Recht op informatie

DE RELATIE tussen journalisten en generaals is in vredestijd zelden ontspannen.

Elke krijgsmacht is een besloten wereld, waarin eigen wetten gelden en waar conflicten intern worden opgelost. Journalisten kunnen nuttig zijn uit een oogpunt van public relations, maar dat heeft weinig met vrije nieuwsgaring te maken. De militaire argwaan neemt grote vormen aan in tijden van oorlog. Een Amerikaanse generaal was daarover openhartig. You guys, zei hij tegen journalisten, we kunnen jullie missen als kiespijn, je loopt ons voor de voeten en jullie vertellen de verkeerde dingen.

Dat laatste punt is niet onjuist. Het was heel merkwaardig dat televisieverslaggevers uit Bagdad vrij precies konden rapporteren welke gebouwen door Amerikaanse bommen waren beschadigd. De Irakezen hebben daar snel een eind aan gemaakt. Zeer begrijpelijk is ook dat de Israelische censors woedend waren toen een CNN-verslaggever na een raketaanval op Tel Aviv op een kaartje de precieze plaats van inslag aanwees. De Irakezen moeten tevreden zijn geweest met deze ongevraagde en onbetaalde artilleriewaarneming.

ONGETWIJFELD kunnen de militairen hierover nog meer sterke verhalen vertellen. Het is nu eenmaal een feit, dat een oorlog niet alleen serieuze, evenwichtige verslaggevers aantrekt, maar ook journalistieke avonturiers en sensatiezoekers. In Saoedi-Arabie alleen al werken 700 journalisten van diverse pluimage, en die moeten de kosten van hun uitzending goedmaken. Het is ook een feit, dat tussen deze dames en heren een felle concurrentie heerst. Kranten en televisiestations zijn ook commerciele instellingen, en net als voor militairen geldt dat in een oorlog journalistieke reputaties worden gemaakt of gebroken.

Vooral tussen de Amerikaanse televisienetwerken is de wedijver enorm, evenals de investeringen. Regisseurs en redacties zetten hun mensen in het veld vaak onder druk om sneller en interessanter nieuws te geven. Interessanter betekent vaak gewelddadiger, directer, bloediger. Uit de Vietnam-oorlog weten wij dat de televisiestations eerst terughoudend waren in het tonen van gewonden of doden. Na enkele jaren vervaagden de normen: regisseurs wilden niet alleen lijken zien, maar ook echte gevechten, dus hoe mensen stierven. De grens tussen informatie - waarom mag het publiek niet zien hoe gruwelijk de oorlog echt is - en sensatie werd steeds vager.

ER ZIJN GOEDE militaire redenen voor censuur. Er zijn ook goede journalistieke argumenten voor terughoudendheid in de rapportage. Waarom zou het publiek alles bliksemsnel of zelfs 'live' moeten zien als daardoor levens in gevaar komen of militaire acties worden gehinderd? Is het erg als de journalisten even de tijd nemen om een bericht te verifieren? De vraag heeft geen antwoord nodig.

Maar dat is slechts een kant van de zaak. Een andere is dat het besluit om oorlog tegen Irak te voeren democratisch is genomen in de meeste geallieerde landen. Zo hoort het, en het geeft de burgers die hun geld, hun kinderen of zichzelf beschikbaar stellen het recht om te weten hoe de oorlog verloopt.

Dat betekent niet dat zij elk loos luchtalarm hoeven te horen, of moeten weten waar een raket neervalt. Maar zij mogen wel een realistisch beeld krijgen van de offers die worden gebracht, van de gevaren die er dreigen en wat de uiteindelijke prijs kan zijn - ook als de situatie verandert. Het oude militaire argument dat de bevolking de waarheid niet mag weten omdat men dan gedemoraliseerd raakt, is niet geldig.

HIER LIGT EEN verantwoordelijkheid voor de regeringen, voor de politici. Men mag geen geen genoegen nemen met het argument dat alleen militairen de grenzen van de censuur kunnen beoordelen. Het is een ervaringsfeit dat wie begint de publieke opinie te regisseren, daarin steeds verder wil gaan. De prijs van de oorlog is al hoog genoeg. Daaraan hoeft geen erosie van het recht op informatie te worden toegevoegd.