Nog zestig jaar pirouettes; Het Nieuwe Modernisme in de architectuur

Charles Jencks: The New Moderns. From Late to Neo-Modernism. Uitg. SDU Publishers, 300 blz. Prijs fl. 99, 50, na 1 februari fl. 120, -.

“Alles wordt in een hokje gestopt: daar hebben we Charles Jencks voor”, verzuchtte de inmiddels 84-jarige Amerikaanse architect Philip Johnson in een interview met Jencks. Inderdaad heeft de architectuurcriticus en architect Charles Jencks zich de laatste decennia vooral gewijd aan het benoemen en definieren van nieuwe stromingen in de architectuur. Of het nu ging om laatmodernisme of postmodernisme, Jencks was steeds een van de eersten die in de spraakverwarringen enige helderheid bracht door aan te geven wat die stromingen volgens hem inhielden.

Maar met de laatste mode in de architectuur, het deconstructivisme, had Jencks weinig bemoeienis. Het leek alsof het hem was ontgaan dat er een nieuwe stroming in de architectuur was ontstaan, toen in 1988 de eerste grote deconstructivisme-tentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York werd gehouden. Zijn onlangs verschenen boek The New Moderns lijkt dan ook vooral een poging om zijn onoplettendheid goed te maken. Die indruk wordt gewekt door bij voorbeeld het naschrift bij zijn artikel Frank Gehry - The First Deconstructionist. “This essay was written in 1985 well before the current rush to deconstruct and in anticipation of Peter Eisenman's desire to be known as the first Deconstructionist.”

Jencks wil in zijn boek laten zien dat het deconstructivisme onderdeel is van een bredere stroming: het neo-modernisme. Eigenlijk zijn alleen Peter Eisenman en Bernard Tschumi volgens hem echte deconstructivisten, omdat zij expliciet aansluiting zoeken bij het filosofische deconstructivisme van Jacques Derrida. De rest van de architecten, die op de Newyorkse tentoonstelling werden gepresenteerd (Rem Koolhaas, Zaha Hadid, Coop Himmelblau, Frank Gehry en Daniel Libeskind), hebben volgens Jencks weinig boodschap aan Derrida. Maar zij en nog een paar andere architecten zoals de Japanner Fumihiko Maki hebben toch genoeg met elkaar gemeen om van neo-modernisme te spreken, de 'zoveelste pirouette van het modernisme' dat volgens Jencks nog zeker een jaar of zestig de architectuur zal blijven domineren. Volgens goed gebruik heeft Jencks lijsten met dertig variabelen gemaakt om aan te geven waarin modernisme, laat-modernisme, postmodernisme en nu dan neo-modernisme van elkaar verschillen.

SCHOK

Het komt erop neer dat de neo-modernisten de abstracte vormen en het elitaire karakter van het modernisme tot het uiterste voeren. Net als de modernisten willen ze 'de bourgeoisie' schokken, hoewel ze er zelf toe behoren en er hoofdzakelijk voor bouwen. Met hun gebouwen, kakafonieen van abstracte geometrische vormen, willen zij de chaos van de huidige wereld weerspiegelen. Maar anders dan de modernisten uit de jaren twintig rechtvaardigen zij hun abstracte vormen niet met een beroep op een toekomstige, betere wereld. En ook hoeven hun gebouwen lang niet altijd functioneel te zijn: de knalrode folies van Bernard Tschumi in het Parijse wetenschapspark La Villette zijn hiervan volgens Jencks het duidelijkste voorbeeld.

De belangrijkste kritiek van de overtuigde postmodernist Jencks op het neo-modernisme is in wezen dezelfde als die op het modernisme: “Het probleem van het Nieuwe Modernisme is zijn extreme hermeticisme, het gebrek aan een sociale basis en aantrekkingskracht, het onvermogen om begrepen te worden door anderen dan een kleine coterie.” Een gebouw van Eisenman, schrijft Jencks, is alleen begrijpelijk met de uitleg van de architect erbij. Het lijkt me onweerlegbare kritiek.

Het boek lijdt onder Jencks' drang om als de eerste een dik boek te publiceren over het neo-modernisme. Wanneer de schrijver zich meer tijd had gegund, had hij een veel helderder betoog over het neo-modernisme kunnen schrijven. Nu is het boek eigenlijk niet meer dan een bundeling artikelen, waarvan de oudste al zestien jaar geleden is gepubliceerd. En veel van wat er in de artikelen staat, is al bekend uit andere boeken van deze veelschrijver.

Maar Jencks' artikelen zijn vrijwel altijd leesbaar - en dat is al een grote verdienste in de architectuurkritiek. En al neemt Jencks' rubriceerdrift soms obsessieve vormen aan, hij doet toch nuttig werk met zijn lijstjes en het plaatsen van alle architecten in een passend hokje. Of, zoals Jencks zelf zegt: “Categorieen zijn even onvermijdelijk voor het denken als de stijl voor een gebouw.”

    • Bernard Hulsman