De Baltische frustraties

Die baltischen Nationen. Estland, Lettland, Litauen door Boris Meissner (red.) 324 blz., geill., Markus Verlag 1990, f 65, 60

ISBN 3 87511 041 2

David versus Goliath. Het vrijheidsstreven van Estland, Letland, Litouwendoor Martin van den Heuvel 140 blz., Anthos 1991, f 24, 50 ISBN 90 6074 674 0 Baltische Erinnerungen. Estland, Lettland, Litauen zwischen Unterdruckung und Freiheit door Bernd Nielsen-Stokkeby 335 blz., geill., Gustav Lubbe Verlag 1990, f 53, 20

ISBN 3 7857 0583 2

Ondanks het einde van de Koude Oorlog en de vergruizing van het monolithische vijandbeeld bestaat er in de Nederlandse media nog steeds de neiging alle verschillende bevolkingsgroepen van de Sovjet-Unie over een kam te scheren onder de naam 'de Russen'. Zo noemde nog enkele weken geleden de VARA haar televisie-actie 'Help de Russen de winter door'. Zelfs tijdens de uitzending werd niet de vraag gesteld of de hulp voor de Russen ook voor niet-Russische inwoners van de Sovjet-Unie bestemd zou zijn. Ook sportverslaggevers hebben nog altijd de gewoonte bij wedstrijden tegen Georgische of Litouwse tegenstanders het steevast over 'Russen' te hebben. Het is alsof de Nederlanders maar moeilijk kunnen wennen aan het idee dat de Sovjet-Unie een lappendeken is van verschillende bevolkingsgroepen. Tekenend daarvoor is het chronisch gebrek aan kennis over de achtergronden van het vrijheidsstreven van de Baltische republieken.

Het is moeilijk te speculeren over de diepere oorzaken van deze onwetendheid, al zal het feit dat het om relatief kleine bevolkingsgroepen gaat, mogelijk een rol spelen. Estland heeft anderhalf miljoen inwoners, waarvan vijfenzestig procent Esten, en Letland tweeeneenhalf miljoen, waarvan ongeveer vijftig procent Letten. In Litouwen maken de Litouwers met tachtig procent van de drieeneenhalf miljoen inwoners veruit de grootste bevolkingsgroep uit. De niet-autochtone inwoners van de republieken bestaan voornamelijk uit Russen. Zij kwamen na 1945 als arbeiders voor de zware industrie die door Stalin aan het Balticum werd opgedrongen.

OUDPRUISISCH

De Baltische landen zijn zowel historisch en sociaal, als taalkundig verschillend. Litouws en Lets, en het uitgestorven Oudpruisisch, vormen binnen het Indoeuropees de Baltische taalgroep. Het Estisch is een Fins-Oegrische taal. Ondanks dat linguistisch onderscheid heeft het moderne Letland meer met Estland gemeen dan met Litouwen. Dat blijkt ook uit de religie: Estland en Letland zijn grotendeels protestants, Litouwen is vrijwel geheel katholiek. In tegenstelling tot Estland en Letland bleef Litouwen bovendien voornamelijk agrarisch georienteerd en kende een veel sterkere bevolkingsgroei.

Een uitstekende inleiding in de uiteenlopende historische ontwikkeling van de Baltische landen wordt gegeven door de recent verschenen bundel Die baltischen Nationen onder redactie van Boris Meissner. In zeventien bijdragen wordt gedetailleerd de Baltische geschiedenis behandeld tijdens de onafhankelijkheidsperiode tussen 1918 en 1940, en tijdens de Sovjet-heerschappij in de jaren van 1940 tot 1989. Ook de volkenrechtelijke positie van de Baltische landen, de ontwikkelingen in hun sociale structuur en de Baltische studies in de Westerse landen komen aan bod.

De belangrijkste bijdrage is van de uit Narva (Estland) afkomstige historicus Gert von Pistohlkors. Hij behandelt de geschiedkundige ontwikkelingen die tot het ontstaan van de huidige Baltische staten hebben geleid. Uit zijn stuk blijkt dat Litouwen als staatkundige eenheid diepere historische wortels heeft dan de andere republieken. De Litouwers staan door hun aantal en homogeniteit ook onmiskenbaar sterker dan de andere Balten. Hun historische gevoel gaat terug op een Litouws grootvorstendom dat in de veertiende en vijftiende eeuw tot een mogendheid van betekenis uitgroeide. Na de Unie van Lublin in 1579 werd in Litouwen de adel echter door de machtige buurman in het westen geheel gepoloniseerd. In 1795 werd het dubbelrijk opgenomen in het expanderende Russische imperium.

De voorgeschiedenis van de twee andere Baltische staten is enigszins ingewikkelder. Koerland, het westelijk deel van het tegenwoordige Letland, en Lijfland, dat het noorden van Letland en het zuiden van Estland omvatte, werden omstreeks 1200 bezet door de Broeders van het Zwaard, die het onder het gezag van de Duitse Ridder Orde brachten. In 1561 kwamen Lijfland en Koerland onder Pools gezag, waarna de Zweden in 1629 Lijfland veroverden. Koerland werd een onder de Poolse kroon vallende onafhankelijk hertogdom. In de zeventiende eeuw verwierf het zelfs eigen kolonien: Tobago in Zuid-Amerika en Gambia in Afrika. Maar na de derde deling van Polen in 1795 lijfde Rusland niet alleen Litouwen, maar ook Koerland in. Lijfland, inclusief Riga, was al in 1721 door tsaar Peter de Grote op de Zweden veroverd.

FOLKLORE

Al deze ontwikkelingen weerspiegelen de steeds verschuivende machtsverhoudingen tussen de grote mogendheden aan de Oostzee. De Letten en Esten zelf zijn uitsluitend tussen 1918 en 1940 staatkundig zelfstandig geweest. Nu vinden zij hun identiteit vooral in het zorgvuldig bewaren en beschrijven van hun eeuwenoude folkloristische tradities, die teruggaaan op de tijd voor 1200 toen zij nog in stamverband leefden. De belangrijkste nationale gebeurtenis in Letland zijn de zomerse zangfeesten waaraan zanggroepen in klederdracht uit alle delen van het land deelnemen. Ook wordt met veel zorg de zeer rijke Letse volkspoezie, de dainas, uitgegeven.

De Litouwers hebben meer tastbaars aan eigen verleden te bieden: zij tonen bezoekers de graftombes van hun koningen en wijzen hen op hun eigen kathedralen en burchten. Vergelijkbare bouwwerken in Letland en Estland zijn steevast van Duitse of van Russische oorsprong. De fraai gerestaureerde binnenstad van Riga was ooit een Duitse hanzestad en lijkt dan ook op een stad als Bremen. De gerenommeerde universiteit van Tartu in Estland is weliswaar al lang een bakermat van Ests nationalisme, maar is gesticht door de Zweden.

In 1918 dankte de republiek Litouwen haar onafhankelijkheid aan de houding van het Duitse keizerrijk, dat Litouwse nationale claims voortrok boven die van Polen. Beide gebieden waren tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers bezet. Tot 1920 waren Litouwse nationalisten in voortdurende strijd met Polen, Russen en Lenin-getrouwe communisten gewikkeld om hun zelfstandigheid door te zetten. Op het laatste moment werd de hoofdstad Vilnius nog door de Polen afgepakt. Dit had in het interbellum een voortdurende crisistoestand tussen Polen en Litouwen tot gevolg. Stalin gaf in 1940 Vilnius aan Litouwen terug nadat Polen was bezet en Litouwen geannexeerd.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog steunde de Duitse bezettingsmacht op het grondgebied van het huidige Letland en Estland aanvankelijk niet de nationalisten, maar op de eeuwenoude Duits-Baltische ridderorden. Deze wensten het gebied tot een hertogdom te verenigen, met hertog Adolf Friedrich von Mecklenburg aan het hoofd. Juist toen een Duitse regentschapsraad onder landmaarschalk Adolf baron Pilar von Pilchau de democratische bewegingen van Letten en Esten de kop wilde indrukken, werd in Compiegne de wapenstilstand gesloten.

De plannen om het oude Lijfland weer tot een staat te maken, gelieerd aan de Duitse kroon, moest door het ineenstorten van het Duitse keizerrijk in november 1918 wel mislukken. Maar Duitse politici en Baltisch-Duitse grootgrondbezitters hebben nog geruime tijd in neokolonialistische illusies geloofd. Een evidente parallel is er met de Russische etnische minderheden in de Baltische staten die sinds 1945 met Baltische collaborateurs de dienst uitmaakten en nu pogingen doen de in 1988 aan nationalistische regeringen afgestane macht weer terug te krijgen. Net als de Duitse elite indertijd vanuit Berlijn, krijgen de orthodox-communistische Russen in het Balticum nu vanuit Moskou plannen voor een coup ingefluisterd.

De Baltische republieken die nu met zoveel nadruk naar zelfstandigheid streven, ontstonden in 1918 voornamelijk als gevolg van een machtsvacuum aan de Oostzee na het gelijktijdig instorten van de Russische en Duitse keizerrijken. Zodra Rusland, nu in de gestalte van de Sovjet-Unie, en Duitsland waren aangesterkt en uitgegroeid tot totalitaire staten, had een korte flirt tussen beide, bezegeld met het Molotov-Ribbentrop Pact van 23 augustus 1939, het einde van de zelfstandigheid van de Baltische staten tot gevolg.

KLAIPEDA

Het pokerspel in het Balticum is in Die baltischen Nationen op de voet te volgen aan de hand van de historische kaarten achterin de bundel die de ontwikkeling vanaf het jaar 1000 tot heden voortreffelijk weergeven. Handig is ook dat bij plaatsnamen steeds de Baltisch-Duitse namen, die je in de oudere literatuur voortdurend tegenkomt, zijn opgenomen: Memel (Klaipeda), Libau (Liepaja), Mitau (Jelgava), Dunaburg (Daugavpils), Dorpat (Tartu), Reval (Tallinn).

Van de zeventien bijdragen in dit boek zijn er maar drie geschreven door niet-Balten of niet-Baltische Duitsers. Dat geeft meteen de zwakte aan van de studie van de Baltische cultuur in het Westen: die gaat voornamelijk uit van emigranten en hun nazaten die snel al te persoonlijke, nostalgische noten aanheffen. Het is de verdienste van Die baltischen Nationen dat academische gedegenheid voorop staat. Met veel bibliografisch materiaal en registers is het uitgegroeid tot een naslagwerk dat een onmisbare basis vormt voor wie temidden van de razendsnel voortwoekerende Baltische actualiteit het historisch perspectief zoekt.

Anders dan in de bundel van Meiss-ner richt Martin van den Heuvel zich in zijn zojuist verschenen boekje David versus Goliath niet op de professionele historicus of politicoloog. Zijn boek over het vrijheidsstreven van de Baltische staten is niet, zoals bij Meissner, op vaak moeilijk toegankelijke publikaties in de Baltische talen gebaseerd, maar op Russische en Westerse bronnen. Toch leidt dit niet tot oppervlakkigheid, ook door de heldere betoogtrant van de auteur.

Na hoofdstukken over de Baltische ontwikkelingen tot de onafhankelijkheid van 1918 en de inlijving bij de Sovjet-Unie in 1940, behandelt Van den Heuvel in vier hoofdstukken de strijd voor vrijheid die in 1988 hernieuwd inzette. Van actueel belang is vooral het hoofdstuk over de rol van minderheden en troepen van het Rode Leger in het Balticum, 'Moskous vijfde colonnes'. Hij beklemtoont dat de Baltische Russen veel minder homogeen zijn dan je zou denken. Een deel van hen orienteert zich sterk op 'Moskou', maar een niet onaanzienlijk segment steunt het Litouwse streven naar onafhankelijkheid.

Bijgevoegd is een kroniek van de gebeurtenissen in Litouwen vanaf 11 maart, de dag van de Litouwse onafhankelijkheidsverklaring, tot 30 juni 1990, de dag waarop de Moskouse autoriteiten de economische blokkade van Litouwen ophieven. Het bezwaar tegen die kroniek is dat deze slechts een heel korte tijdsspanne bestrijkt, die inmiddels alweer geruime tijd achter ons ligt.

Baltische Erinnerungen van Bernd Nielsen-Stokkeby is in mei 1990, dus vlak na de onafhankelijkheidsverklaring van Litouwen, afgesloten. Het boek past binnen het in Duitsland nu florerende genre van nostalgische werken over de verloren gebieden in het oosten, met titels als Kindheit in Ostpreussen van Marion Grafin Donhoff, Die Reise nach Pommern van Christian Graf von Krockow en Eine schlesische Kindheit van Maria Frise. Nielsen-Stokkeby werd in 1920 in een Baltisch-Duits milieu in Tallinn geboren. Van 1957 tot 1960 was hij correspondent van het Westduitse persbureau DPA in Moskou, en van 1963 tot 1984 buitenlandredacteur en commentator bij het Zweites Deutsches Fernsehen. Zijn boek is een persoonlijk relaas, afgewisseld met historische beschouwingen. Nielsen vertelt over zijn jeugd op het Estische platteland en over zijn studententijd in Tartu. Eind 1939 was hij door het Molotov-Ribbentrop Pact, dat de weg vrijmaakte voor de Sovjet-annexatie van het Balticum, gedwongen om samen met dertienduizend andere etnische Duitsers uit Estland en vijftigduizend uit Letland naar Duitsland te vertrekken. Dit vertrek, dat vrijwel van de ene dag op de andere zijn beslag kreeg, betekende na meer dan zeven eeuwen het definitieve einde van het Balticum als Duits cultuurgebied.

GRIMMIG

Tijdens de oorlog keerde Nielsen in het uniform van een Wehrmacht-soldaat terug in Estland. Vervolgens raakte hij in Koerland in krijgsgevangenschap, waaruit hij pas in 1950 werd vrijgelaten. Zijn verslag van de vele journalistieke bezoeken die hij sindsdien aan zijn geboorteland en de andere Baltische landen bracht, weerspiegelt de geleidelijke liberalisering van het eind jaren vijftig nog zo grimmige politieke klimaat in de regio. De zwakte van het boek is dat het op twee gedachten hinkt. Het wil zowel reisliteratuur als geschiedschrijving zijn. De historische hoofdstukken worden afgewisseld met de persoonlijke ervaringen zonder dat de lezer nu het gevoel krijgt dat de beide benaderingswijzen elkaar versterken. Daarbij komt nog dat 'Baltisch' bij Nielsen voornamelijk 'Estland' betekent; Letland en Litouwen sleept hij er aan de haren bij. Het boek maakt daardoor soms de indruk van een allegaartje, al krijgt de lezer er wel een eerste indruk van het Balticum door. Steeds weer maakt Nielsen duidelijk in wat voor patstelling de Baltische landen zijn terechtgekomen en hoe onvoorstelbaar diep de frustraties daarover zijn geworteld: “ Wat Tallinn, Riga en Vilnius nodig hadden, kregen ze in onvoldoende mate, wat ze niet nodig hadden, kregen ze opgedrongen, en wat ze wilden doen, mochten ze niet.”

Niet alleen in Moskou, ook in het Westen is wel gezegd dat de Litouwse president Landsbergis en de onafhankelijkheidsbeweging Sajudis in hun confrontatie met Moskou onvoorzichtig en naief te werk zijn gegaan. Ze hadden behoedzamer moeten optreden, en meer nadruk op overleg moeten leggen. Een ding heeft Landsbergis evenwel zeker bereikt: door het spel hoog te spelen, is het Litouwse en het hele Baltische probleem tot wereldpolitiek verheven. Zelfs tijdens het begin van de Golfoorlog hadden Westerse media nog grote aandacht voor de gebeurtenissen in de Baltische landen. Als eeuwige slachtoffers van het spel tussen de grote mogendheden hadden de Balten daarmee meer berikt dan ooit.

Het paradoxale van de huidige situatie is dat de Westerse landen (op Nederland na!) de Sovjet-annexatie van de Baltische staten in 1940 niet hebben erkend, maar dat ze anderzijds geen diplomatieke betrekkingen zijn aangegaan met het zich nu onafhankelijk verklaard hebbende Litouwen. Een door Landsbergis uitgegeven Litouws paspoort is geen geldig document, maar de afwijzing van de annexatie door Stalin gaat wel samen met een blijvende Westerse erkenning van het vooroorlogse staatsburgerschap van de Baltische landen. Een door de oude Baltische regeringen uitgegeven paspoort dat op hun nog altijd functionerende, door sterk vergrijsd personeel bemande vertegenwoordigingen in de Verenigde Staten of in Engeland is verlengd, is tot op de dag van vandaag wel een geldig reisdocument.

In laatste instantie is het deze volkenrechtelijke status van de Baltische landen die hun de steun in de rug geeft waardoorde onafhankelijkheid naderbij kan komen. Vertegenwoordigers van Georgische, Moldavische of Armeense nationalistische regeringen missen deze status, en zullen, ook omdat ze in Westerse ogen niet tot 'het Westen' behoren en omdat hun strijd met veel etnisch geweld gepaard gaat, niet op veel steun kunnen rekenen. Een Litouwse minister wordt, terwijl de Golfoorlog al in alle hevigheid woedt, nog door zijn Britse ambtgenoot Douglas Hurd ontvangen.

Vooralsnog gaat het echter om met de mond beleden sympathie. Zolang diplomatieke erkenning van de nationalistische Baltische regeringen de betrekkingen met Moskou in gevaar kan brengen, zal het Westen er waarschijnlijk ook niet toe overgaan.

    • Jean Paul Hinrichs