheid in Roemenie is vervolgd, is het de Duitse, niet de Hongaarse.” De Hongaren, zegt hij, willen Transsylvanie bij Hongarije voegen of onafhankelijk maken. “Ze stichten onrust om aan te tonen dat Roemenie niet in staat is de orde te handhaven. Onrust is daarom nooit onze zaak: wij hebben er alleen belang bij de rust te handhaven.”

Dat Vatra achter de onlusten van Tirgu Mures zit is derhalve onzinnig, zegt Coja. “Tirgu Mures was het werk van de Hongaren. Zij hebben de zigeuners betaald die in Tirgu Mures op de Roemenen in zijn gaan slaan. Dat was een Hongaars scenario, dat we al sinds de Eerste wereldoorlog kennen. Het waren ook Hongaren die in 1914 de Servische nationalisten betaalden die in Sarajevo Frans Ferdinand vermoordden. Dacht u dat de Roemenen, de Tsjechen, Slowaken en Kroaten indertijd van de Oostenrijkers af wilden? Nee, ze wilden van de Hongaren af.”

En Romania Mare? Niet mijn lijfblad, zegt Ion Coja: “Ik lees het maar ik weet soms niet of ik moet lachen of huilen.” Maar het blad mag vulgair zijn, riooljournalistiek, veel van wat erin staat is wel waar, vindt hij. “Ze schrijven wat andere kranten niet durven publiceren, uit vrees voor gewelddadige reacties van de Roemenen. Romania Mare heeft die terughoudendheid niet.”

Wat doet Vatra eigenlijk concreet, tegen het Hongaars-Europese gevaar? Coja moet er lang over nadenken. Begin vorig jaar, zeker na Tirgu Mures, was de animo van de Roemenen om zich voor Vatra in te spannen groot: drie miljoen mensen, zegt hij, sloten zich aan. “Later is de aandacht gaan tanen. Nu hebben we nog maar een miljoen leden. En wat ze doen? De meeste leden weten eigenlijk niet wat ze moeten doen en ik kan het ook niet precies zeggen, ik ben een chef, maar ik weet niet wat een chef doet, ik moet dat nog leren.” Vatra, zegt Coja, publiceert boeken en bladen, dat is het wel zo'n beetje. “Het is vooral een probleem voor onze leden in provincies zonder minderheden. Die weten helemaal niet wat ze moeten doen en beperken zich tot sociale hulp voor bejaarden en gehandicapten.”

En Ion Coja zucht eens, zegt dat hij Geza Domokos nog voor een gesprek heeft uitgenodigd, maar die gaf geen antwoord. Dan staat hij op, verpakt nog een fles wijn in dun papier, een cadeautje, brengt zijn gasten naar de deur. Later staat hij ze nog lang na te wuiven uit het raam van de flat, de flat met de museumstukken van Camil Ressu en Stefan Luchian.