De gang des doods

Eind 1989 maakte Adriaan van Dis een reis door Mozambique. Derde verslag uit een verkwanseld land.

De obers van Hotel Cardoso wach ten achter een pilaar in de eet zaal. Ze laten zich maar gedeeltelijk zien: een rug, een elleboog, een hoofd en een hand die je vriendelijk naar een lege stoel wijst. Ze verstoppen zich voor de gasten, als acteurs in de coulissen. Tot de kok op een luik tikt. De een brengt de soep, dansend op zwart glimmende loafers, en de ander blijft achter de pilaar, de handen vol mandjes brood. Hoe druk het ook is, ze bedienen niet samen. Maar wie loopt, danst.

De derde avond heb ik beter zicht. De obers buigen weer, ik zie hun ruggen, hun ellebogen. Ik verschuif mijn stoel, zoek een andere hoek en zie twee schoenen, twee sokken, twee schoenen die weer sokken worden. De obers delen een paar schoenen. De pilaar is het rustpunt in hun schoenendans.

Geen licht, muf water in de kan, elke dag hetzelfde eten, alles verslonsd en kapot, maar de obers blijven heer. Hun trots zit in hun schoenen.

Er waait een wind in Maputo, een zoute wind die moeders met kinde ren op de rug een kontje geeft. Een wind die de wolken verjaagt. De riolen stinken niet meer, de mensen springen licht over de plassen en de gaten. Na Beira is het een bevrijdende wind. Mijn zonnebril doopt de palmbladbezems van de vuilnismannen in een transparante, zachtgroene olie. De vrouwen zijn mooi in lelijke kleren. Dit wordt een mooie dag.

Ik ga naar de bank en krijg voor een biljet van honderd dollar twintig stapels meticais. Mijn zakken puilen uit van de duizendjes. Het deert me niet dat ik er anderhalf uur op moest wachten en dat de bankbediende zes formulieren moest invullen. Vandaag wil ik de opbouw zien, de oorlog vergeten. Niet langer het kapotte. Ik zal nieuwe schoenen voor de obers kopen. Ik verklaar de dag tot allerschoenendag.

Op de markt is alles plastic en als het leer is zijn ze voor soldaten, te lomp voor een dans in de eetzaal. De deftige winkels grossieren in lege dozen. Een winkelier raadt me aan naar de schoenenfabriek te gaan, die heeft een ruime keus. Hij loopt met me naar buiten, schreeuwt, zwaait, en voor ik het weet zit ik in de auto van een jongeman die zich voorstelt als condutor. Zijn auto is een wonder van vlijt: zelfgevlochtten stoelzittingen, een in touw gewikkelde versnellingspook en de gaten in deuren en dak zijn met conservenblik gedicht. Alleen de bodem moet nog hier en daar. Straten schieten ons voorbij. De meticais wapperen in mijn borstzak. Bruine tanden lachen mij toe, voor een bundeltje wil hij mij de hele dag wel rijden.

De fabriek ligt aan de rand van de stad. Veel lijkt er niet om te gaan, want er groeit gras op de drempels van de grote deuren. De directeur, jong, met een geschoren scheiding, voert me langs oude trapnaaimachines en honderden houten mallen, al of niet met leer omtrokken. In de fabriekshal heerst de rust van een museum. Het werk ligt al dagen stil. Geen elektriciteit. Er is een schema in de krant afgedrukt op welke uren wijken en de fabrieken wel of niet stroom krijgen, maar daar klopt niets van. In een hoek zitten arbeiders met bierdoppen te dammen. “ Als ze in godsnaam maar niet vergaderen”, zegt de directeur. “ Dit is een kapitalistisch bedrijf... als er stroom is.”

Ook dit keer roept mijn huidskleur verwachtingen op. Heb ik niet dit? Zou ik niet dat? ... Een goed woord bij mijn ambassade misschien?'' De hulporganisaties kopen onze lokale produkten niet. Ze denken alleen aan het succes van hun eigen projecten. Alles moet vlug vlug. Ze geven hun arbeiders liever werkschoenen uit Zuid-Afrika dan dat ze meehelpen hier een fabriekje op te zetten.''

We keuren de zwarte herenschoenen. Waar het stiksel knopen vormt, haperden de machines. Hij wrijft de punten met zijn mouw op en houdt me de mooiste voor. Welke maat?'' Vierenveertig. Alle Mozambikanen hebben maat vierenveertig. De missie heeft ons nooit in andere laten lopen.''

Ik wil met extra dikke zolen. Hij zal twee paar voor me maken. Overmorgen zijn ze in het hotel. Nao ha problemas. De obers zullen samen dansen.

Condutor zet me midden in de stad af en zoent zijn bundel meticais. Dit is een dag om goed te doen. Zindert niet heel Maputo van de goede werken? De Landrovers van Oxfam, War on want, Safe the children, Consultel Italia, Care, Worldvision, ronken door de stad. “ Calamidades, calamidades, “ fluisteren de kinderen als gehaaste blanken hun auto's voor de deur van Care parkeren en naar willekeur een jongen als bewaker uitkiezen. . (Ik herken hun roodverbrande hoofden uit Polana, het hotel waar de Hulp op fluweel zit, met uitzicht op zee en volop licht, waar tijdens het middagbuffet de broekriem losser gaat om plannen te smeden tegen honger en droogte. Ik zat er en at er als een van hen, hoorde hun roddels in de wandelgangen, de beschuldigingen over en weer en ik zag de afgunst in hun ogen. Wie heeft de macht, wie haalt het meeste geld op, wie heeft de aangrijpendste foto's? De gerant die zoveel kleine nullen op de slip van een creditcard moet schrijven, kent ze bij een andere naam: Shave the children, Blurred vision.)

Alles wat hulp biedt is Calamidades. Het voedsel dat uit de lucht valt, het eten dat in de rieten stad wordt uitgedeeld, de vodden die in zakken uit de rijke wereld komen (een ander woord voor tweedehandskleren is calamidades). Wit is calamidades, ik ben calamidades. Ze roepen het me toe, ze trekken aan mijn mouw, en waar ik ook uithijg of zit, altijd komt er wel een man, vrouw of kind op me af. Om iets te vragen, om iets te hebben. Twee vingers op de lippen, een zuigend geluid en ik sta weer sigaretten uit te delen. Koffie drink ik nooit alleen. Ze schuiven aan op het terras en slurpen het zwijgend. Ze nemen muizehapjes van de cake, knijpen als dank in mijn duim en stappen weer op. Vraag ik naar hun doen en laten, dan is het weer oorlog. Ze zijn gevlucht, rouwen om familie, wonen in de rieten stad en zoeken altijd werk. Gaat het beter, dan delen ze een stenen kamer met moeders en tantes van heinde en ver. Vandaag laat ik hun klachten verwaaien.

Ik wandel door de brede lanen, hooggelegen met uitzicht op de oceaan. Rust uit onder bomen, zo zwaar in bloei: witte frangipani, paarse jacaranda, rode flamboyant. De zee heeft witte koppen, de boten in de jachthaven worden aan wal getrokken en op de pier trappen meisjes in lichtgevende bikini's hun zwemvliezen uit. Zachtbruin zijn ze, en mooi en rijk. Dochters van de buitenlanders die hier wonen, maar hun weelde stoort me niet.

Werkers reparen de straten. Op de Avenida Mao Tse Tung, Kim Il Sung en Friedrich Engels dampt het teer in de zon. Alleen de Avenida Karl Marx zit nog vol kraters. Maar ook hier dempt de Wereldbank spoedig alle gaten.

Ik laat me verdwalen in de 25-juniwijk, verken het 16-junipark, het 20-septemberplein. Alle heerlijke dagen van strijd zijn op de plattegrond geplakt. Samora Machel stijgt op uit een veld van witte overhemden. Schoolkinderen zingen strijdliederen en schikken bloemen voor de voeten van 's lands eerste president. Zijn benen zijn schoorstenen, de knopen van zijn jas groter dan een hand, een kind kan in zijn schoenen wonen. Goudkleurig is hij, geschonken door Noord-Korea en door Zuidafrikaanse kraanwagens op zijn sokkel gezet. Een meisje met een rode papieren bloem in haar haar zegt een gedicht op: “ O Samora, O Samora, Vader des Vaderlands. Wij zijn trots op onze eeltige handen.” De wind rukt haar bloem los, hij zweeft boven de kransen, wervelt weer op en valt voor me neer. Ik raap hem op, het meisje rent verlegen weg en met een buiging leg ik de bloem voor het beeld. De onderwijzer bedankt me, de schoolklas klapt, ze zien het als een eerbetoon. Wat weten ze van zijn tirades tegen wasgoed op balkons en vrouwen met lipstick en diploma's, zijn verheerlijking van de partij, zijn afschuw van bedelaars en hoeren - “ die walgelijke, stinkende, waardeloze mensen” ? De Mozambikanen houden van Samora. “ Hij was zo charmant”, zeggen de meisjes in de bibliotheek. “ Een begenadigd spreker, een man met visie”, hoor ik van de diplomaten. Een warhoofd dacht ik toen ik zijn pamfletten las, een man die zich verzette tegen moestuintjes in de stad terwijl zijn volk honger leed. “ Geen lapjes grond met groenten. We willen bloemen, we willen schoonheid.” Dag Samora, ik zal ernaar zoeken.

Het Cafe Continental op de Avenida 25de Setembro heeft nieuwe stoelen en mimosa op elke tafel. Het gedeukte zonnescherm ruikt naar zilververf. De blouses van de jonge vrouwen kraken van het stijfsel en ik kijk niet naar de modder op hun schoenen. Laat ik een voorbeeld aan de kranten nemen: altijd goed nieuws. 'Verkeerslichten in Maputo werken weer' (Er zijn er acht voor de een miljoen inwoners); 'De treinverbinding met Malawi is hersteld.'

“De winkels zijn voller”, zegt een jonge ambtenaar aan een tafeltje naast me. “ Het partijkader en de beter opgeleiden krijgen hun salaris nu ook voor een deel in dollars uitbetaald, we kunnen eindelijk weer wat kopen. Kijk, ik heb een nieuwe zonnebril”, en hij laat me trots de spiegelende glazen zien.

Maar het warenhuis hiernaast dan, een doolhof van lege etageres uit de jaren vijftig en planken vol verminkte chocoladehazen? Paashazen in november.

“Er zijn nieuwe kleren”, zegt een vrouw voor ons. Ze draait zich lachend om. “ Maak je toch eens los van je door luxe vertroebelde blik.”

Als de ambtenaar opstapt, bril op, tastend tussen de tafeltjes, komt ze naast me zitten. Ze heet Noemia, bietst een sigaret en neemt een slok van mijn bier. Het glas tikt tegen een Frelimo-speldje op haar borst. Al in Australie steunde ze de luta armada. Kort na de onafhankelijkheid kwam ze hier als cooperante. Ze geeft al veertien jaar les op een middelbare school. Er zijn nauwelijks boeken, te weinig stoelen en banken, er is geen schoolbord. Ze giechelt en mist een hoektand.

“But things have improved, mate.” Ze graait in haar tot op de draad versleten tas en blaast de kruimels uit haar adressenboekje. Ik moet haar vrienden zien, op het ministerie, in de Schrijversbond. Ik moet naar de velden om Maputo, waar 'iedereen' op zijn machamba werkt. Ze schrijft hun adressen achter in mijn dagboek, hoofdletters met streepjes tussen de namen, als een schooljuffrouw. Mijn ogen dwalen langs een uitgescheurd knoopsgat van haar blouse. Ze kijkt me brutaal aan, rukt de mimosa uit het vaasje en steekt een druipend takje tussen haar borsten.

“Ik ben met Mozambique getrouwd”, zegt ze.

“Als een non met de kerk?”

“Nee, zo heet hij. Mijn man heet Mozambique. Hij is wel de mooiste van het land, zwart, golden black.” Onwillekeurig kijk ik naar mijn armen, nog steeds roze.

“Europeanen denken dat het niet kan. 'Ga je niet te ver, Noemia? ' zeiden mijn collega's op school.” Haar lach schalt over het terras. “ Het is ook heel anders. Vrouwen doen hier het zware werk. Ik ook. We hebben twee kinderen en ik ben de enige met een baan. Men are governors. Bezit is hier nemen om te delen. Als ik een dag een auto leen, leent mijn man hem weer door aan vrienden die hem nog harder nodig hebben. Wat ik verdien is niet alleen voor ons gezin. Daarmee onderhoud ik zijn hele familie. Zijn moeder woont bij ons in en een broer en een zus. Iedereen zorgt voor elkaar.” Ze pakt mijn laatste sigaret. “ Zelfs de bandieten hebben een netwerk van mensen waar ze voor zorgen”, zegt ze dromerig in een wolk van rook. En dan, vastbesloten: “ Je moet hem ontmoeten. Je moet de Mozambikanen leren kennen, blanken zeuren te veel. Overmorgen gaat hij naar zijn grootmoeder in Maluane. Ik regel dat je mee kan, dan zie je eens hoe boerenmensen leven.”

“Buiten de stad?”

“Bang?”

“Eh nee, maar ik heb me laten vertellen dat buitenlanders niet buiten Maputo mogen.”

“Dat geldt voor diplomaten en bedrijven. Onze levens zijn goedkoper. Je zult merken hoe groen en veilig het daar is.”

“Is het ver?”

“Een dag rijden denk ik. Ik ben er nooit geweest. Hij vindt boeren mannenwerk.” Ze schaterlacht. “ Heb jij ooit een Afrikaan met zijn kont naar de zon zien staan? Maar het is nog nieuw voor hem. Het is een stadse jongen, sinds een jaar heeft hij de geur van grond ontdekt.”

Noemia sluit haar kierende blouse met het Frelimo-speldje, buigt over tafel en zoent me op mijn voorhoofd. “ Mate, ga met hem mee en vertel me hoe het daar is. Zijn grootmoeder is negenentachtig en wie zorgt er voor haar? Ze wil er niet weg. Ik maak me zorgen.”

Noemia lacht niet alleen als een Afrikaanse, ze deelt ook hun manieren. Ze laat me toe tot haar familie nog voor ik haar goed en wel ken.

Twee dagen later sta ik om negen uur - de afgesproken tijd - op de stoep voor Cafe Continental en wacht op Noemia's man. Ik weet niet of hij het goed vindt, hoe hij er uitziet, maar ik wacht. De ochtendzon maakt alle mannen golden black.

Halftien, tien uur, YCHA. You can't hurry Africa.

Om kwart over tien krast een groene jeep tegen de stoeprand. “ Hey, you Dutch” - en ik zie een ontwapenende lach onder een kleine snor.

“Mozambique?”

“That's me.” Hij spreekt goed Engels. “ In Lesotho geleerd, waar ik acht jaar gewoond heb omdat ik niet van vechten hou.” Zijn kleren zitten onder de smeer, hij heeft er zojuist een nieuwe schokbreker ingezet. Het is de schooljeep, dus ook een beetje van hem.

Nog voor we de stad uit zijn, vertelt hij me zijn hele leven. Hoe hij voor de militaire dienst naar Lesotho vluchtte en daar door zendelingen tot monteur werd opgeleid. Hoe hij zijn tien jaar oudere Noemia ontmoette - in Lesotho, ze huurde een auto bij Avis en hij was daar monteur. Zij heeft hem aan nieuwe papieren geholpen en haalde hem terug naar Maputo (” Noemia kent iedereen en heeft de beste contacten” ) en sinds twee jaar wonen ze in een Coop-flat. Werk heeft hij nog niet en hij durft pas sinds een jaar naar buiten. “ Ik ben nog altijd bang dat het leger me oppakt.”

We passeren de controleposten aan de rand van de stad en zien hoe de soldaten bij elke vrachtwagen iets van de lading krijgen. Veel vluchtelingen zijn om Maputo verspreid, om de trek naar de stad niet nog groter te maken. Wekelijks worden ze door voedseltransporten bevoorraad. “ Vroeger brachten de boeren voedsel naar de stad, nu houden wij het platteland in leven.”

De meeste soldaten kennen hem. Ze weten dat hij weinig heeft te geven. Hak, zaad, olie en wat vis - meer ligt er niet op de achterbank. Ze laten ons door na een grapje en als ze niet willen lachen helpen mijn sigaretten wel.

Om de zaterdag rijdt Mozambique naar Maluane. “ Het is de grond van mijn voorouders, maar bijna niemand wil er wonen. Alleen grootmoeder wil er niet weg. Al steken ze haar hut nog zo vaak in brand, ze laat zich haar landje niet afnemen.” Hij heeft zijn grootmoeder pas sinds kort weer teruggevonden. Als zijn moeder hem niet vorig jaar over de familiegrond had verteld, zou hij niet eens geweten hebben dat zijn vader in Maluane was geboren. Armoe en oorlog hebben zijn familie uiteengereten. Zijn vader trok al jong naar de Zuidafrikaanse mijnen, zoals de meeste mannen uit zijn streek. Hij trouwde een vrouw uit Maputo, maar na vier jaar huwelijk kwam hij niet meer van de mijnen terug. Dood? Mozambique weet het niet, verdwenen misschien. Ook in zijn geboorteplaats heeft niemand hem ooit teruggezien. Nu hij zijn grootmoeder na vierentwintig jaar heeft ontdekt - Mozambique is zesentwintig - wil hij het verwaarloosde land van de ondergang redden. “ Het is een vergeten streek, behalve door de bandieten. Als het weer vrede is, ga ik er een moderne boerderij van maken.”

Het land ten noorden van Maputo is vruchtbaar maar leeg. Voor elk dorp of gehucht ligt een groepje soldaten, sommigen bedelen langs de weg. De vrachtwagen voor ons paait ze met bier. “ Zaterdag is een blije dag”, zegt Mozambique, “ het begin van anderhalve dag drinken. Maar morgen zitten de vingers los aan de trekker.” Hij knijpt in zijn stuur en kijkt gespannen voor zich uit. Bang is hij niet. Hij heeft vanmorgen twee ijzeren platen op de portieren gezet, in de motorkap zitten twee kogelgaten. “ Bandidos”, zegt hij lachend.

“Waarom waag je je leven voor een stukje land?”

“Daar liggen mijn wortels. In Maluane liggen mijn voorouders, dat is mijn geloof. Vroeger moest ik om die dingen lachen. Auto's, techniek, de stad, dat was de toekomst. Maar Noemia heeft mij de ogen voor Afrika geopend. Zij wist er meer van dan ik. Nu wil ik mij niet langer schamen voor een cultuur zonder schrift. Mijn grootmoeder zit vol verhalen. Op school heb ik geleerd daar op neer te kijken, nu wil ik die schade inhalen. Zonder haar is er geen Mozambique.”

We rijden door een droog gebied. Het stof blaast de jeep in en we moeten zwijgen omdat het fijne zand onze kelen schor maakt.

“Ik ben gedoopt als Portugal”, zegt hij later. “ Duizenden jongens heten zo. Mijn zusje heet Lisboa, mijn broer Oporto. Mijn vader had gevoel voor humor. Sinds onze eerste dag noemt Noemia mij Mozambique.”

De wereld wordt weer groen, hier en daar staan er gewassen op het veld. “ Sinds de onafhankelijkheid hebben de boeren meer geleden dan wie ook, hoewel in naam alles voor ze werd gedaan. Ons land werd genationaliseerd. Iedereen moest oogsten voor de staat, het werd een totale mislukking. Vijf jaar geleden kreeg mijn grootvader zijn grond weer terug. Een zomer daarna werd hij door de bandieten vermoord.

“We leven voor de familie en de stam en niet voor de regering. Wat jullie ambitie noemen zegt ons niets, wij werken om te overleven. Marxisme is voor een andere wereld.”

“Maar gelooft Noemia niet in die idealen?”

“Noemia lijdt aan Frelimolitis, een ziekte waar we allemaal aan lijden, maar de cooperanten nog het meest. Ze heeft een absoluut geloof, wat nergens lukt moet hier wel lukken. Maar ze weet niet wat er op het land gebeurt. Ze weet niet hoe een dode ruikt, wat honger is. Daarom wil ik ook niet dat ze meegaat. Zonder haar idealen zou ze in Mozambique verloren zijn.”

De weg blijft goed, ook na drie uur rijden laat de Wereldbank haar sporen na. Maar de geblakerde hutten nemen toe. Een enkele boom is door een landmijn in tweeen gespleten. Mozambique rijdt hier het liefst alleen. “ Konvooien trekken te veel aandacht. Alleen ben je sneller weg.”

Na Babole is de berm met een bulldozer gelijkgemaakt. Alle bomen zijn tot zo'n vijftig meter weggekapt. Mozambique rommelt onder de voorbank en haalt een machinegeweer te voorschijn. “ Weet je hoe dit werkt?” Ik schuif van hem weg, maar hij drukt het ding hard op mijn schoot. “ Een AK-47, made in Russia”, zegt hij grijnzend.

“Moet dat?”

“Als je je arm buiten het raam houdt, is het misschien niet nodig. Ze schieten de laatste tijd wat minder op blanken.” De jeep raast over de weg, het geweer slaat op mijn dijen. Al sturend legt hij me uit hoe ik automatisch moet vuren.

“Niet tegen je schouders, uit je zij en maaien.” Mozambique bijt op zijn snor, zweet parelt om zijn neus. Ik zie de spieren op zijn armen, hij hangt aan het stuur. Zijn ogen zoeken in het verre struikgewas. De wind is weg, zelfs de vogels zijn vertrokken. Ik druk me tegen de rugleuning, de loop van de AK-47 klappert tegen het dasboard, maar luider nog jaagt onze adem. Angst zit in kleine geluiden.

Na een paar kilometer geschoren vlakte kruipt het struikgewas weer naar de weg. We naderen Maluane, de helft van de huizen lijkt verlaten. Ik wil het machinegeweer weer onder de bank schuiven, maar Mozambique drukt hem terug in mijn schoot. Hij wijst naar een militaire controlepost in de verte en zwenkt ruw naar de andere kant van de weg. Tenten en barakken flitsen voorbij. De soldaten hangen loom achter de hekken, ze kijken niet op en niet om. “ Stoppen is hier te gevaarlijk”, zegt Mozambique, en hij bukt als we de poort van het kamp passeren. De banden janken in de bochten, maar hij houdt zijn voet stijf op het gas.

Een paar honderd meter verder liggen uitgebrande auto's en het kadaver van een truck. Het asfalt is weggebrand. Mozambique wijst naar een hoopje vodden dat aan het teer zit vastgeplakt. Twee weken geleden was hier een aanval op een voedseltransport. De vrachtrijders zijn vermoord.

Als we na een stuk bos langs een paar verlaten huizen komen - Esperanza heet de plek - slaat Mozambique het zweet van zijn handen. Hij zucht en lacht tegelijk: 'O corredor da morte.'

“Verdomme, waarom heb je niet van tevoren gewaarschuwd?”

“Het is maar een naam, “ zegt hij stoer. “ Dat militaire kamp is al een paar keer geschoond, van boven tot onder nieuw personeel. Het Frelimo verdenkt zijn eigen soldaten, maar de aanvallen blijven doorgaan.”

De bandieten hebben hier een sterke basis. Gedekt door de Zuidafrikaanse grens en bevoorraad uit zee, stichtte het Renamo een grote nederzetting in de noordelijk gelegen moerassen. De spoorlijn en hoofdweg naar Manhica za zijn hun roofgebied. Leger en militia hebbde streek nauwelijks onder controle.

Mozambique wijst naar het woeste landschap van bossen en heuvels. “ Een mooier schuilplaats is er niet.”

“En Noemia noemt het hier groen en veilig”, roep ik verontwaardigd.

“Ja, en dat moet ze vooral blijven denken.”

De zon is over haar hoogtepunt heen. We verlaten de hoofdweg, passeren de spoorlijn en dalen af naar een half ontgonnen vallei. De weg is een karrespoor langs bananebomen. Mozambique trekt zijn overhemd uit en slaakt kreetjes van plezier. “ Over tien jaar zal je het hier niet herkennen. Dan ben je mijn gast en ik een rijke boer.” In de verte glanst de Incomati in donkergroen gras, maar wij gaan de kale velden in en stoppen bij een kleine nederzetting. Twee kippen rennen voor ons uit, dat is ons welkom. Mozambique springt uit de auto. Nergens een pluim rook. Ik kruip gebroken uit de jeep, ga op mijn rug liggen en laat de warmte in mijn spieren trekken. Mocambambique loopt naar de hutten. Ik hoor een vaag gekraak, stgekakel en plotseling het gebonk van snelle stappen. Als ik me opricht staat hij weer naast me. “ Ze zijn op het land”, zegt hij beslist en hij drukt op de claxon. Een schor geluid, daarna niets. De akkers blijven leeg. Mozambique maakt een verrekijker van zijn vingers en rent naar de lagergelegen velden.

Ik inspecteer nog eens de hutten. De paadjes zijn al tijden niet geveegd, nergens een pot of een kalebas, geen kruk, mest, geen voetsporen. De vuurmaakplek is koud. Op de kippen na wijst niets op leven. Achter in een grote hut vind ik twee plankjes waarin motieven zijn gebrand: een ladder van zwarte punten, een zebra op de vlucht misschien. Ze ruiken naar zoete olie, naar aarde en naar zweet. De geur van grootmoeder?

Mozambique gooit de plankjes zonder een blijk van herkenning in de jeep. Hij bijt op zijn snor.

“Waar zou ze kunnen zijn?” vraag ik voorzichtig.

“Maluane.”

Zwijgend rijden we terug, klaar voor hetzelfde gejakker. De AK-47 blijft onder de bank. Ik doe mijn overhemd uit, ze zullen weten dat er een witte zit. Deze keer kijken de soldaten op als we het militaire kamp passeren.

Maluane is tot leven gekomen. Op een zijveld onder een grote boom staat een rij vrouwen voor een witte vrachtwagen. Een man roept hun namen af. Elke vrouw krijgt een emmer gele mais in haar capulana gestort. Mozambique loopt op ze af. Een kring klit opgewonden om hem heen, ze wijzen alle kanten op. Een groepje kinderen en wat oude mannen komen een praatje met me maken. Ik schud twee pakjes sigaretten leeg en zit in een wolk van lachende mensen. Geen aardiger volk dan de Mozambikanen. Alleen, ik kan ze niet verstaan. Ze klakken, en tuiten hun lippen. Volgens de kaart is dit Shangaan.

Mozambique loopt kwaad terug naar de jeep.

“Weet je wat meer?”

“Die stommelingen weten niets.”

We rijden terug naar de hoofdweg richting Maputo. Zou ze ziek zijn? Moeten we niet eerst naar Manhica? a? Ik wil praten'' I can not talk now.'' Verdriet wil hij niet delen. We denderen langs de geschoren bermen, de plankjes kletteren op de achterbank.

Als we in het donker Maputo binnenrijden - uitgefoeterd door soldaten aan de controleposten - moet hij bitter lachen. “ Zo, nu weet je hoe boerenmensen leven.”

Twee dagen later lees ik in een hoekje van de krant: 'Aanval op Maluane'. De avond voor ons bezoek zijn omstreeks 20.45 uur bij een Renamo-aanval twintig mensen gedood. Het leger heeft tien bandieten gevangengenomen. Een onbekend aantal mannen is ontvoerd.

Hoe geschift zijn ze in dit land? Waarom liet niemand in het dorp wat merken? Lachen, sigaretjes paffen, nog geen etmaal na de moordpartij. Misschien was het verdriet niet te delen. Noemia wil ik niet meer zien. Ik heb last van uitgestelde schrik en voel me bedrogen. Ik bel alleen de schoenenfabriek. Er was stroom, de zolen zitten erop, nu nog het andere paar. Nao ha problemas.

Hotel Cardoso zit dagelijks van vier uur 's middags tot acht uur 's morgens zonder licht. 's Avonds lees ik in Polana. Tot de ambassadeur me een kamer in zijn huis aanbiedt. Ik trek meteen bij hem in. Licht, Bokma, twee honden die hun baas opvreten, en uren gezelligheid.

Een paar dagen later bereikt me het bericht dat een zekere Noemia me zoekt. Ik bel haar op.

“Mate, heb je het gehoord? Amalia is terecht.”

“Wie?”

“Grootmoeder. Ze is komen lopen, samen met Gabriel, een jongetje van vijf jaar, een aangewaaid achterkleinkind. Je moet haar zien. Wat dacht je van vanavond.”

Naar de Coop. Tien hoog, de lift is buiten werking. Elke verdieping heeft zijn eigen geuren en om de tree zit een kind. Noemia zoent me op de drempel en Mozambique trekt de meegebrachte wijn uit mijn handen.

Grootmoeder Amalia zit midden in de kamer op de grond. Mozambiques moeder op een bed naast twee tantes. Om de tafel broer en zus, allebei in uniform, en drie soldatenvrienden. En kinderen, zwart en rooskleurig. Gabriel slaapt in een bed voor het raam. Overal staan bedden, het keukenaanrecht is 's avonds kinderledikant.

Hier zit Afrika. Grootmoeder Amalia kan niet lezen en schrijven en Mozabiques kinderen kunnen haar niet verstaan. Ze spreekt alleen Shangaan. De tantes komen uit het zuiden en spreken alleen Ronga, de eerste taal van Mozambiques moeder. De soldaten spreken de taal van nabije districten: Chope en Tonga.

Mozambique valt in twaalf verschillende talen en tweehonderd dialecten uiteen. Nu ik deze kamer door elkaar hoor praten, besef ik voor het eerst wat voor een probleem dat voor een land moet zijn. President Chissano, die vier Europese talen spreekt plus Swahili en Shangaan, kan zich in het noorden niet aan zijn volk verstaanbaar maken. Een boer uit het midden van Mozambique kan in zijn eigen taal geen handel in Maputo drijven. Portugees houdt het land bijeen. Mozabiques moeder verstaat het maar half. Zij is vloeiend in Ronga en Shangaan. Samen met haar zoon vertaalt ze Amalia's verhaal en heel de kamer luistert.

Gabriel moest naar de stad. Zijn vader en moeder zijn twee jaar geleden vermoord en hij heeft nu de leeftijd om door de bandieten te worden meegenomen. Amalia heeft zich over hem ontfermd. De laatste weken sliep ze met hem in de bush, ze kwam alleen nog overdag naar haar hut, maar dat mocht Mozabique nooit weten. Ze is vergeten hoe vaak ze overvallen is. Wat ze bezat: een fles, een capulana, een paar sandalen, is haar afgenomen. Later bewaarde ze haar spulletjes in het bos. Zelfs de vuren werden 's nachts gedoofd, want waar vuur is, is leven.

Gabriel heeft al drie keer zijn dorp zien branden. Hij ligt bang op bed. Hij is voor het eerst in een stad, hij heeft nog nooit zoveel blanken gezien. Ook Amalia kende Maputo alleen uit verhalen. Niet eerder zag ze zoveel huizen van steen en ook nog op elkaar gezet. Mozabique heeft haar naar boven moeten dragen, ze durfde alleen kruipend over de trap. Een matras wil ze niet, daar prikken haar botten van. Ze zit op het zeil, 's nachts slaapt ze op een rieten mat in de hal.

Amalia is ongelukkig in de stad. Ze heeft haar hele leven voor zichzelf gezorgd. Hier kan ze niets doen. “ Ik wil eten wat ik zelf heb geplant.” Nu Gabriel veilig is wil ze terug. Ze haalt hem uit bed en legt zijn hoofd in haar schoot.

“Je kan een kind zo makkelijk leren doden”, zegt de moeder van Mozabique als ze een deken onder zijn blote billen legt.

“Gabriel mag nooit iemand doden”, zegt Amalia. Ze haalt een vlo uit zijn haar en eet hem op.

Voor ze vertrok heeft Amalia haar kapmes begraven, onvindbaar voor bandieten, want die moorden het liefst met 'zwijgende messen'. Drie dagen zocht ze naar de hoofdweg, ze kon 'het zwarte pad' niet vinden. Auto's vertrouwt ze niet, eenmaal op de weg bleef ze lopen. Een oude vrouw met wie ze samen uit haar dorp vertrok moest ze in Marracuena achterlaten. In Maputo kon niemand haar helpen. Ze was geen deslocado - haar dorp en huis bestaan nog, ze was geen afetado - ze heeft genoeg te eten, geen mutilado - want ongeschonden - ze was gewoon een oude vrouw die een kind in veiligheid wilde brengen.

Na dagen zwerven heeft ze Mozabique gevonden door de mensen op straat in het Shangaan aan te spreken. Dank zij het web van familie en stam kwam ze bij haar kleinzoon uit.

Waarom heeft ze niet in Maluane op hem gewacht?

Ze lacht, tandeloos. “ Ik kon niet langer wachten.” En dat alles zo ver en groot is wist ze niet.

Nu neemt Noemia haar mee naar de winkels, maar ze begrijpt niet dat je voor eten moet betalen. In elke soldaat ziet ze een bandiet. De uniformen lijken ook zo op elkaar, te veel bandieten dragen de kleren van vermoorde Frelimo's.

“Onder de Portugezen was er geen oorlog. We verbouwden cashewnoten, bananen en katoen. Elke maand kwamen ze onze produkten ruilen voor kleren, olie en zaad. Na de Portugezen kwamen de soldaten en toen kwam de armoe.” Ze wrijft over haar stokdunne benen, het eelt onder haar zolen is zo droog als gebarsten klei, ze ruikt naar zoete olie. “ Ik wil terug naar de plek waar ik hoor.”

“De bandieten hebben ons arm gemaakt”, zegt Mozabique.

“Waarom vecht je dan niet tegen ze? ”, vraag ik.

“Omdat ik niet weet wie mijn vijand is. Misschien is de jongen met wie ik overdag op bandieten moet jagen 's nachts zelf een bandiet. Daarom wil ik niet vechten. Het leger zal me in de steek laten en dan eindig ik zelf als bandiet.”

De soldaten lachen instemmend. Oporto. Mozabiques broer, zit tegen zijn zin in dienst. Vijf jaar geleden heeft het Frelimo hem in de bioscoop opgepakt. Ook de andere jongens zijn gedwongen ingelijfd. Alleen het zusje ging vrijwillig. Ze hangt breed over tafel: “ Ik heb er een vak geleerd en ben nu typiste. Viva a Frelimo.” Het gaat haar zichtbaar goed. Ze verdient veertig dollar per maand, drie keer het minimumloon. De knopen spannen op haar uniform, in twee jaar is ze vijftien kilo aangekomen.

Al hangt Chissano aan de wand en heeft iemand gedroogde mimosa achter zijn portret gestoken, de soldaten willen niets van het Frelimo weten. Een van hen, een oud kind van zeventien, dat aan de grens van Swaziland gelegerd lag, heeft officieren wapens aan de Swazi's zien verkopen. “ Honderd rand voor een AK-47. Zo kunnen ze weer hun vrouw en kinderen voeden. Noem het geen corruptie, maar overleven.”

Nu komen ook zijn kameraden los, de een beschuldigt de Frelimo-top van zwendel, de ander beweert dat het voedsel van de hulporganisaties voor een deel naar de zwarte markt verdwijnt. “ Eigenlijk kunnen we geen land besturen”, zegt de oudste van de drie. “ Kijk naar Zambia en Tanzania. Alleen in Zuid-Afrika is het geld wat waard.”

“Palerma” schreeuwt Noemia, “ stommelingen, waar is jullie eergevoel.” Ze veert op en tiert over hun hoofden heen. Mozabique zit dom te hinniken, Amalia kijkt haar bewonderend aan.

“Hun houding tegenover het Frelimo is dezelfde als vroeger tegenover de Portugezen”, zegt ze later moedeloos, “ 'de regering zorgt wel voor ons'. Het Frelimo vroeg inzet van het volk en daarin heeft het zich vergist. De mensen willen van bovenaf geleid worden.”

“Door het werk dat Zuid-Afrika biedt en de luxe die ze daar hebben, zijn ze hier in hun eigen minderwaardigheid gaan geloven. Het zijn ook altijd blanken die vertellen wat de Afrikanen moeten doen. Ik kan ook meer, al heb ik minder opleiding dan een zwarte. Alleen al door mijn achtergrond. Als ik viel, deed mijn moeder jodium op mijn knie. Hier weet niemand wat ontsmetten is. Ze kijken tegen ons op, of ze haten ons en volgens mij is dat hetzelfde. “

Bij het afscheid geeft Mozambique mij de twee plankjes. Een cadeau van grootmoeder Amalia. Al eerder had ik haar wat geld toegestopt, “ voor de terugreis”. Noemia vond het goed en ze had het zonder plichtpleging aangenomen. Nu wil Amalia geen hand, ze wil me zoenen. Noemia helpt haar op, maar ze laat zich weer vallen en werpt zich voor mijn voeten. Ze dankt me alsof ik een god ben. Beschaamd verlaat ik de kamer.

De schoenfabriek heeft naar de residentie gebeld. Ik kan ze halen. Als ik de schoenen op een middag bij het hotel afgeef, zijn de twee obers er niet. Uit vrees voor nieuwe uitingen van dankbaarheid heb ik dat uur bewust gekozen. Maar ik ben wel nieuwsgierig hoe ze zitten. Een week later ga ik langs. De obers lopen en dansen weer. Allebei tegelijk. De een draagt zijn nieuwe schoenen, de ander het oude paar. “ Waren ze niet goed? ”, vraag ik. Hij lacht verlegen. Uitgeleend. Zijn broer had geen schoenen en ook niemand om ze mee te delen. .

Calamidades staat voor Departemento de prevencao e combate de calamidades naturais - het departement dat alle internationale hulp coordineert

Met dank aan Mathilda Hernandes

    • Adriaan van Dis