Oorlogsrecht maakt niet duidelijk wat wel en niet kan

DEN HAAG, 25 jan. - Aanvallen op burgerdoelen zijn in oorlogstijd niet toegestaan, aldus mevrouw drs. A. Delissen, jurist bij de vakgroep volkenrecht van de universiteit in Leiden.

Ook historische gebouwen, kerken en moskeeen vallen onder de verboden objecten, net als drinkwaterinstallaties. Met civiele bruggen wordt het al moeilijker. Die kunnen in oorlogstijd wel degelijk een militaire functie hebben. En kerncentrales? Delissen: “Die mogen in principe doelwit zijn, tenzij de aanval tot grote verliezen onder de burgers kan leiden. Het is een kwestie van afwegen.”

Het is een terrein waar menigmaal twijfel heerst en waar veel wikken en wegen geboden is: dat van het oorlogsrecht, zoals vastgelegd in de protocollen van 1977, die bij de Geneefse Conventies horen, en hoogst actueel nu in de Golf de strijd is losgebarsten. Op een bijeenkomst van Rode Kruis, gisteren in Den Haag, lieten verscheidene experts hun licht over dit veld schijnen, maar zonder steeds tot stellige uitspraken te komen.

De vier Conventies van Geneve dienen tot verbetering van het lot van zieken en gewonden bij de strijdkrachten te velde en ter zee, van krijgsgevangenen en van de burgerbevolking. Vrijwel alle landen hebben de Geneefse akkoorden bekrachtigd, ook Irak. Dus als Saddam Hussein gevangen genomen piloten laat mishandelen of hen naar gevaarlijke strategische lokaties laat overbrengen om als menselijk schild te dienen, handelt hij nadrukkelijk in strijd met wat ook zijn eigen land is overeengekomen.

Die duidelijkheid, hier in negatieve zin, ontbreekt echter waar het gaat om de aanvullende protocollen die in 1977 tot stand kwamen en globaal tot doel hebben al diegenen te ontzien die niet aan de gewapende strijd deelnemen. Bij de protocollen zijn aanzienlijk minder landen partij. Nederland bijvoorbeeld wel, Italie ook, maar Irak en de Verenigde Staten niet, hoewel ze destijds hebben meegewerkt aan de totstandkoming.

Prof. mr. F. Kalshoven, emeritus-hoogleraar in het oorlogsrecht, kreeg de vraag voorgelegd of Israel krachtens de heersende regels gerechtigd is als repressaille burgerdoelen in Irak te bestoken. Hij twijfelde. Er wordt in de wetenschappelijke literatuur verschillend over gedacht, er zijn argumenten voor en tegen aan te voeren. Toch meende hij ten slotte: “Het mag, al zou het zeer onverstandig zijn. Als ik adviseur van de Israelische regering was, zou ik het in elk geval afraden.”

Het gebruik van chemische wapens (niet de produktie) werd al in 1925 per verdrag onrechtmatig verklaard. Tot de landen die ermee instemden, behoorde Irak, maar dat Saddam deze regel aan zijn laars lapt is intussen verscheidene keren gebleken, bijvoorbeeld in de oorlog met Iran. Zal hij ook in de Golfoorlog naar dit verboden middel grijpen en zo ja, heeft Amerika dan het recht met giftige chemicalien terug te slaan?

Kalshoven antwoordde bevestigend: “Dat voorbehoud is destijds gemaakt, het verbod vervalt zodra een van de partijen in een conflict de afspraken schendt”. En hij voegde er in algemene zin aan toe: “Je hoeft een tegenstander die onder de gordel werkt, niet te benaderen met een hand op de rug gebonden.” Wel vond hij de vraag 'academisch', omdat de VS volgens hem weinig of geen militair belang hebben bij chemische wapens: “De andere middelen die ze gebruiken, zijn toereikend om het beoogde doel, de bevrijding van Koeweit, te bereiken.”

Hoe staat het ten slotte met de kennis van het oorlogsrecht bij de Nederlandse krijgsmacht? Kalshoven: “Uit rapporten blijkt dat er veel aan wordt gedaan, maar er moet nog meer gebeuren.” Juist de vorige dag had hij een verzameling majoors toegesproken en hun dezelfde vraag voorgelegd. Het antwoord had hem niet vrolijker gemaakt: “Ze zeiden dat ze er in hun opleiding wel eens iets van hadden gehoord en daaruit leid ik af: het kan beter.”

    • F. G. de Ruiter