Provencaalse bluf

Alphonse Daudet: Tarascon-Haven. Vert. door Ernst van Altena. Uitg. Ambo, 190 blz. Prijs fl. 29, 50

In de Anno-reeks geeft uitgeverij Ambo sinds enige tijd jaarlijks enkele titels uit die precies honderd jaar geleden zijn verschenen. In de eind vorig jaar verschenen serie over 1890 was daar Tarascon-Haven bij, het derde deel van een heroikomische trilogie over de dikwijls als Provencaalaalse Don Quichot getypeerde 'held' Tartarin van Tarascon. Hoe het boek precies aan het jaar 1890 is gekoppeld weet ik niet. De trilogie (Tartarin de Tarascon, Tartarin sur les Alpes en Port Tarascon) werd geschreven in 1872-73. Maar zelfs als het derde deel pas in 1890 zou zijn verschenen, is het wat ongerijmd om de Nederlandse lezer uitsluitend het laatste deel voor te leggen. De verwijzingen naar de twee vorige zijn zo veelvuldig, dat je het gevoel krijgt een incompleet boek onder ogen te hebben. En dan niet eens het leukste deel, het is al te duidelijk bedoeld om de Tartarin-figuur van het toneel af te voeren.

De uit Nimes afkomstige Daudet staat samen met Maupassant bekend als de meester van de pittoreske korte verhalen, de schilder van de 'couleur locale'. Veruit het bekendst is dan ook zijn bundel Lettres de mon moulin (1869) gebleven. De Tartarin-serie, bedoeld als satire op het blufferige karakter van de Zuidfransen, is niet ongeestig, maar stijgt evenmin uit boven de vele avonturenverhalen die de negentiende-eeuwse Franse literatuur rijk is. Tartarin vecht tegen leeuwen, bedwingt de Jungfrau, en verdedigt op zijn manier het klooster van de Witte Paters van Pamperigouste. De bevolking van Tarascon beschouwt hem als haar grote held. De avonturen in dit laatste deel beroven hem echter van zijn roem, en hij sterft als een uitgestotene in het stadje aan de overkant van de Rhone waarmee Tarascon van oudsher door vijandschap verbonden is.

Belgische graaf

Schuldig aan dit droeve einde van de sympathieke antiheld is een oplichter die zich uitgeeft voor een Belgische graaf. Hij verkoopt aan de Tarasconezen, ontevreden over de Franse regering die een verbod op stierengevechten heeft uitgevaardigd, hectaren grond op een Polynesisch eiland dat hij afschildert als een gratis aards paradijs. De hele bevolking van Tarascon scheept zich dan ook met al haar hebben en houden in op weg naar 'Tarascon-Haven'. Hoe het avontuur afloopt is voorspelbaar: op het eiland is geen stad, er is geen vruchtbare grond, en er staan geen dankbare inlanders op de kade. Vele illusies en bezittingen armer keren de kolonisten een jaar later weer terug, en aangezien de pseudo-graaf zich natuurlijk tijdig uit de voeten heeft gemaakt, ontlaadt hun woede zich op de gouverneur van het nieuwe land, degene die de hele expeditie op touw heeft gezet: Tartarin.

Dat de uitgever op de achterflap de Belgische oplichter een projectontwikkelaar noemt, doet niets af aan het nogal oubollige karakter van het verhaal. En dat hij als verband met de actualiteit de nog steeds voortdurende strubbelingen tussen de Fransen en de Kanaken noemt, lijkt mij alleen begrijpelijk voor wie zeer nauwgezet de Franse buitenlandse politiek volgt. Voor de luchtige ironische toespelingen op tal van negentiende-eeuwse, specifiek Franse toestanden geldt mutatis mutandis die opmerking nog sterker.