Met een badkuip in zee; De dagboeken van August von Platen

De dichter August von Platen schreef over liefdesverdriet en de onmogelijkheid van alle contacten. In een nu vertaalde selectie uit zijn dagboeken is te zien op wat voor storm- achtige ervaringen hij zich baseert. Kees Verheul las in het dagboek over von Platens geworstel met innige vriendschappen, zijn zoektocht naar 'een gemeenschap van onthouding' en herlas zijn poezie: “Wer ganz mit seinem Schmerz allein, der lernt den Schmerz geniessen.”.

August von Platen: Memorandum van mijn leven. Uit de dagboeken. Vertaald door C. R. Vink, keuze en nawoord van Jan Paul Hinrichs. Uitg. Plantage - Gerards en Schreurs, 268 blz. Prijs fl. 38, 50

Het is een blijk van durf wanneer een nog onbekende uitgeverij zich in deze tijd presenteert met een vertaling van het dagboek van August von Platen (1796-1835). Toen dit dagboek een kleine eeuw geleden integraal werd gepubliceerd was dit een sensatie en werd de uitgave stukgelezen door velen - vooral homoseksuelen op zoek naar eerlijke lectuur over wat zij onder algemeen stilzwijgen of misprijzen voelden en beleefden. Maar deze periode lijkt nu in de prehistorie te liggen. Ook wegens Platens dichterschap hoeft een Nederlandse uitgever niet op een succes van diens intieme journaal te rekenen. Behalve bij enkele illustere bewonderaars - zoals Goethe, Schelling, Joh. Brahms en Thomas Mann, wiens novelle Der Tod in Venedig voornamelijk door Platen geinspireerd is - schijnt de dichter in Duitsland nooit echt populair te zijn geweest, en tegenwoordig minder dan ooit. Voor Nederland geldt ongeveer hetzelfde.

De nieuwe uitgeverij Plantage - Gerards en Scheurs komt dus niet alleen bewondering toe voor het van start gaan met een bijna suicidaal riskant project, ze heeft voortaan ook mijn persoonlijke sympathie omdat dit project mij heeft bevrijd van desinteresse jegens iemand die ik enkel van horen zeggen kende. Platens openhartige dagboek bleek iets totaal anders te bieden dan het inmiddels overbekende doorsnee-lief-en-leed van een mannenminnaar. En de kennismaking, naar aanleiding van dit dagboek, met Platens poezie werd de ontdekking van een lyrisch oeuvre dat voor mijn gevoel op zijn minst in de schaduw mag staan van wat de favorieten onder zijn geinspireerde generatie tot stand hebben gebracht. Keats (1795-1821), Poesjkin (1799- 1837), Leopardi (1798-1837)... Ik zal het rijtje voortaan besluiten met: von Platen.

De Nederlandse editie van het dagboek heeft een fraaie vormgeving, is voorzien van een rijk informatief nawoord en bevat een vertaling met een juist getroffen, gedistingeerde maar nergens antiek klinkende toon. Mijn bezwaar tegen het boek betreft - afgezien van enkele onbegrijpelijke misgrepen, hetzij in de vertaling zelf, hetzij in de correctie - de tekstkeuze. Hinrichs heeft vooral passages opgenomen die de spontane weerslag in proza zijn van het bizarre, stormachtige, voor negentig procent uit eenpersoons emoties bestaande liefdeleven van Platen als Munchense page en jonge militair, als Wurzburgse en Erlangense student plus aankomende literator, als in Italie rondzwervende emigrant. Terecht - dit zijn ook de beroemdste en merkwaardigste gedeelten. Daarnaast heeft de presentator gelukkig ook hier en daar ruimte gegeven aan minder sensationele notities. Maar hoe aantrekkelijk ook, hoezeer te billijken, elke selectie is een vertekening. Zeker wanneer, zoals hier, nergens met behulp van haakjes of puntjes is aangegeven dat er een stuk uit het origineel ontbreekt.

EMOTIES

De indruk ontstaat daardoor dat Platen, die blijkens allerlei opmerkingen een gedreven liefhebber was van lectuur, discussies en studie, maar een ding belangrijk genoeg vond om 's avonds uitgebreid in zijn journaal te behandelen: zijn emoties naar aanleiding van het die dag wel of niet gegroet zijn en zo ja, hoe - stijfjes! welwillend! uitnodigend? quasi-nors? - door de medehoveling, -officier of -student die hij als boezemvriend begeerde. Bovendien ontstaat de indruk van een fenomenale oppervlakkigheid in Platens passies. Op dezelfde pagina waar hij in tranen is over het definitief mislukt zijn van een jarenlange vriendschap noteert hij zijn indrukken van een knappe jongeman die hij op straat heeft gesignaleerd en popelt om te leren kennen. Niet dat het beeld van Platen als iemand met een nogal raar beleven van zijn erotiek mij fout lijkt.

Thomas Mann heeft het tegelijk potsierlijk en onmiskenbaar edel en griezelig en triest aandoende van Platens notities over zijn vriendschappen mooi samengevat door de graaf in zijn Platen-essay te typeren als 'een Don Quichot van de liefde'. Misschien is - ook al trekt deze essayist die conclusie niet - een zekere Don Quichotterie iedere homoseksueel van nature wel eigen. Maar hoe dan ook, door het weglaten, zonder enige aanduiding, van het merendeel van de stukken die niet over bewonderde jongens gaan maar over literatuur, taalkunde, filosofie of politiek, bereikt men het omgekeerde van de beruchte gekuiste editie van Platens dagboek door zijn nabestaanden in 1860. Toen kwam hij uit de verf als de brave, seksloze erudiet die overeenstemde met het gangbare Platen-imago van een vroeggrijze heer met een gouden brilletje. Nu verschijnt hij niet zozeer als een Don Quichot van de liefde, maar als een full-time maniak.

De weinig betrouwbare tekstverzorging is des te spijtiger omdat de indruk van authenticiteit historisch en psychologisch juist hetgeen is dat de lectuur van Platens Memorandum tot zo'n verrassende ervaring maakt. De waarde van deze lectuur schuilt in het geconfronteerd worden met het authentieke anders-zijn van het verleden, meer dan met het 'anders-zijn' van de auteur op zichzelf. Nauwkeuriger gezegd: het Memorandum verrast telkens doordat Platens dagelijkse leef- en denkwereld in vrijwel al haar bestanddelen radicaal blijkt te verschillen van onze wereld, compleet met onze uitingen van anders-zijn. Wie Platens notities tot zich laat doordringen komt tot de conclusie dat het onbegrip voor huidige homoseksuelen, of welke gediscrimineerde groep ook, in het niet zinkt bij ons collectieve onbegrip voor mensen en omstandigheden van meer dan honderd jaar geleden.

SCHOK

Vaak zijn het toevallige, schijnbaar onbeduidende details die je de schok geven van het in aanraking komen met een echt, niet aan je vertrouwde voorstellingen beantwoordend verleden. Zo heeft Platens beschrijving van zijn eerste zeebad, te Triest, in een vanuit een plezierboot neergelaten badkuip met gaten Platens hele tijdperk voor mij opeens een concreet voorkomen gegeven. En hoezeer het Rome van toen niet het Rome was van nu, heb ik met fysieke verbazing begrepen bij het lezen dat een tegenwoordig in het hart van de stad gesitueerd straatje als de Via degli Ibernesi, waar Platen de winter van 1829-1830 heeft doorgebracht, destijds ver aan de periferie lag, met een uitzicht over het groen naar het Colosseum.

Het gevoelsleven van Platen stamt uit een even fascinerend vreemde tijd. Je realiseert je, al na een paar bladzijden hoe volledig de recente seksuele revolutie de beleving van de erotiek in Europa splitst in een periode voor en na, en ook wat voor unieke kansen plus wat voor ellende homoseksuelen van de empire- en de biedermeiergeneratie moeten hebben gehad door de geexalteerde vriendschapsromantiek, waarmee alle beschaafde jongeren van die tijd opgroeiden. Platens dagboek laat je mee-ervaren hoe plusminus 1820 een welopgevoede jonge man een andere welopgevoede jonge man zijn hartstochtelijke sympathie kon aanbieden zonder daarbij over de grens van het acceptabele te gaan. Meer nog: twee nette jonge mannen konden elkaar, bijvoorbeeld, zonder zichzelf of de ander van uitzonderlijke neigingen te hoeven verdenken, omhelsd houden tijdens het gezamenlijk lezen van een drama in verzen over een zielsverwantschap als de hunne, en elkaar bij de treffendste passages met tranen in de ogen op de mond kussen. Maar als men dan, het jeugdige bloed verhit door de poezie en elkaars nabijheid, tot gedragingen kwam die thuis hoorden in een heel andere context - die van dronken 'uitspattingen' met een betaalde, in elk geval qua stand of gedrag mindere partner - volgden er paniek, ruzie, schandaal.

Platens levensgeschiedenis maakt de indruk voor alles het produkt te zijn van de illusies, de misverstanden en de conflicten waartoe de zojuist geschetste moraal rijkelijk aanleiding gaf. Blijkens zijn dagboeknotities heeft hij nooit moeite gehad met het voor zichzelf erkennen en aanvaarden dat zijn sterkste verlangens uitgingen naar sexe-genoten. Met vaststellingen als: “Kan ik iets veranderen aan wat ik niet zelf heb geschapen?” was de kous voor hem af.

Echte relatie

Waar hij jaren naar heeft gehunkerd was een duurzame verhouding met een liefst iets jongere en liefst, maar niet per se, forse blonde man uit zijn eigen milieu om alle gedachten, vreugden en zorgen mee te delen. Met andere woorden, Platens bewuste uitgangspunt was het meest 'normale' ideaal ter wereld, door hem omschreven als 'een echte relatie', gebaseerd op 'dagelijks samenzijn en geestelijk contact'. Wat zijn echt-seksuele behoeften binnen zo'n relatie betreft is Platen in zijn uitingen aanzienlijk dubbelzinniger. Hij beseft dat hij die soms heeft of gemakkelijk zou kunnen krijgen maar wijst ze, wanneer hij erover schrijft, af met termen als 'kwalijke neigingen' en 'laag-bij-de-grondse driften'. Kennelijk hoorden dergelijke verlangens voor hem (en zeker ook voor zijn liefdesobjecten) tot de wereld van het ordinaire, het Pobelhafte, die de dichter, ook al was hij in sociaal opzicht allerminst een snob, tot zijn dood toe heeft verafschuwd.

Hoe irreeel, hoe gevaarlijk ook het kan zijn om naar een 'echte relatie' te streven en daarbij niets te willen weten van 'kwalijke neigingen', leert Platens poezie. Een dichter verraadt zijn diepste, zelfs voor het eigen bewustzijn verborgen gedachten vaak in zijn rijmen. Bij het doorbladeren van Platens poezie-oeuvre viel me op hoe hier, als herinnering aan de niet te negeren samenhang van instinctieve zinnelijkheid met uitzonderlijke kameraadschap, het woord Triebe (drift) de bijna stereotiepe echo vormt bij Liebe.

In de verhouding die het tragische hoogtepunt is van Platens Memorandum nemen de twee vrienden op een gegeven ogenblik samen een stap over de grens met het naar hun maatstaven verwerpelijke. Misschien had ik beter kunnen zeggen: dieptepunt, want als er iets onvergetelijk is aan deze liefdesgeschiedenis, dan is dat het onbeholpene, deerniswekkend enge van alles, zoals ik in geen roman - behalve, inderdaad, die van Cervantes - ben tegengekomen. Juist dat het geen fictie is maakt het zo triest om te lezen: Platens opmerken van een hem onbekende, aantrekkelijke rechtenstudent die hij, met zijn hoogdravende fantasie, bij zichzelf onmiddellijk de mythologische naam Adrastus geeft; von Platens toenaderingstactiek; de niet begrijpende maar inschikkelijke reacties van 'Adrastus'; Platens wisselende buien van verafgoding en gepikeerdheid jegens zijn beminde; Platens gemanoeuvreer tot ook 'Adrastus' verliefd is geworden en niet meer zonder hem kan; de gezamenlijke misstap op een zomerdag, gevolgd door een paar weken van conflictueus geluk; de definitieve breuk als 'Adrastus', toch al tot het uiterste gedreven van zijn emotionele vermogens, tijdens zijn vakantie thuis van Platen een veeleisende brief krijgt benevens een voorraad op hem geinspireerde erotische verzen.

IDEAAL

Geschokt door zijn eerste ervaring met een uit meer dan alleen wensdromen bestaande relatie, was Platen in zijn daaropvolgende vriendschappen voorzichtiger. Het ideaal dat hem voor ogen stond was nog steeds dat van een langdurige communicatie met een vriend, maar dan ook, zoals hij het uitdrukkelijk in zijn dagboek formuleerde, 'een gemeenschap van onthouding'. De zelfdiscipline, nodig voor het verwezenlijken van dit ideaal, bezat hij als geboren Pruis met een militaire scholing in voldoende mate. Alleen was het, zoals je je bij het volgen van Platens notities weldra realiseert, geen levensvatbaar ideaal. Zijn geforceerd 'reine' vriendschappen bezweken niet minder snel aan irritaties dan de verhouding die zo dramatisch was stukgelopen op het wel toegeven aan 'zinnelijkheid'.

Wat Platens levensgeschiedenis tot meer maakt dan een curiosum - het erbarmelijke produkt van een voorbije ethiek betreffende vriendschap en seksualiteit - is zijn dichterschap.

Niet alleen heeft Platen zijn liefdesverdriet verwoord in verzen die de diepte en de realiteit van dit verdriet nog steeds zo zuiver overbrengen, dat elk gedachte aan een historische afstand verdwijnt. Wezenlijker is dat hij het vermogen bezat om zijn betrekkelijk bijzondere situatie op te vatten als een sleutel tot een interessanter, want algemener gegeven. Platens dagboek en zijn poetische oeuvre zijn samen een geheel, ongeveer zoals de prozatekst plus de daaropvolgende reeks gedichten in Dokter Zjivago een roman vormen. De persoonlijke waarheid die Platen in zijn Memorandum heeft geexploreerd, is in zijn poezie gestileerd en uitgediept tot een existentiele waarheid. Zo is Platen een van de grote dichters geworden over het thema van de ontoereikendheid van alle liefde, alle menselijke communicatie. En hij is dat overtuigender dan de meeste Weltschmerz-poeten door in zijn bewust voor het nageslacht geconcipieerde dagboek te laten zien op welke concrete ervaringen een passage zoals deze bij voorbeeld - het slot van de ode 'Lebensstimmung' - is gebaseerd:

Ob zwei Seelen es gibt, welche sich ganz verstehn?

Wer antwortet? Der Mensch forsche dem Ratsel nach,

Gleichstimmige Menschen suchend,

Bis er stirbt, bis er sucht und stirbt.

De beste studie die ik over Platens poezie heb gevonden, het in 1971 gepubliceerde proefschrift van Jurgen Link, typeert Platens oeuvre als een telkens weer falende poging tot het overwinnen van een nihilistisch besef van leegte, een algehele mismoedigheid die bij de voltooiing van een nieuw werk onmiddellijk om de hoek kwam kijken en de dichter dan dwong te gaan zoeken naar een andere artistieke Sinngebung. Link brengt het Memorandum daarbij nauwelijks ter sprake, maar de lectuur ervan maakt je duidelijk hoezeer ook in dit opzicht leven en werk bij Platen parallel verliepen. Het mislukken, hoe hij het ook aanpakte, van de vriendschapsverhoudingen waarin hij zijn levensgeluk hoopte te vinden, resulteerde omstreeks zijn negenentwintigste in het afschrijven van dit ideaal, het vertrek uit het met zijn erotische debacles geassocieerde Duitsland en het zich van nu af met alle hardnekkigheid waartoe hij in staat was, in dienst stellen van het gesublimeerde ideaal van een met kunst en geschiedenis verweven bovenzinnelijke schoonheid. Zoals veel fijnbesnaarde jongeren uit het Noord-Europa van die tijd, die wat geld hadden - in Platens geval net genoeg voor een eenvoudige huurkamer en een ascetische maaltijd per dag - en die zich om welke reden ook niet op hun plaats voelden in hun aanvankelijke omgeving, verdween hij naar Italie.

KEUZE

Of de uiteindelijke zingeving van zijn leven in de vorm van een ontheemd bestaan van studie en creativiteit een juiste keuze was kan een buitenstaander niet beoordelen. Een benijdenswaardig bestaan heeft die keuze in elk geval niet opgeleverd. Platen was iemand geworden die bij zijn vele sociale contacten met argwaan reageerde op iedere impuls tot een meer persoonlijke toenadering:

Und druckt ein Mensch mir liebevoll und leise nur die Hand,

Empfind' ich gleich geheimen Schmerz und tiefen Widerstand.

In Italie, waar hij doelloos reisde van verkeerde plek naar verkeerde plek - Napels in augustus, Florence in december - ervoer hij af en toe, naar uit zijn dagboek en zijn poezie valt op te maken, de soort puur seksuele bevrediging die daar gemakkelijker te vinden was dan in Duitsland. Maar veel vreugde ontleende hij er niet aan. De Romeinse knaap die blijkens een gedicht in een winternacht zijn braunliche Wang' tegen zijn Busenfreunds blondes Haupt vlijde, liet zich daarna niet meer zien. Waarschijnlijk maar gelukkig ook. Want wat verdergaande communicatie met zulke zuiderlingen betreft, concludeerde von Platen in een vers uit Sicilie:

Aus jenen schonen Stirnen keimt

Nie ein Gedank' empor.

Als dichter vond Platen zich, door de geringe weerklank van zijn publikaties in Duitsland, onbegrepen, miskend, een anachronisme in een door hem verfoeid benepen tijdperk. Het enige waar hij tenslotte nog troost aan ontleende was het mediterrane landschap met zijn geschiedenis, zijn eigen gevoel van verongelijktheid en zijn verdriet:

Du bleibst dir selbst in jeder Pein,

Ob alle dich verliessen,

Und Luft und Sonne bleiben dein:

Wer ganz mit seinem Schmerz allein,

Der lernt den Schmerz geniessen.

Zo maakt Platen als dertiger een indruk van psychische verschraaldheid (zijn beroemde vers over het doodsverlangen, 'Tristan', eindigt met het beeld van een verzandende bron) of zelfs van een ruine - een menselijke pendant van de architectonische resten die Platen in zijn uiterst muzikale, uiterst ideeenrijke, uiterst bestudeerde laatste gedichten bezong.

Zijn levenseinde roept vanzelf gedachten op aan psycho-somatische verbanden. In de tijd dat Platen met zijn vaderland zijn hoop op het vinden van een partner definitief vaarwel zegt, noteert hij in zijn dagboek zinnen als: “zo is mijn leven in zijn diepste wortels aangetast” en “alles in mijn binnenste is als het ware afgestorven.” De plotseling veel schaarser wordende aantekeningen van de daaropvolgende kleine tien jaar in Italie bestaan voor een belangrijk deel uit klachten over 'zenuwaanvallen' (tot flauwvallen toe), pijnlijke ontstekingen of een onbestemd zich 'niet lekker voelen'. Platens overlijden, onverwachts, in een logement te Syracuse - hij was naar Sicilie gereisd uit angst voor de cholera in Noord-Italie - was medisch gesproken raadselachtig en onnodig. Zoals wel gesteld is over Gogol, nog een auteur die veel met Platen gemeen heeft: hij stierf niet zozeer aan een ziekte als aan het idee van de dood.

Tot besluit een opmerking over Platens schoonheidscultus in zijn latere jaren. Hij staat terecht bekend als een van de vroegste en overtuigdste aanhangers van het esthetisme. Maar het is mij opgevallen dat von Platens esthetisme - zijn overtuiging dat de beste produkten van menselijke schoonheidszin, vernuft en intuitie al het overige bestaande in waarde overtreffen - anders aandoet dan het esthetisme van de meeste latere auteurs die zich op hem beroepen. Zo is Platens 'Evangelium des Schonen' nooit conservatief. Integendeel, het gaat altijd samen met een hang naar emancipatie op moreel en religieus gebied. Ook is Platens verheven schoonheidsleer doortrokken van een sympathiek besef van gemis op een alledaagser menselijk niveau. De aanblik van de prachtigste kunstschatten neutraliseert voor hem de afwezigheid van een verloren vriend niet, maar maakt die in zijn herinnering juist extra nijpend:

Weil da, wo Schonheit waltet, Liebe waltet,

So durfte Keiner sich verwundert zeigen,

Wenn ich nicht ganz vermochte zu verschweigen,

Wie deine Liebe meine Seele spaltet.

Wat mij het essentiele lijkt: schoonheid was voor Platen niet het allerhoogste, niet het allerlaatste. In zijn ode aan de Beierse koning Ludwig

oemt hij schoonheid een sluier waarachter iets anders, Gottliches, net even zichtbaar wordt. In een ander gedicht preciseert Platen zijn rol van schoonheidsprofeet als die van iemand die zijn tijdgenoten wil voorgaan op het pad van het echte. Dit laatste woord trof mij, toen ik het tegenkwam, niet alleen als een van de kostbaarste die het Nederlands en het Duits delen, maar ook als het meest rake voor mijn impressie van Platens dagboek en zijn poezie.

    • Kees Verheul