Kankermuis

De Europese Commissie maakt zich ernstige zorgen over de Europese biotechnologische en geneeskundige research.

De Europese industrie dreigt momenteel op de wereldmarkt terrein te verliezen aan Amerikaanse en Japanse bedrijven. Een belangrijke oorzaak voor dat verlies is de relatief beperkte monopoliebescherming die Europa aan deze tak van industrie biedt. De kankermuis - een in Amerika door genetische manipulatie ontstane testmuis - illustreert het probleem waarmee Europa kampt. De kankermuis - ook wel Harvardmuis genoemd - is in Amerika gecreeerd door ingrijpen in het erfelijk materiaal van een gewone muis. Daardoor kunnen 'menselijke' kankertumoren bij hem worden ontwikkeld voor onderzoek. De uitvinder van deze muis wilde zijn commercieel toepasbare uitvinding door middel van een octrooi beschermen om op die manier exclusief de toekomstige vruchten van zijn uitvinding te kunnen plukken. In Amerika kreeg hij het gevraagde octrooi op de kankermuis maar in Europa wees het Europese Octrooi Bureau de octrooiaanvraag op grond van formele argumenten af. Bij gebrek aan een octrooi of een andere beschermingsregeling mag in Europa zo'n muis worden nagemaakt. Omdat Europa derhalve geen vergaande bescherming biedt aan dit soort uitvinders, worden deze gestimuleerd hun activiteiten te ontplooien in landen waar de gevraagde bescherming wel aanwezig is, zoals Amerika. De Europese Commissie doet er echter alles aan om te trachten deze research in Europa te behouden en te bevorderen. De Commissie heeft vorig jaar een voorstel ingediend voor een Richtlijn met betrekking tot de wettelijke bescherming van biotechnologische uitvindingen. Genetische manipulatie - het ingrijpen door mensen in het erfelijk materiaal - is een spraakmakend onderdeel van de te beschermen biotechnologie. Overigens moet worden beseft dat genetische manipulatie zich natuurlijk niet tot muizen beperkt. Door biotechnologische experimenten kunnen velerlei nieuwe diersoorten worden gemaakt. Een 'koe-konijn' behoort tot de reele mogelijkheden. Maar ook het inbrengen van enig erfelijk materiaal van uw levenspartner bij een rat kan vermoedelijk tot opmerkelijke en misschien zelfs wel voordelige veranderingen in het beestje leiden. De door de Commissie voorgestelde Richtijn over de bescherming van biotechnologie is voor de industrie van commercieel belang omdat deze een ruimere bescherming zal bieden aan produkten die genetische informatie bevatten. De voortschrijdende ontwikkelingen in de biotechnologie zullen de Europese Commissie echter noodzaken grenzen te stellen aan de (ethische) toelaatbaarheid van genetische manipulatie.

De commissie heeft echter meer gedaan om de EG aantrekkelijker te maken voor de farmaceutische industrie. Zij heeft ook een voorstel ingediend voor een langere beschermingsduur van geoctrooieerde geneesmiddelen. Ook dat voorstel is ingegeven door de gedachte dat de Europese farmaceutische industrie lijdt onder een toenemende afbrokkeling van octrooien op geneesmiddelen.

In het algemeen is de wettelijke beschermingsduur van een octrooi in EG-landen twintig jaar vanaf de datum van de aanvraag. Na de octrooi-indiening kan een octrooihouder in theorie zijn uitvinding direct in de handel brengen. In de praktijk is dit echter bij geneesmiddelen niet het geval. De houder van een geneesmiddeloctrooi moet de commercieel gebruik van het medicijn in de Gemeenschap noodgedwongen uitstellen. De nationale autoriteiten moeten eerst vergunning hebben verleend om het produkt op de markt te mogen brengen. De besluitingvorming is van langdurige testen afhankelijk. Tussen het moment waarop de octrooi-aanvraag is ingediend en de uiteindelijke verkoop van het geneesmiddel ligt in de praktijk een periode van gemiddeld twaalf jaar. De commerciele beschermingsperiode van een octrooi op een medicijn is hierdoor teruggebracht van twintig tot acht jaar. Deze korte duur van de feitelijke werking van het octrooi geeft de Europese industrie onvoldoende gelegenheid de hoge investeringen - die gepaard gaan met produktontwikkeling - voldoende terug te verdienen. Als gevolg van deze beperkte bescherming is er in de EG een waarneembare daling van onderzoek gesignaleerd en verdwijnt research - wederom - naar landen als Japan en de Verenigde Staten waar een feitelijk langere octrooibescherming bestaat. De Europese Commissie op haar beurt bepleit nu de invoering op korte termijn van een zogeheten aanvullend beschermingscertificaat.

Dat certificaat geeft na afloop van het octrooi op een geneesmiddel een aanvullende beschermingsduur van maximaal tien jaar. De commissie doet er dus alles aan de farmaceutische industrie te gerieven en daardoor Europese research te bevorderen. Het is - zeker als algemene tendens - toe te juichen dat de Commissie zich steeds meer inzet voor de Europese industrie. Maar ook in dit geval heeft de medaille twee kanten. Door de exclusiviteit van geneesmiddelen te verlengen krijgt de industrie meer geld - via de verkoop van wettelijk beschermde en dus dure geneesmiddelen - voor research. Anderzijds moet de consument dat geld voor de aanschaf van dure medicijnen en biotechnologische experimenten opbrengen. Maar komt het geld dat de Europese industrie verdient, via belastingen en werkgelegenheid ten slotte niet weer indirect ten goede aan inwoners van de Europese Gemeenschap? .