Ontsnapt aan de saaiheid; Monografie over Jan Schoonhoven

Janneke Wesseling: Schoonhoven. Uitg. SDU-Openbaar Kunstbezit, 135 blz. Prijs fl. 49, 90

De SDU en Openbaar Kunstbezit geven sinds 1986 een reeks monografieen uit over Nederlandse kunstenaars. Janneke Wesseling nam Jan Schoonhoven voor haar rekening, de inmiddels 76-jarige ex-PTT'er die in de jaren zestig bekendheid kreeg met zijn hagelwitte reliefs.

Zoals het een wetenschappelijk verantwoorde monografie betaamt is het boek chronologisch opgezet. Het behandelt na een inleiding Schoonhovens jeugd, het vinden van zijn eigen stijl, zijn bloeiperiode, zijn positie in de internationale ontwikkelingen in de kunst van de laatste 40 jaar en zijn terugkeer, op hoge leeftijd, naar de tekenstijl van ruim dertig jaar eerder. De tekst is voorzien van goede illustraties, een lijst van tentoonstellingen en een bibliografie. Het boek is royaal opgezet en geeft evenveel ruimte aan de Nederlandse tekst als aan de Engelse vertaling.

Schoonhovens werk, zijn leven, zijn persoon, ze worden gekenmerkt door eenzelfde soberheid, kalmte en regelmaat. Wesselinks tekst mag misschien voorspelbaar en saai klinken, hij bevat alle noodzakelijke informatie en stelt zich volledig in dienst van het toegankelijk maken van Schoonhovens oeuvre. Het werk van de Delftenaar verdraagt die klassieke monografietoon met gemak, misschien wel omdat het zelf een miraculeuze ontsnapping bewerkstelligt uit de 'saaie' ordening van uitsluitend horizontalen en verticalen, met gerust minimaal te noemen middelen.

In haar inleiding zegt Wesselink dat Schoonhoven er in zijn reliefs op uit is om met uiterste precisie en de allerminimaalste middelen een visueel wonder te laten gebeuren. “Zijn werk speelt zich af op een grensgebied, waar een simpele ordening van horizontalen en verticalen - een rolgordijntje, een luchtrooster - plotseling boven zichzelf wordt uitgetild, er vindt een metamorfose plaats (... ) Al doende heeft hij de scheidslijn tussen kunst en niet-kunst dicht benaderd en daarmee de scheidslijn des te duidelijker gemarkeerd. Een en ander hangt samen met een feilloos gevoel voor ritme, met een sublieme lijnvoering, met een ragfijn spel van licht en schaduw, met een subtiele esthetiek gebaseerd op soberheid en regelmaat.”

ONBEGRIJPELIJK

Het verschil tussen Schoonhovens werk en een luchtrooster of rolgordijntje is dus heel klein, om niet te zeggen 'ragfijn' en 'subtiel'. Dat heb ik aan den lijve ondervonden. Ik moet een jaar of veertien geweest zijn, toen ik mijn boezemvriend bezocht, die mij trots en door hem gemaakte pentekening liet zien. Het was een magisch-realistische voorstelling (daar waren we dol op in die tijd) opgebouwd uit minuscule krabbeltjes. De tekening was niet groter dan een handpalm en hij was keurig ingelijst achter plexiglas, op mooi wit papier met een patroon van witte putjes. Het geheel was iets kleiner dan een krantepagina.

Mijn vriend was uitgelaten over de professionele uitstraling, die zijn tekening gekregen had door het indrukwekkende passepartout. Hij vertelde dat hij de lijst van zijn vader gekregen had. Die werkte bij de afdeling marketing van Albert Heijn en had van het reclamebureau dat voor de superkruidenier werkte een relatiegeschenk gekregen.

Maar dat witte vel met vierkante putjes was dus het eigenlijke relatiegeschenk, vroeg ik. Ja, dat was een zeldzame grafiek van ene Schoonhoven, waarmee het reclamebureau de mannen van Albert Heijn blij had proberen te maken. Mijn vriend had tegen zijn vader gezegd dat hij het een prachtig kunstwerk vond om het als passepartout in de wacht te slepen. Zijn vader vond de lijst met het witte vel niks en gaf het aan zijn zoon. En nu hing het daar, als ondergrond voor wat mijn vriend zijn beste tekening 'ever' vond.

Ik was natuurlijk wel in de buurt van echte schilderijen geweest en had ook wel eens een Picasso-achtig schilderij gezien, maar dan altijd in musea, in boeken of op de TV. Ik had nog nooit een officieel kunstwerk bij iemand thuis gezien. En nu het dan gebeurde was het een onbegrijpelijk voorwerp. Maar belachelijk vonden we het ding nu ook weer niet. Want ook al snapten we het niet goed, en was het gebruik als passepartout voorlopig plausibel, toch liet het ons niet los, dat er iemand geweest was, die dit ding met evenveel zorg en artistieke bedoelingen gemaakt had, als mijn vriend zijn pentekening. Niet veel later hing er geen passepartout, maar een echte Schoonhoven in zijn kamer, en verdiepten wij ons door middel van musea, bibliotheken en tweedehands boekwinkels in Nieuw Realistische, Zero, Nul en Pop kunst, en van het een kwam het ander, totdat we Dada, het surrealisme en het kubisme ontdekten. Voor ons was de bescheiden en uiterst minimale grafiek van Jan Schoonhoven een begin geweest van een ontdekkingstocht door de moderne kunst.

Als het zo was als Schoonhoven in 1964 in De Nieuwe Stijl schreef: “het doel is om op onpersoonlijke wijze de werkelijkheid als kunst te funderen”, dan was dat wat ons betreft gelukt. In al zijn saaiheid en minimalisme had hij ons beter leren kijken naar rolgordijntjes, luchtroosters, maar ook ingewijd in de moderne kunst. En dat alles ook nog zonder hoogdravende titels, gewichtige uitleg, of persoonlijke charisma.

Wesselinks monografie is gewijd aan de Nederlandse kampioen van het op integere en intieme wijze naderen van het minimum in de beeldende kunst. Zoals hij zelf zei: “Je moet streven naar een minimum, maar anoniem gaat het niet.” Inderdaad, het kan onpersoonlijk, ondogmatisch, onsentimentsel, onafhankelijk, maar niet zonder naam, dat blijkt: de naam ervoor is Jan Schoonhoven.

    • Dirk van Weelden