Na afloop van de oorlog in de Golf zullen nog heel wat rekeningen vereffend worden; Mubarak probeerde Iraakse leider vele malen in het goede spoor te brengen; 'Saddam leeft niet in deze wereld'

KAIRO, 25 jan. - Meer dan twee uur heeft president Mubarak gisteren in een speciaal bijeen geroepen zitting van de twee kamers van het Egyptische parlement tot in de kleinste details beschreven hoe hij het afgelopen half jaar poging na poging ondernam om president Saddam Hussein ertoe te bewegen de bezetting van Koeweit ongedaan te maken.

Zesentwintig oproepen had Mubarak tot Saddam gericht om de Iraakse leider op het juiste spoor terug te brengen, om het Iraakse broedervolk en het Iraakse broederleger ellende en vernietiging te besparen, om de vrijheid van het Arabische moslim-volk van Koeweit te herstellen en om de Arabische en de internationale legitimiteit te bewaren, waarin Egypte zo'n onschatbare rol vervult.

Hoe reageerde Saddam op de hand die keer na keer naar hem werd uitgestoken? Met bedrog, verwensingen en bedreigingen. Saddams laatste boodschap van 19 december bewees “dat hij niet in deze wereld leeft”. De Egyptische president had het dan ook noodzakelijk gevonden om hem van repliek te dienen in een brief van 44 kantjes. Helaas zonder resultaat. Desondanks had Mubarak de hoop niet opgegeven dat de Iraakse leider alsnog bij zinnen zou komen. Zelfs nu, op dit late moment, was het mogelijk om de oorlogshandelingen te staken, als Saddam maar zijn bereidheid te kennen zou geven om zich terstond en onvoorwaardelijk uit Koeweit terug te trekken. Maar zolang dat niet gebeurde, was er geen ruimte voor welk vredesinitiatief ook.

Volgens Mubarak hadden Saddam en Saddams boodschappers en brieven met geen woord gerept over de Palestijnse kwestie - “niet eenmaal”. Daaruit viel op te maken “dat zijn bewering dat hij alle Arabische problemen wil oplossen (... ) alleen maar een truc is om de Arabische volkeren te bedriegen en sentimenten op te wekken (... ) als dekmantel voor zijn bezetting van Koeweit en zijn poging om Koeweit weg te vagen”. Pas op 29 november stelde Saddam in een brief aan hem dat de Palestijnse kwestie, samen met de andere problemen in de Arabische wereld, besproken diende te worden.

Mubarak stelde een aantal Arabische leiders, die hij verder niet bij name noemde, verantwoordelijk voor Saddams optreden. “Als de hele wereld zich zonder een uitzondering had gekant tegen de agressie in Koeweit, was het mogelijk geweest dat Irak zijn troepen vreedzaam had teruggetrokken. Zij die Saddams agressie hebben gesteund, zijn daarvoor medeverantwoordelijk.” Daarmee gaf Mubarak impliciet te kennen wat velen in zijn omgeving discreet, maar expliciet zeggen: dat er na afloop van de Golfoorlog nog heel wat rekeningen zullen worden gepresenteerd aan diverse Arabische leiders: aan PLO-leider Yasser Arafat in het bijzonder en aan de leider van de Soedanese junta Omar el-Fechir, wellicht ook aan de Jemenitische president Ali Abdallah Saleh, alsmede aan koning Hussein van Jordanie.

Mubarak vertelde dat Saddam hem had aangeboden om de Koeweitse buit te delen. “Op 24 juli ontmoette ik hem in Bagdad. We hadden een bijeenkomst achter gesloten deuren, waarin hij mij zei dat de leiders van Koeweit (als gevolg van Saddams dreigementen een week tevoren) in paniek waren geraakt, hoewel hij niet van plan was om hen aan te vallen. Saddam zei ook dat ik van de gelegenheid gebruik kon maken en kon vragen wat ik wilde van de leiders van Koeweit. “Smeed het ijzer, terwijl het heet is”, zei hij, “en zij (de Koeweiti's) zullen aan de Egyptische verlangens tegemoet komen”, maar ik antwoordde hem dat wij niets van Koeweit willen en dat ons doel was om het opvlammende vuur tussen Irak en Koeweit te blussen, omdat dat vuur alles in de waagschaal zou stellen dat wij inzake de Arabische solidariteit aan onze kinderen hadden geleerd”.

In overeenstemming met zijn eerdere instructies aan de regeringsmedia om de betekenis van Saddams op Israel afgeschoten Scud-raketten te minimaliseren, zei de Egyptische president dat “die raketten zijn als de voetzoekers die (Koptische) kinderen met Pasen afsteken. Zij zijn alleen maar voor de show en zij dienen het Palestijnse volk niet. Het zijn politieke raketten, die hier en daar tot een demonstratie kunnen leiden, maar niet het conflict kunnen oplossen”. Spijtig merkte Mubarak op dat de Scuds alleen maar ertoe hebben geleid dat Israel meer sympathie van de wereld heeft gekregen en nog eens extra wapens en hulp van de Verenigde Staten. Vanochtend herhaalde het regeringsblad Al Akhbar in een hoofdartikel deze mening.

Volgens Al Akhbar zou Israel daarom ook in de nabije toekomst helemaal geen vergeldingsactie tegen Irak ondernemen, omdat het daarmee tegen zijn eigen belangen zou handelen. “Het is geen geheim”, aldus het hoofdartikel, “dat het door Saddam geschapen internationale klimaat, toen hij Koeweit binnendrong, Israel een gouden gelegenheid heeft geboden om de misdaad van deze eeuw te continueren: namelijk het overbrengen van een tot twee miljoen Sovjet-Joden naar Israel, zonder dat de Arabische landen daarover kwaad worden of zich ertegen verzetten. Deze immigratie is een veel effectievere wraak op Irak.”

Met des te meer verontwaardiging ging Mubarak in op Saddams raketbeschietingen van Saoedi-Arabie. Hij vroeg zich af hoe de Iraakse leider, die zich nu opeens opwerpt als de beschermheer van de islam, tegelijkertijd zijn raketten kan richten op het heiligste land van de islam: Saoedi-Arabie. Zich direct richtend tot zijn islamitische vijanden in en buiten Egypte, die thans Saddam steunen, zei hij: “Toen hij Iran binnenviel, beschuldigden zij hem openlijk ervan een agent te zijn van buitenlandse machten, een vijand te zijn van de islam en af te wijken van hetgeen de islam leert. Is Koeweit dan geen islamitisch land, zoals Iran? En is Koeweit bovendien geen Arabische staat die met ons in de Arabische Liga is verbonden?”

Vol verwachting hadden de Egyptenaren uitgekeken naar de rede van hun president. Sommigen hoopten dat hij met een aantal decreten een eind zou maken aan de leugenachtige propaganda die een aantal pro-Saddamkranten verspreiden. Anderen dachten dat hij een regelrechte oorlogsverklaring aan Saddam zou richten. Maar Mubarak beperkte zich tot een historische verantwoording van zijn daden. Hij vroeg het parlement niet om toestemming actie tegen Saddam te ondernemen, omdat hij ervan uit gaat dat het parlement al in 1951 die toestemming aan de president heeft gegeven, toen het het Arabische Defensiepact ratificeerde. Volgens Mubarak zijn de Egyptische troepen onder meer op grond van dat verdrag naar de Golfstaten gestuurd en zou hij ze ook naar Irak hebben gestuurd, als dat broederland door een ander was aangevallen.

In taxi's, winkels, theehuizen, stalletjes en op straat luisterde men aandachtiger dan ooit tevoren naar hetgeen de president vertelde. Na afloop was er een duidelijk gevoel van 'dat wisten we allemaal al'. Men was teleurgesteld. De president had niets opwindends gezegd, alleen maar een aantal Arabische leiders voorzichtig belachelijk gemaakt - op de manier die Egyptenaren apprecieren. De geachte afgevaardigden in het parlement hadden daarover geschuddebuikt en hem voor, tijdens en na zijn redevoering ovationeeel toegejuicht. Maar dat was allemaal volgens verwachting. De president had geen nieuwe onthullingen gedaan, geen avonturen aangekondigd en niets over de toekomst gezegd.

Een ingenieur vatte de rede samen: “Hosni (Mubarak) heeft opnieuw laten zien wie en wat hij is. Hij is als water, dat nooit een wond zal genezen, maar ook nooit de wond erger zal maken.”

Langs de straten waar Mubarak en zijn escorte gierden, stonden om de paar meter tienduizenden militaire-politiemannen, in hun zwarte uniformen met een rode band om een schouder, en met hun witte beenkappen. Zij staarden suffig voor zich uit, de ruggen naar de straat gewend, zoals hun was bevolen. Deze boerenzoons, die voor de militaire dienst zijn opgeroepen en als zodanig bij de politie zijn terecht gekomen, wisten niet wat de president had gezegd. Zij leken op de klei van hun geboortedorpen en zij hoefden kennelijk niet te weten wat de president te zeggen had. Hun taak was het om te staan en door hun massale aanwezigheid - de laatste jaren is deze politiemacht tot 600.000 opgevoerd - duidelijk te maken dat Egypte, onder leiding van zijn president, eeuweig, onvergankelijk en onwrikbaar is.

    • Michael Stein