Vleermuis der wrake

In de vorige oorlog hebben de Duitsers met veel drukwerk hun best gedaan, ons van hun gelijk te overtuigen.

Zo was er een brochure, getiteld Wilt u de waarheid weten? waarin de misverstanden over Hitler werden rechtgezet. Kindervriend, dierenvriend, dat wisten we al, maar nieuw voor ons was dat zijn vijanden zoveel lelijks over de dreumes Hitler de wereld in hadden gestuurd. Een duidelijk bijgetekende foto toonde de aanstaande dictator in de box: een zwaargebouwd krachtpatsertje met besmeurde mond, te midden van mishandeld speelgoed. Sinds 1945 niet meer aan gedacht, tot ik vanmorgen de New York Post opensloeg. De tekenaar, Sean Delonas, geeft een blik op de kleine Saddam in zijn speelkamer. Hij heeft zich omringd met soldaatjes, de hond ligt vastgebonden in een hoek, pleister op de snuit. Hij heeft de kat aan zijn staart en maakt zich gereed, het beest een klap met een hamer te geven. Vader Hussein heeft het opvoeden al gestaakt en zit de krant te lezen.

Sinds 15 januari is de Tweede Wereldoorlog 'de vorige oorlog' omdat deze meer dan alle andere van de afgelopen vijfenveertig jaar op de vorige lijkt. Vietnam heeft ons beslopen: toen we begrepen dat daar een oorlog werd gevoerd, was het te laat. Deze is klassiek uitgebroken nadat er een zenuwenoorlog aan vooraf was gegaan. De omvang van de legers is ook ouderwets, waarmee ik bedoel dat we verondersteld hadden, nooit meer althans de voorbereidingen tot een treffen op zo'n schaal te zullen meemaken. Die tijd was voorgoed voorbij. En het belangrijkste: het stuk dat nu wordt opgevoerd, heeft een ouderwetse schurk. Over Ho Tsji Minh en generaal Giap waren de meningen verdeeld. Alle conflicten die het Westen met de communistische wereld heeft uitgevochten, met de wapens of op een andere manier, verliezen hier of daar de scherpte van de zwart-wit tegenstelling.

Intellectuelen gaan twijfelen, verklaren, protesteren. Niet uit louter pacifistische overwegingen maar omdat de tegenstander zijn beredeneerde recht van spreken heeft. Dat is dan de vredespartij die door de oorlogspartij van goedpraten en meelopen wordt beschuldigd. Hier heb ik van zo'n vredespartij nog niets gemerkt. Er zijn geen tekenen van een verbitterde ideologische burgeroorlog zoals in de tijd van Vietnam of toen Cuba nog meetelde.

Wel zijn er heel wat intellectuelen met hun geweten in het gedrang gekomen. Michael Lerner bijvoorbeeld, redacteur van het progressieve joodse kwartaalschrift Tikkun, komt na een grublend essay - op het masochistische af - tot de conclusie dat hij, hoewel overtuigd pacifist, niet tegen deze oorlog moet zijn. De Newyorker, een weekblad dat zich niet overwegend met politiek bezighoudt, heeft zich beschaafd tegen de oorlog verzet. Er lopen ook heel wat mensen rond die sprekend lijken op de vredesactivisten uit de tijd van Vietnam en die zich in optochten ook zo gedragen. Maar de gasmaskers, de gijzelaars, de Scuds en vooral de manier waarop Saddam zich pleegt uit te drukken, hebben de capaciteit tot begrip voor zijn standpunt en zijn politiek tot het onmerkbare teruggebracht.

Leidt de afwezigheid van ideologische twijfel - de pacifistische natuurlijk uitgezonderd - ertoe dat men gemakkelijker in een krijgshaftige geestdrift ontsteekt? De New York Times is geen oorlogszuchtige krant; verre van dat. Het nummer van 22 januari bevat een bijdrage waardoor je er anders over zou gaan denken. Het gaat over de oude B-52, de acht-motorige bommenwerper waarvan de laatste is gebouwd in 1962, en die nu weer in bedrijf wordt gesteld.

Er komt een piloot aan het woord die nog boven Hanoi heeft gevlogen. “Je verandert het doel in een soort maanlandschap. Als we op grote hoogte vliegen kunnen ze ons niet zien, en ook niet horen tot de bommen vallen, en dan is het als de rollende donder. Het heeft een groot psychologisch effect. You scare the hell out of them.” Een ander vroeger bemanningslid deelt mee: “De B-52 heeft iets mystieks. Door zijn vernietigende kracht brengt hij de boodschap van het verschrikkelijke.” De schrijver van het artikel weet zelf nog mee te delen dat het toestel met zijn lange vleugels op een prehistorisch monster lijkt. “De aarde siddert als de bommen zijn afgeleverd.”

Dit is het authentieke gevechtsproza dat me meteen aan de vorige oorlog doet denken. Het is een soort taal die niet rijk is aan oorspronkelijke beeldspraak. Dat hoeft ook niet. 't Is niet de bedoeling dat de lezers in verbazing worden gebracht door het literair talent. Het doel is, de ouderwetse geestdrift te mobiliseren en dat gebeurt niet met experimenteel proza. We grijpen vanzelf terug op het woordgereedschap dat zijn deugelijkheid al heeft bewezen in de vorige oorlog, zoals de B-52 dat in een vorige oorlog heeft gedaan. “De vleermuizen der wrake zullen Saddam krijgen, “ zoals de New York Post verzekerde.

De modeontwerpers - niet minder kunstenaars per slot van rekening - hebben zich ook al laten inspireren. Andre van Pier, bekend als de ontwerper van Elisabeth Taylor, heeft de Desert Storm chic-lijn gecreeerd, met een camouflagepatroontje en een gasmasker dat echt werkt. Men is daarmee, aldus Van Pier, volkomen up to date en toch beschermd.

    • H. J. A. Hofland