Stern was nooit op Java; Eep Francken over Multatuli

Eep Francken: De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker. Uitg. G. A. van Oorschot, 347 blz. Prijs fl. 49, -

Er zijn langzamerhand planken vol geschreven over Multatuli en zijn werk. Een nieuw boek, en zeker een boek met wetenschappelijke pretenties, moet dan ook wel echt iets nieuws te vertellen hebben om zijn aanwezigheid op die planken te rechtvaardigen. Van de drie afdelingen van de dissertatie van de Leidse neerlandicus Francken voldoet eigenlijk alleen de laatste aan die eis.

Het eerste deel van het boek houdt zich bezig met scholen en schoolmeesters, het tweede deel bespreekt de literatuur over Max Havelaar en het derde deel analyseert de figuur van Fancy. Het eerste deel is bestemd om onze biografische kennis uit te breiden en daar roert Francken meteen al een netelig probleem aan: in hoeverre kun je de biografie reconstrueren uit het werk. Dat is een berucht riskante onderneming waarbij biografen zich flink in de vingers kunnen snijden.

Francken vergroot het risico nog een beetje door een merkwaardig criterium voor te stellen. Woutertje Pieterse, zegt hij, is geen autobiografie maar bevat wel autobiografische elementen: “Wie ze metterdaad gaat aanwijzen, en iedere biograaf is ertoe gedwongen, heeft voor de schifting al gauw de toetssteen van zijn eigen intuitie nodig.” Wie bij deze opmerking zijn hart vasthoudt, kan ik geruststellen. Francken bemoeit zich nauwelijks met de biografie. In dat eerste deel van zijn boek behandelt hij het Nederlandse schoolsysteem en in het bijzonder het Amsterdamse. Het is een informatief stuk maar over Dekker worden we niets wijzer.

Eerlijkheidshalve moet ik daaraan toevoegen dat Francken dat zelf ook erkent. En wie dacht te zullen horen waarom Dekker de Latijnse school niet heeft afgemaakt wordt teleurgesteld: Francken weet het ook niet en wil er ook niet over speculeren. Dat laatste siert hem, maar ondertussen zitten we wel met een dikke zeventig bladzijden in een boek over Dekker die ons geen stap dichter bij hem brengen.

Het tweede deel is een soort kritische bibliografie van wat er over Max Havelaar is geschreven. Daarbij staat Sotemans De structuur van 'Max Havelaar' in het middelpunt. Francken probeert Sotemann een paar vliegen af te vangen door te argumenteren dat structuur en bouw en compositie niet hetzelfde zijn. De winst van deze semantische redenering is niet groot en Francken dekt zich in tegen deze kritiek door te zeggen dat hij niet bang is voor de schijn van pietluttigheid en dat hij ondanks de schijn geen muggenzifter is. Laten we het daar dan maar op houden. Hij heeft wel waardering voor het boek van Sotemann maar hij zegt ook met enige nadruk dat het nu een historisch verschijnsel is dat de sporen van zijn tijd draagt. Ik vraag me af welk boek dat na vijfentwintig jaar niet doet.

LAPSUS

De discussie over de opvattingen van Sotemann, Oversteegen, Janssens en Stuiveling richt zich voornamelijk op de veelbesproken kwestie van de auctoriele verteller: hoe kan Stern soms de ik-vorm gebruiken terwijl hij nooit op Java is geweest? Francken bestrijdt de oplossingen van Sotemann en Oversteegen, die mij altijd plausibel hebben geleken, en kiest voor de opvatting van Marcel Janssens die aan een vergissing of een slordigheid van Multatuli dacht. Francken wil verder gaan en de zogenaamde lapsus verklaren als een uiting van Multatuli's minachting voor artistieke perfectie. Ik kan hier alleen maar over zeggen dat Francken die interpretatie nog niet de schijn van waarschijnlijkheid heeft weten te geven.

Het stuk over Fancy begint met een bladzijdenlange uiteenzetting over Coleridge en 'imagination'. Wie dat allemaal heeft gelezen verwacht iets te horen over de relevantie hiervan. Maar Francken zegt: “Ik weet niet wat in de negentiende eeuw in Nederland de invloed of bekendheid is geweest van de theorieen van Coleridge.” Veel later komt hij er nog even op terug en noemt hij Fancy de band tussen Coleridge en Multatuli. Ook die constatering brengt ons niet dichter bij Multatuli en zijn werk, vooral niet als we weten dat Coleridge nergens door Multatuli wordt genoemd.

Francken heeft steeds de neiging om van alles te vertellen dat al bekend was. De hele situatie van het schrijven van Max Havelaar wordt nog eens uit de doeken gedaan: de problemen met Van Lennep, het voorschot, het gedoe over een goedkope herdruk, de ruzie met Jan enz. enz. De verhouding met Sietske Abrahamsz wordt weer beschreven evenals het begin van de relatie met Mimi. Wie het werk, de brieven en de Multatuli-literatuur kent, zal hier geen nieuws vinden, geen nieuwe feiten en geen nieuwe inzichten. Herhalingsoefeningen zou men het kunnen noemen. Het meest relevant is de analyse van de rol van Fancy en de conclusie dat Fancy de verpersoonlijking is “van de hechte band die hij aanwezig acht tussen zijn idealisme (zijn geloof in ethische idealen) en zijn creatieve schrijverschap”. Maar van een dissertatie van bijna driehonderdvijftig bladzijden mag je meer verwachten dan enkele verhelderende formuleringen.

    • P. M. Reinders