Wij moeten niet in onze ziel graven; Tolstojs Anna Karenina opnieuw in vertaling

De vrouw van Aleksej Karenin wordt verliefd op graaf Vronski en merkt tot haar schrik dat ze niet meer van haar man houdt. Dat is het begin van Anna Karenina, de roman die Tolstoj meer dan een eeuw geleden schreef. Anna Karenina is een verhaal over schaamte want Anna is een gevallen vrouw: alles wat haar overkomt is voor haar omgeving onaanvaardbaar. Onlangs verscheen een nieuwe vertaling. “Als er ooit een pleidooi voor de vrouwenemancipatie is geschreven dan is het wel dit boek. Tolstoj was er overigens tegen.”.

Lev Tolstoj: Anna Karenina. Vert. Lourens Reedijk. Uitg. Veen, 945 blz. Prijs fl. 69, 90

Anna Karenina is in Moskou op bezoek geweest bij het gezin van haar broer en keert met de trein terug naar haar man en zoon in Petersburg. Op het station staat Karenin die haar af komt halen. Anna kijkt naar hem en denkt: “Ach mijn God! Waarom heeft hij zulke oren?” Het is de eerste keer dat zij op deze manier naar haar man kijkt. Dezelfde avond nog kan ze deze gedachte weer niet onderdrukken. “Maar dat zijn oren zo raar afstaan! Of is hij soms naar de kapper geweest?” We weten genoeg. Anna Karenina houdt niet van haar twintig jaar oudere man. En na haar uitstapje naar Moskou, waar ze gedanst heeft met de aantrekkelijke jonge graaf Vronski, kan ze zichzelf ook niet meer wijs maken dat ze wel van hem houdt. Ze heeft voorgoed zijn oren gezien.

Lev Tolstoj was vijfenveertig toen hij in 1873 aan Anna Karenina begon. Oorlog en vrede had hij drie jaar daarvoor voltooid. Hij werkte drie jaar aan zijn omvangrijke nieuwe boek, zuchtend en steunend ( “Kon iemand anders het maar voor me af maken... “ ), steeds weer verbeterend en veranderend. In de oorspronkelijke opzet was Anna een slechte, niet al te mooie vrouw, en staken haar twee mannen gunstig bij haar af. Al schrijvend kon Tolstoj zijn afwijzende houding tegenover zijn heldin niet volhouden: ze werd niet alleen heel mooi, maar ook goed, innemend, gevoelig. Hij liet nog precies genoeg grilligheid en onredelijkheid over om haar menselijk te houden. Haar minnaar en haar echtgenoot daarentegen werden geleidelijk aan wat minder volmaakt. Gelukkig maar. Een slechte vrouw met een goede man, twee goede mannen zelfs - het klinkt wat saai.

Behalve over de ongelukkige Anna gaat de roman voor minstens zo'n groot deel over Konstantin Levin, een aardige, onhandige, aan alles twijfelende, gezonde jongeman die in voortdurende strijd met de boeren zijn landgoed beheert. Hij is verliefd, trouwt en wordt gelukkig. Zijn levensloop staat tegenover die van Anna, ooit zou het boek zelfs Twee paren of Twee huwelijken gaan heten. Het Anna-gedeelte bleek echter sterker.

Anna Karenina, dat nu door uitgeverij Veen opnieuw is uitgebracht in een aantrekkelijke nieuwe vertaling van Lourens Reedijk (dat met die oren bijvoorbeeld was in de vorige vertaling lang zo aardig niet), is een ruime losse roman waarin enorm veel ideeen, gedachtengangen, gevoelens, historische kwesties een plaats vinden. Er wordt gediscussieerd over het nut van de vrederechters op het platteland, over het karakter van de landarbeiders, over huwelijkstrouw, over vrouwenemancipatie, over het recht van de adel op de grond ( “Er bestaan helemaal geen communisten, “ zegt iemand), over wanneer men moet hooien, over de moderne Russische schilderkunst, over de moderne Franse schilderkunst, over gevallen vrouwen, over de vrijwilligers die de Serven gaan helpen in hun strijd tegen de Turken, over of men jam met of zonder water moet maken. Er wordt geschreven over paardenrennen en over de gevoelens van een man bij de bevalling van zijn vrouw, over hoe zwaar maar prettig maaien is, hoe lekker oesters zijn, hoe een mooi meisje zich voelt dat naar een bal gaat, over de opwinding van de jacht en de smerigheid van een ziekenkamer - het is een vol boek. Misschien iets te vol af en toe. Soms blijven we maar rustig en landelijk hooien met de boeren, of eindeloos vergaderen en redetwisten over bestuurlijke vraagstukken, allemaal prachtig beschreven, maar de vraag dringt zich wel eens op wat dat er allemaal toe doet. Ook de lezer wil graag bij Anna zijn.

OVERDREVEN

Anna Karenina houdt dus niet zo veel van haar man. Wel van haar zevenjarige zoon, misschien zelfs op het overdrevene af. Zij vloeit over van levenslust die ze in haar dorre huwelijk, haar keurige leven van moeder en respectabele vrouw niet kwijt kan. Dan komt Vronski met zijn open, knappe gezicht, zijn rustige, innemende glimlach, zijn dodelijke verliefdheid. Hij reist haar meteen achterna. “U weet dat ik op reis ben gegaan om daar te zijn waar u bent, “ zegt hij. “Ik kan niet anders.” Natuurlijk is dat onweerstaanbaar. Zeker wanneer je leest hoe nog geen twaalf uur later Anna's echtgenoot haar kamer binnenkomt, gekamd, gewassen, bepantoffeld en hoe hij met een bijzonder glimlachje zegt: “Het is bedtijd.”

Zulke tegenstellingen tussen het opwindend vreemde en het alledaagse zijn niet eerlijk, dat wist Tolstoj ook wel. Hij laat zijn heldin deze onbehoorlijke vergelijking dan ook niet maken. Hij schrijft dat van die pantoffels en die gekamde haren alleen maar even op. Zodat wij het zien.

De jonge Kitty Sjtsjerbatskaja is verliefd op Vronski. Ze weet wel bijna zeker dat hij haar ten huwelijk zal vragen. Daarom wijst ze Konstantin Levin af als hij haar voor de eerste keer een aanzoek doet, niet omdat ze niet van hem houdt, maar omdat ze verliefd is op een ander. Op het bal zal Vronski zich uitspreken, denkt ze. Ze heeft een heel ingewikkelde jurk aan met veel roze tule, ze heeft thuis in de spiegel gezien dat het zwart fluwelen lint om haar hals voorbeeldig staat, haar armen en schouders voelen als koel marmer 'heerlijk vond ze dat gevoel' - ze is zeker van zichzelf. En van Vronski. De lezer weet al beter. Vronski denkt er niet aan om met haar te trouwen. Eigenlijk denkt Vronski nooit veel, maar nu begint hij iets te voelen. Voor Anna. Hij walst met Kitty. “Kitty keek naar zijn gezicht dat zo dicht bij haar was en nog lang daarna, jaren later, kromp haar hart ineen van pijn en schaamte om die blik vol liefde waarmee zij hem aankeek en die hij onbeantwoord liet.”

Afgewezen worden is beschamend. Levin, versmaad door Kitty, schaamt zich, Kitty, versmaad door Vronski, schaamt zich ook. Schaamte is in deze roman het gevoel dat iedereen bedreigt. Wat moet iemand doen die zich afgrondelijk schaamt? Ophouden te bestaan is de enige wens die er dan in een hoofd opkomt. Er is geen andere manier om zich snel van schaamte te bevrijden. Je kunt alleen maar wachten tot het over gaat, proberen niet te veel te denken aan wat zo beschamend was. Dat is bijna onmogelijk, want schaamte is opdringerig.

Anna heeft van dit gevoel het meest te lijden van iedereen. Na een jaar bezwijkt ze voor Vronski en werpt zich vervolgens verpletterd van schaamte aan zijn voeten. Waarom schaamt ze zich zo? Waarom is ze niet gelukkig met de aanrakingen waarnaar ze zo heeft verlangd?''Ja, deze kussen zijn met deze schande gekocht'', denkt ze. 's Nachts droomt ze dat zowel haar man als Vronski haar tegelijk liefkozen en ze zegt dat ze tevreden en gelukkig is en dat dit eigenlijk heel eenvoudig is. Maar 's ochtends wordt ze benauwd en vol afgrijzen wakker.

Door Vronski's minnares te worden verloochent Anna het leven dat ze tot dan toe heeft geleid. Ze kan zich niet meer echt de vrouw van haar man voelen al zal ze blijven doen alsof, ze zal hem gaan voorliegen, ze zal niet meer vanzelfsprekend en eerlijk met hem praten - en dat alles terwijl ze (of omdat ze) geheel van hem afhankelijk is. Dat is allemaal vernederend. Bovendien is ze bang voor wat er kan gebeuren. Zou haar man van haar scheiden dan is ze de vrouw van niemand meer, en dat betekent voor een vrouw in het negentiende-eeuwse Rusland dat ze verloren is. Aangewezen op mannen die haar willen onderhouden, zolang ze tenminste nog aantrekkelijk is, daarna zal ze niemand meer hebben. Bovendien bestaat de kans dat haar zoon haar afgenomen wordt omdat een overspelige vrouw geen goede moeder kan zijn; een echte moeder taalt niet naar een andere dan haar eigen man.

Tragisch

Vronski is trots dat hij zo'n knappe, mooie, heerlijke vrouw als minnares heeft. Anna schaamt zich dat zij de minnares is van iemand, dat wil zeggen, dat ze zich zonder garanties van iemand afhankelijk heeft gemaakt - zelfs al gaat het om de knappe, mannelijke, innemende Vronski van wie ze zich verbeeldt zielsveel te houden.

In die liefde blijft het moeilijk geloven, hoezeer daar ook de nadruk op gelegd wordt. Dat haar liefde een tikje ongeloofwaardig is maakt Anna eigenlijk pas werkelijk tragisch: ze moet zichzelf wel voorhouden dat ze verschrikkelijk veel houdt van de man voor wie ze alles opgeeft, haar huwelijk, haar zoon, haar reputatie, haar vriendinnen. Ze mag aan die liefde niet twijfelen. Behalve haar minnaar heeft ze niemand meer, want ze is een gevallen vrouw. Als er ooit een pleidooi voor de vrouwenemancipatie is geschreven dan is het wel dit boek. Tolstoj was er overigens tegen.

Vronski heeft eigenlijk niets bijzonders. Een ferme, wel knappe, niet bijster interessante, oppervlakkige jongeman. Hij begrijpt niets van Anna's liefde voor haar zoon. Hij begrijpt eigenlijk helemaal niet veel van haar, hij vindt haar mooi, maar ook lastig en vreemd. Tolstoj laat ons voortdurend zien dat Vronski niet veel meer is dan een vriendelijke buitenkant. Hij geeft sprekende en ontroerende voorbeelden van de verliefdheid en het wederzijdse begrip van Kitty en Levin - geen enkel voorbeeld van een dergelijke verstandhouding tussen de twee zogenaamd hartstochtelijke geliefden. Toch beweert de schrijver keer op keer dat Anna zo van Vronski houdt. En Vronski, nadat hij heeft meegemaakt dat ze bijna stierf, ook van haar. Wat is dat voor een liefde, die niets begrijpt, zich niets afvraagt, niet wil kennen, alleen maar wil behagen?

Karenin begrijpt Anna al evenmin en hij doet daar ook geen moeite voor. “Ik heb niet het recht om in alle details van je gevoelsleven door te dringen en ik vind dat trouwens nutteloos en zelfs schadelijk, “ zegt hij. “Door in onze ziel te graven, graven we vaak juist datgene op dat daar onopgemerkt wilde blijven. Jouw gevoelens zijn een zaak van jouw geweten. Ik ben echter aan jou, aan mezelf en aan God verschuldigd om je op je plichten te wijzen.” Zo'n man is dat, en al doet hij soms nog zo zijn best, hij is te stijf en te harkerig om zijn huwelijk te redden.

Hij toont zich bijzonder grootmoedig als Anna na de geboorte van haar en Vronski's dochter op sterven ligt. Hij vergeeft met volle overgave zowel zijn vrouw als haar minnaar, hij gaat van het pasgeboren meisje houden - maar alles op zijn onbeminnelijke manier. Dat maakt het Anna na haar genezing onmogelijk om het met hem uit te houden. Ze vertrekt met Vronski en hun dochtertje naar het buitenland. Karenin, alleen gelaten, schaamt zich voor zijn tevergeefs geschonken vergiffenis. Een hoofdstuk lang leek hij Anna's liefde waard, nu is hij meelijwekkend. Voor we echter te veel gevoel voor hem krijgen laat Tolstoj hem kwezelachtig en stijver dan ooit worden.

REVOLVER

De vergiffenis van Karenin heeft ook Vronski al eens diep beschaamd, zozeer zelfs dat hij besluit zelfmoord te plegen. “Hij besefte dat de echtgenoot zelfs in zijn verdriet grootmoedig was terwijl hij minderwaardig en onbeduidend was in zijn bedrog.” Steeds weer schrikt hij overeind en ziet 'zijn eigen, naar het hem leek, dwaze en belachelijke figuur' tot hij tenslotte een revolver pakt en schiet. Mis. Dat wil zeggen, precies raak genoeg. Met dat mislukte schot heeft hij zich van zijn schaamte bevrijd.

De enige die nooit van haar schaamte verlost kan worden is Anna. Eenmaal bevrijd van haar echtgenoot moet ze zich schamen omdat ze haar zoon in de steek heeft gelaten. Voor een man bovendien die dat verdriet niet kan en niet wil begrijpen. Begrijpt de schrijver Anna wel? Zij wil geen kinderen meer krijgen, en blijkbaar, zo moeten we uit een reeks puntjes opmaken, neemt ze maatregelen om dat te voorkomen. Natuurlijk heeft ze, zeker in haar situatie, gelijk. Zelfs toont Tolstoj veel begrip voor de zwaarte van het moederschap, voor het uitputtende van elk jaar een kind moeten baren, hij ziet hoe vrouwen daar vroeg oud en lelijk van worden, hij begrijpt hoe ze daar onder lijden - toch vindt hij het eigenlijk niet in de haak dat Anna geen kinderen wil. Hij laat de vriendin tegen wie ze dit zegt denken dat een vrouw een man toch niet kan blijven boeien door mooi en knap en charmant te zijn, hij zal er altijd wel een vinden die nog mooier en knapper is. Zelfs laat hij Anna voelen dat zij, hoewel ze zo veel meer en betere argumenten heeft dan haar vriendin, toch ongelijk heeft. Zo maar. Onberedeneerbaar. Een moreel ongelijk.

Wilde Tolstoj behalve al die dingen die hij nu eenmaal beschrijft ook nog iets anders beweren met Anna Karenina? Bijvoorbeeld dat buitenechtelijke liefde niet gedijt? Dat het geluk voor vrouwen gezocht moet worden in het moederschap? Het is vervelend om te denken dat zo'n dik boek bij al zijn rijkdom ook nog een dergelijke suffe boodschap zou bevatten, toch is het soms moeilijk om niet zoiets te veronderstellen. Zo houdt Anna zielsveel van de zoon uit haar wettige huwelijk en laat zij zich nauwelijks iets gelegen liggen aan haar onwettige dochtertje. Tegenover de verboden en verdoemde hartstocht van Anna en Vronski zet de schrijver steeds weer de mooie toegestane liefde van Levin en Kitty, die bovendien veel overtuigender beschreven is. Anna werpt zich ten slotte onder de trein, waarmee ze ook Vronski's verdere leven zinloos maakt, Levin ziet aan het slot het licht. Na een periode waarin hij verschrikkelijk bang was dat hij zelfmoord zou plegen ziet hij hoe alles in zijn leven een bijzondere zin kan krijgen dankzij het geloof.

Weinig begrip

Aan alles is te merken dat het leven en het gevoel van Levin voor de schrijver een open boek zijn, maar dat hij zich heel wat minder kan voorstellen bij iemand als Anna. In haar gevoelens moeten we maar op zijn gezag geloven, wat jammer is, want de Levin-passages staan vol met heldere en fijngevoelige observaties. Van geen enkele vrouw begrijpt Tolstoj trouwens erg veel. Hij neemt zijn toevlucht tot een 'weten' dat voor mannen onbegrijpelijk is, hij kan zich absoluut niet voorstellen dat ze aan iets anders dan aan liefde, roddels, kinderen of het huishouden denken. Wat Kitty voelt als ze een kind krijgt daar horen we niet veel over, dat is allemaal volkomen vanzelfsprekend, natuurlijk is ze gelukkig, natuurlijk is ze trots, natuurlijk is er meteen en volop moederliefde. Voor de ontreddering van Levin daarentegen weet hij precies de woorden te vinden: “Hij voelde voor dit kleine wezentje iets heel anders dan hij had verwacht. Niets in dit gevoel was vrolijk of blij; integendeel, het was een nieuw en pijnlijk angstgevoel. Het was het besef van weer een nieuw gebied waarop hij kwetsbaar was. En dat besef was aanvankelijk zo pijnlijk en de angst dat dit hulpeloze wezentje iets overkomen zou, was zo sterk dat daardoor het vreemde gevoel van redeloze vreugde en zelfs trots toen het kind nieste, ongemerkt aan hem voorbijging.”

Met Anna moest het slecht aflopen. Al bij haar eerste ontmoeting met Vronski, op het station van Moskou, laat de schrijver ons dat weten. Er komt een man onder de trein. “Een slecht voorteken, “ zegt Anna. Achthonderd pagina's later springt ze zelf onder de trein. Haar verhouding met Vronski is stukgelopen op de wereld, op zijn onbegrip, op haar verdriet. Wat er ook gebeurt, hij zal nooit meer van haar houden zoals zij het zich wenst, haar zoon zal ze nooit meer zien, het enige wat haar nooit meer zal verlaten is haar verschrikkelijke schaamte. Tenzij ze daar zelf afscheid van neemt.

Vronski doet naderhand zijn best om zich hun mooiste momenten te herinneren, maar alles is vergiftigd door haar wraakzuchtigheid - want zo vat hij, en de schrijver geeft hem geen ongelijk, haar zelfmoord op. Waarom heeft ze het gedaan? Ze weet het zelf niet. Als ze onder de wagon ligt, vlak voor die haar mee zal sleuren en doden, begrijpt ze zichzelf minder dan ooit. “Waar ben ik? Wat doe ik? Waarom?”

    • Marjoleine de Vos