Iraks olie-industrie verandert in woestenij

ROTTERDAM, 25 JAN. Sinds eind december is er door goede kennissen in Bagdad niets meer van Issam al-Chalabi, de vroegere olieminister van Irak, vernomen.

Na een mislukte poging om zijn land te ontvluchten - nadat hij in oktober door Saddam Hussein aan de kant was geschoven - zuchtte hij wekenlang op water en brood in een politiecel.

Kort na het begin van het VN-handelsembargo tegen Irak had Chalabi de noodklok geluid omdat hij een tekort aan brandstoffen, onderdelen, en importgoederen voor de olie-industrie constateerde dat volgens hem alleen met distrubutie van benzine en andere goederen kon worden beheerst. Dat kwam Saddam Hussein om propagandaredenen heel slecht uit, zo vlak voor een steeds dichterbij komende oorlog. Voor straf werd de olieminister van zijn functie ontheven en vervangen door Saddams schoonzoon Hussein Kamal Hassan.

Chalabi kende volgens een oliedeskundige die jarenlang in Bagdad heeft gewerkt, elke bout en moer van de olie-installaties waarmee Irak tot augustus vorig jaar 99 procent van zijn exportwaarde verdiende. Hij was de laatste technocraat in Saddams regering, opgeklommen in de olie-industrie tot directeur van de staatsmaatschappij en daarna geroepen tot het ministersambt. Een gematigde, technisch zeer deskundige man onder wiens leiding grootse plannen waren ontwikkeld om, door een drastische uitbreiding van Iraks raffinagecapaciteit en de petrochemie, kunstmestfabrieken en nieuwe installaties voor het bereiden van vloeibaar gas voor export het nationaal inkomen op te voeren.

De Iraakse olie-industrie, het hart van het economisch potentieel, is sinds het begin van de bombardementen vorige week donderdag, bezig in snel tempo te veranderen in een woestenij. Afgelopen woensdag kreeg Chalabi alsnog gelijk en werd de verkoop van benzine zelfs stopgezet. Volgens Amerikaanse en Britse berichten omdat de helft van de Iraakse raffinagecapaciteit buiten gebruik is. Saddam Hussein heeft al zijn brandstofvoorraden nodig om de tanks, vliegtuigen en radarapparatuur aan de gang te houden. De komende dagen zullen volgens het Amerikaanse opperbevel de bombardementen nog meer zijn gericht op energie-installaties en opslagtanks om de brandstoftoevoer naar de legereenheden af te snijden.

Pag. 15: .

Irak was volop bezig zich te herstellen van de achtjarige oorlog tegen Iran en wist zijn bruto nationaal inkomen in enkele jaren van veertig miljard dollar op te voeren tot meer dan zestig miljard. Het centrum van Bagdad had de allure van een Westerse hoofdstad gekregen. Maar na deze oorlog houdt Irak weinig meer over dan zijn enorme oliereserves en moet van voren af aan beginnen.

Op 1 september, toen het VN-embargo al drie weken werkte en de olieproduktie vrijwel stillag, hield vice-premier Sadoun Hammadi de Irakezen in een interview met de staatstelevisie nog een smakelijke worst voor: de annexatie van Koeweit zou het land extra inkomsten van 46 miljard dollar per jaar bezorgen. Want de toen geldende olieprijs van dertig dollar per vat zou wel zo hoog blijven, meende hij. Het Iraakse bewind dacht met de inlijving van Koeweit een vijfde van de wereldoliereserves te beheersen, en daarmee in belangrijke mate de prijs te kunnen beinvloeden. Met de Koeweitse rijkdommen zou Irak ook makkelijk zijn schulden van zestig tot tachtig miljard dollar (vooral veroorzaakt door de oorlog tegen Iran) kunnen afbetalen, zei Hammadi. Gemakshalve had hij de miljardenschuld aan Koeweit alvast geschrapt.

Saddam Hussein meende eindelijk zijn zin te krijgen met een veel hogere olieprijs dan OPEC (de organisatie van olie exporterende landen) wilde nastreven. Dat minister Chalabi eind juli - vlak voor de invasie van 2 augustus - in OPEC-verband nog een verhoging van de richtprijs tot 21 dollar per vat had weten te bereiken, mocht niet baten. De Koeweiti's hadden Hussein met hun overproduktie en het overtreden van de OPEC-afspraken het bloed onder de nagels vandaan gehaald en ze moesten bloeden.

Saddam nam in augustus het collectieve verzet van de de rest van de wereld tegen zijn avontuur in Koeweit nog niet ernstig en rekende buiten de kracht van andere OPEC-landen om de weggevallen produktie van Irak en Koeweit ruimschoots te compenseren. Hij trotseerde het handelsembargo van de Verenigde Naties, dat hem intussen een derde van zijn nationaal inkomen heeft gekost omdat hij geen druppel olie kon verkopen. Volgens het Franse vakblad Petrostrategies daalden Saddams inkomsten uit de export van ruwe olie vorig jaar met 29, 6 procent tot 10, 2 miljard dollar, terwijl Saoedi-Arabie bijna honderd procent meer verdiende.

De Saoedische vorst Fahd, door Saddam beschimpt als de verrader van de heilige plaatsen van de Islam en herbergier van het imperialisme, stuurde het Iraakse staatshoofd vlak voor het begin van de oorlog nog een woedende brief waaruit nog eens bleek dat het nooit meer goed zou komen tussen de twee heersers. Saoedi-Arabie heeft aan financiele hulp voor de wederopbouw van Irakese steden na de Golfoorlog bijna 26 miljard dollar aan giften, leningen en gratis leveranties betaald. Voor die periode waren er ook al grote bedragen overgemaakt. Daaruit mag wel blijken dat wij het goed meenden met het Iraakse volk, schreef Fahd. Maar het vorstelijke advies: trek je terug eer je land wordt verwoest, werd in de wind geslagen.

Irak zou met zijn positie als tweede op de wereldranglijst van oliereserves en een aantal 'megaprojecten' van in totaal vijftien miljard dollar een industriele hoeksteen van formaat in de Golfregio worden. Maar sinds het van kracht worden van de VN-sancties en het misbruik door Saddam van de buitenlanders die in dat proces een belangrijke rol speelden als gijzelaars, zijn verreweg de meeste financieringsbronnen opgedroogd. Die bronnen en de technologische hulp kwamen uit de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten, Groot-Brittannie, Duitsland, Frankrijk, Turkije, Joegoslavie, Brazilie, Japan, Zuid-Korea en andere Aziatische landen. Zonder uitzondering hebben deze landen zich vanaf augustus in VN-verband tegen Saddam gekeerd, al is nu door Washington een indrukwekkend aantal bedrijven genoemd die gepoogd zouden hebben de sancties te overtreden. Niettemin zijn olieprojecten, de bouw van nieuwe waterkrachtdammen, petro-chemische fabrieken, kunstmestfabrieken, elektriciteitscentrales en drinkwaterfaciliteiten al in september vorig jaar stilgelegd.

Bombardementen van de geallieerde strijdmacht op strategische doelen, waaronder olie-installaties, maken het door koning Fahd voor Irak geschetste schrikbeeld werkelijkheid. “Een enorme set-back. Wat er ook waar is van de oorlogsberichten die je nu opvangt, je praat over verliezen van vele miljarden”, zegt dr. Paul Horsnell van het Oxford Institute of Energy Studies. Hij wijst op de energiecentrale bij Bagdad die in vlammen is opgegaan en de bombardementen op de stad Basra en omgeving in Zuid-Irak, waar grote installaties staan.

Een van de Amerikaanse piloten die dinsdag voor de Iraakse televisie onder dwang verklaringen aflegde, zei op de vraag wat zijn missie was, dat hij een raffinaderij bij Bagdad moest bombarderen. Een moderne raffinaderij kost zeker een miljard dollar en de vernietiging van de twee nucleaire proefcentrales in Noord-Irak moet een schade van honderden miljoenen betekenen. Waarschijnlijk zal na afloop van de oorlog blijken dat veel Irakezen de geallieerden dankbaar zijn voor de vernietiging van fabrieken die gifgas en biologische wapens produceerden. Deze kapitaalvernietiging is niet bij benadering te ramen, maar dat Saddam Hussein er veel geld in heeft gestopt, staat vast.

Aanhoudende Amerikaanse berichten over bombardementen in de buurt van Saddams geboorteplaats Tikrit wijzen ook op grote vernielingen, want juist daar waren belangrijke projecten voor uitbreiding van de oliewinning aan de gang. Kernpunt in de economische strategie van Irak was een omschakeling van ruwe olie naar hoogwaardige brandstoffen, grootschalige petro-chemische industrie en kunstmestproduktie. De Centrale Raffinaderij, in aanbouw bij Basra, en een fabriek voor vloeibaar gas (LPG) die net geopend was, zouden de eerste stappen zijn.

Irak beschikte tot augustus vorig jaar over een maximumcapaciteit voor de produktie van olie tot 3, 5 miljoen vaten per dag en een raffinagecapaciteit van 685.000 vaten per dag. Behalve de schade aan de raffinaderijen, die voor een hoge toegevoegde waarde op de olie-inkomsten zorgen, zal ook de oliewinning zo langzamerhand behoorlijk in het ongerede zijn. De produktie staat al sinds augustus voor het grootste deel stil en de installaties gaan door gebrekkig onderhoud snel achteruit.

Als Saddam de grote klap overleeft of zijn Ba'athpartij de macht behoudt, zal de slag voor het Iraakse volk die het land zeker tien jaar in zijn ontwikkeling terugbrengt, nog langer voelbaar zijn. Waar olie is, komt op den duur ook wel weer geld, maar bedrijven zullen na het avontuur met Koeweit terughoudend zijn om in dit wespennest te investeren. En welk land zou bereid zijn de politieke risico's daarvan te verzekeren?